Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-13
ECLI:NL:RBZWB:2025:4933
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
11,274 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/419979 FA RK 24-1129
datum uitspraak: 13 maart 2025
beschikking betreffende gezag, hoofdverblijf, omgangsregeling en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.F. van Drenth,
en
[de man]
,
wonende aan het [woonplaats] ,
hierna te noemen de man.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 8 maart 2024 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- de brieven van de Raad voor de Kinderbescherming van 11 oktober 2024 en 7 februari 2025, met als bijlagen de rapportages;
- de brief van mr. Van Drenth van 11 februari 2025, tevens houdende wijziging en aanvulling van het verzoek, met bijlagen;
- de beschikking van deze rechtbank betreffende provisionele voorziening van 11 april 2024;
- de beschikkingen van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 oktober 2024 en 5 november 2024.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 27 februari 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. Tevens waren aanwezig twee vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. Ook waren aanwezig twee jeugdbeschermers van de Gecertificeerde Instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de GI.
1.3. De man heeft op de mondelinge behandeling stukken overgelegd; een door hem ondertekend convenant en overige stukken aangaande een nieuwe ambtseed voor rijksambtenaren, het vervallen van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, burgerservicenummers en gerechtscodes. Hij heeft daarbij aangegeven dat de rechter zich aan die stukken moet houden en de boekhouding moet overhandigen. Als de rechter daar niet aan kan voldoen dan eist hij zijn kind terug en houdt het gesprek op. De rechtbank heeft kennis genomen van de door de man overgelegde stukken en zal deze meenemen bij de beoordeling van de verzoeken.
Feiten
2.1.
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad tot november 2022;
- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017 (hierna: [minderjarige] ). [minderjarige] is door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
- [minderjarige] woont bij de vrouw;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake het hoofdverblijf van [minderjarige] , de omgang en op grond waarvan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] moet voldoen. Wel hebben partijen in het verleden afspraken gemaakt over de omgang tussen [minderjarige] en de man en heeft de man in het verleden maandelijks een bedrag van € 500,= aan de vrouw voldaan ten behoeve van [minderjarige] .
3Het verzoek
3.1.
De vrouw verzoekt nu:
- bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over [minderjarige] toekomt;
- bepaling dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf zal hebben bij haar;
- de man het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen, althans te bepalen dat er geen omgangsregeling wordt vastgesteld.
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] van € 500,= per maand met ingang van 1 mei 2024;
- de achterstand van de man in de betaling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw vast te stellen op € 5.000,= over de periode mei 2024 tot en met februari 2025, te vermeerderen met eventuele toekomstige achterstallige termijnen.
Beoordeling
Het voortraject
4.1.
Bij voornoemde beschikking betreffende provisionele voorziening is de Raad verzocht om, naast het kinderbeschermingsonderzoek dat zij al verrichtte, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van enkel vragen over het gezamenlijk gezag, het hoofdverblijf van [minderjarige] en de omgangsregeling.
4.2.
Op 28 mei 2024 is er een ondertoezichtstelling uitgesproken over [minderjarige] voor de duur van één jaar, uitgevoerd door de GI.
4.3.
Op respectievelijk 11 oktober 2024 en 7 februari 2025, heeft de Raad de onderzoeksrapportage en de rapportage van het vervolgonderzoek aan de rechtbank doen toekomen.
4.4.
Op 30 oktober 2024 is door de kinderrechter van deze rechtbank de tussen partijen afgesproken contactregeling tussen [minderjarige] en de man geschorst voor de duur van twee weken. Aanleiding daarvoor was dat de man [minderjarige] op 25 oktober 2024 heeft opgehaald voor een contactmoment en vervolgens niet meer wilde terugbrengen naar de vrouw. Een spoeduithuisplaatsing bij de vrouw, zoals tevens was verzocht, was niet aan de orde, nu [minderjarige] al aan de vrouw is toevertrouwd in het kader van de provisionele voorzieningen.
4.5.
Op 5 november 2024 is door de kinderrechter van deze rechtbank ook de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vrouw afgewezen. Verder heeft de kinderrechter de tussen partijen overeengekomen zorgregeling gewijzigd in die zin dat, in ieder geval tot het einde van de lopende ondertoezichtstelling, of totdat de Raad een advies heeft gegeven en de rechtbank hierover een eindbeslissing heeft genomen, de GI de regie heeft over de contactregeling tussen de man en [minderjarige] .
Gezag
4.6.
De vrouw legt aan haar verzoek te bepalen dat zij voortaan alleen met het gezag over [minderjarige] wordt belast ten grondslag dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem en verloren dreigt te raken tussen partijen. Er valt volgens haar niet samen te werken en te overleggen met de man. Hij hangt samenzweringstheorieën aan, erkent hulpverlening niet, werkt nergens aan mee en plaatst zich op die manier buiten de maatschappij. De man kan op deze manier de belangen van [minderjarige] niet dienen. De hulpverlening staat hierdoor ook al maanden stil. Er is geen enkele aanleiding om te denken dat deze situatie binnenkort zal verbeteren. Verder is er sinds november 2024 helemaal geen contact meer tussen partijen. De man heeft in oktober 2024 gemeend [minderjarige] niet meer terug te hoeven brengen naar de vrouw. Hij heeft daarmee laten blijken niet goed in staat te zijn om belangrijke beslissingen in en over het leven van [minderjarige] op een goede manier vorm te geven. Ook de GI kan niet met de man samenwerken. Hij volgt de aanwijzingen van de GI niet op en maakt keuzes die daar tegenin gaan.
4.7.
De Raad heeft in zijn vervolgrapport van 7 februari 2025 geadviseerd het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag toe te wijzen. Uit de eerste rapportage volgt al dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken bij instandhouding van het gezamenlijk gezag. Er is sprake van een ernstig verstoorde verhouding tussen partijen over elkaars opvoedstijl. Dit resulteert tot spanningen waarvan [minderjarige] het slachtoffer is. De vraag is of dit nog zal veranderen. Uit het vervolgonderzoek is gebleken dat dit niet het geval is. De man heeft [minderjarige] in oktober 2024 weggehouden bij de vrouw. Hij heeft daardoor feitelijk gezien zijn gezag misbruikt. De man toont zich volstrekt onvoorspelbaar en laat zich op geen enkele wijze aanspreken. De ondertoezichtstelling heeft hierdoor geen enkel effect gesorteerd. De man beschouwt zichzelf als autonoom en werkt niet mee. Voortzetten van het gezamenlijk gezag is niet in het belang van [minderjarige] . Van de vrouw kan ook niet langer verwacht worden dat zij zich inzet voor verbetering van de oudercommunicatie. De Raad heeft verder vertrouwen in de vrouw als gezaghebbende ouder.
4.8.
De GI heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij hebben geprobeerd met de man het gesprek aan te gaan, dit is echter niet gelukt. Er zijn fricties tussen de GI en de man door hoe de man richting de GI als organisatie staat. De GI probeert de verbinding te zoeken met de man, maar dat is lastig gebleken.
4.9.
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat bij instandhouding van het gezamenlijk gezag [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen partijen en overweegt daartoe als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde op de mondelinge behandeling leidt de rechtbank af dat er tussen zowel partijen, als de man en de GI, geen enkele vorm van samenwerking mogelijk is. De man is op geen enkele wijze bereid het gesprek aan te gaan over [minderjarige] of de verbetering van de communicatie van partijen. Ook op de mondelinge behandeling was het niet mogelijk een gesprek aan te gaan met de man; hij bleef staan, hij gaf aan dat als de rechter niet aan zijn voorwaarden kon voldoen het gesprek daar op zou houden en beriep zich op zijn zwijgrecht. De man handelt met deze houding naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] . Voor een goede uitoefening van het gezamenlijk gezag is namelijk vereist dat partijen samen overleg kunnen voeren en beslissingen kunnen nemen in het belang van [minderjarige] . Verder is voor een goede uitoefening van het gezag vereist dat ouders inzicht hebben in wat in het belang is van [minderjarige] . Ook dat inzicht laat de man niet zien. Zo werkt hij niet mee aan het inzetten van hulpverlening voor [minderjarige] . Daarnaast heeft hij [minderjarige] , tegen de gemaakte afspraken over de contactregeling in en zonder overleg met de vrouw, in oktober 2024 bij zich gehouden na een omgangsweekend. De man heeft hierna geen enkel inzicht getoond in wat dit incident bij [minderjarige] teweeg kan hebben gebracht.
De rechtbank heeft niet de verwachting dat binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt in deze situatie. De man laat op geen enkele wijze zien dat hij het belang van [minderjarige] voorop stelt en hij staat niet open voor hulpverlening of samenwerking met hulpverleners. Verder is zijn houding het afgelopen jaar enkel verergerd, zo blijkt uit de rapportages van de Raad. Interventie van de GI heeft tot dusver geen effect gehad.
Tot slot leest de rechtbank in de door de man overgelegde stukken geen inhoudelijk verweer op dit verzoek, dan wel standpunten die het voorgaande oordeel van de rechtbank anders maken.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat zij voortaan alleen met het gezag zal zijn belast.
Dictum
De rechtbank
5.1.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
5.2.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarige gerechtigd zijn tot omgang met elkaar onder regie van de GI, dan wel een andere professionele jeugdhulpverlener;
5.3.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 mei 2024 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 500,= (vijfhonderd euro) per maand;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Keijzerwaard, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/419979 FA RK 24-1129
datum uitspraak: 13 maart 2025
beschikking betreffende gezag, hoofdverblijf, omgangsregeling en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.F. van Drenth,
en
[de man]
,
wonende aan het [woonplaats] ,
hierna te noemen de man.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 8 maart 2024 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- de brieven van de Raad voor de Kinderbescherming van 11 oktober 2024 en 7 februari 2025, met als bijlagen de rapportages;
- de brief van mr. Van Drenth van 11 februari 2025, tevens houdende wijziging en aanvulling van het verzoek, met bijlagen;
- de beschikking van deze rechtbank betreffende provisionele voorziening van 11 april 2024;
- de beschikkingen van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 oktober 2024 en 5 november 2024.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 27 februari 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. Tevens waren aanwezig twee vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. Ook waren aanwezig twee jeugdbeschermers van de Gecertificeerde Instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de GI.
1.3. De man heeft op de mondelinge behandeling stukken overgelegd; een door hem ondertekend convenant en overige stukken aangaande een nieuwe ambtseed voor rijksambtenaren, het vervallen van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, burgerservicenummers en gerechtscodes. Hij heeft daarbij aangegeven dat de rechter zich aan die stukken moet houden en de boekhouding moet overhandigen. Als de rechter daar niet aan kan voldoen dan eist hij zijn kind terug en houdt het gesprek op. De rechtbank heeft kennis genomen van de door de man overgelegde stukken en zal deze meenemen bij de beoordeling van de verzoeken.
Feiten
2.1.
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad tot november 2022;
- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017 (hierna: [minderjarige] ). [minderjarige] is door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
- [minderjarige] woont bij de vrouw;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake het hoofdverblijf van [minderjarige] , de omgang en op grond waarvan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] moet voldoen. Wel hebben partijen in het verleden afspraken gemaakt over de omgang tussen [minderjarige] en de man en heeft de man in het verleden maandelijks een bedrag van € 500,= aan de vrouw voldaan ten behoeve van [minderjarige] .
3Het verzoek
3.1.
De vrouw verzoekt nu:
- bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over [minderjarige] toekomt;
- bepaling dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf zal hebben bij haar;
- de man het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen, althans te bepalen dat er geen omgangsregeling wordt vastgesteld.
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] van € 500,= per maand met ingang van 1 mei 2024;
- de achterstand van de man in de betaling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw vast te stellen op € 5.000,= over de periode mei 2024 tot en met februari 2025, te vermeerderen met eventuele toekomstige achterstallige termijnen.
Beoordeling
Het voortraject
4.1.
Bij voornoemde beschikking betreffende provisionele voorziening is de Raad verzocht om, naast het kinderbeschermingsonderzoek dat zij al verrichtte, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van enkel vragen over het gezamenlijk gezag, het hoofdverblijf van [minderjarige] en de omgangsregeling.
4.2.
Op 28 mei 2024 is er een ondertoezichtstelling uitgesproken over [minderjarige] voor de duur van één jaar, uitgevoerd door de GI.
4.3.
Op respectievelijk 11 oktober 2024 en 7 februari 2025, heeft de Raad de onderzoeksrapportage en de rapportage van het vervolgonderzoek aan de rechtbank doen toekomen.
4.4.
Op 30 oktober 2024 is door de kinderrechter van deze rechtbank de tussen partijen afgesproken contactregeling tussen [minderjarige] en de man geschorst voor de duur van twee weken. Aanleiding daarvoor was dat de man [minderjarige] op 25 oktober 2024 heeft opgehaald voor een contactmoment en vervolgens niet meer wilde terugbrengen naar de vrouw. Een spoeduithuisplaatsing bij de vrouw, zoals tevens was verzocht, was niet aan de orde, nu [minderjarige] al aan de vrouw is toevertrouwd in het kader van de provisionele voorzieningen.
4.5.
Op 5 november 2024 is door de kinderrechter van deze rechtbank ook de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vrouw afgewezen. Verder heeft de kinderrechter de tussen partijen overeengekomen zorgregeling gewijzigd in die zin dat, in ieder geval tot het einde van de lopende ondertoezichtstelling, of totdat de Raad een advies heeft gegeven en de rechtbank hierover een eindbeslissing heeft genomen, de GI de regie heeft over de contactregeling tussen de man en [minderjarige] .
Gezag
4.6.
De vrouw legt aan haar verzoek te bepalen dat zij voortaan alleen met het gezag over [minderjarige] wordt belast ten grondslag dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem en verloren dreigt te raken tussen partijen. Er valt volgens haar niet samen te werken en te overleggen met de man. Hij hangt samenzweringstheorieën aan, erkent hulpverlening niet, werkt nergens aan mee en plaatst zich op die manier buiten de maatschappij. De man kan op deze manier de belangen van [minderjarige] niet dienen. De hulpverlening staat hierdoor ook al maanden stil. Er is geen enkele aanleiding om te denken dat deze situatie binnenkort zal verbeteren. Verder is er sinds november 2024 helemaal geen contact meer tussen partijen. De man heeft in oktober 2024 gemeend [minderjarige] niet meer terug te hoeven brengen naar de vrouw. Hij heeft daarmee laten blijken niet goed in staat te zijn om belangrijke beslissingen in en over het leven van [minderjarige] op een goede manier vorm te geven. Ook de GI kan niet met de man samenwerken. Hij volgt de aanwijzingen van de GI niet op en maakt keuzes die daar tegenin gaan.
4.7.
De Raad heeft in zijn vervolgrapport van 7 februari 2025 geadviseerd het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag toe te wijzen. Uit de eerste rapportage volgt al dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken bij instandhouding van het gezamenlijk gezag. Er is sprake van een ernstig verstoorde verhouding tussen partijen over elkaars opvoedstijl. Dit resulteert tot spanningen waarvan [minderjarige] het slachtoffer is. De vraag is of dit nog zal veranderen. Uit het vervolgonderzoek is gebleken dat dit niet het geval is. De man heeft [minderjarige] in oktober 2024 weggehouden bij de vrouw. Hij heeft daardoor feitelijk gezien zijn gezag misbruikt. De man toont zich volstrekt onvoorspelbaar en laat zich op geen enkele wijze aanspreken. De ondertoezichtstelling heeft hierdoor geen enkel effect gesorteerd. De man beschouwt zichzelf als autonoom en werkt niet mee. Voortzetten van het gezamenlijk gezag is niet in het belang van [minderjarige] . Van de vrouw kan ook niet langer verwacht worden dat zij zich inzet voor verbetering van de oudercommunicatie. De Raad heeft verder vertrouwen in de vrouw als gezaghebbende ouder.
4.8.
De GI heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij hebben geprobeerd met de man het gesprek aan te gaan, dit is echter niet gelukt. Er zijn fricties tussen de GI en de man door hoe de man richting de GI als organisatie staat. De GI probeert de verbinding te zoeken met de man, maar dat is lastig gebleken.
4.9.
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat bij instandhouding van het gezamenlijk gezag [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen partijen en overweegt daartoe als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde op de mondelinge behandeling leidt de rechtbank af dat er tussen zowel partijen, als de man en de GI, geen enkele vorm van samenwerking mogelijk is. De man is op geen enkele wijze bereid het gesprek aan te gaan over [minderjarige] of de verbetering van de communicatie van partijen. Ook op de mondelinge behandeling was het niet mogelijk een gesprek aan te gaan met de man; hij bleef staan, hij gaf aan dat als de rechter niet aan zijn voorwaarden kon voldoen het gesprek daar op zou houden en beriep zich op zijn zwijgrecht. De man handelt met deze houding naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] . Voor een goede uitoefening van het gezamenlijk gezag is namelijk vereist dat partijen samen overleg kunnen voeren en beslissingen kunnen nemen in het belang van [minderjarige] . Verder is voor een goede uitoefening van het gezag vereist dat ouders inzicht hebben in wat in het belang is van [minderjarige] . Ook dat inzicht laat de man niet zien. Zo werkt hij niet mee aan het inzetten van hulpverlening voor [minderjarige] . Daarnaast heeft hij [minderjarige] , tegen de gemaakte afspraken over de contactregeling in en zonder overleg met de vrouw, in oktober 2024 bij zich gehouden na een omgangsweekend. De man heeft hierna geen enkel inzicht getoond in wat dit incident bij [minderjarige] teweeg kan hebben gebracht.
De rechtbank heeft niet de verwachting dat binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt in deze situatie. De man laat op geen enkele wijze zien dat hij het belang van [minderjarige] voorop stelt en hij staat niet open voor hulpverlening of samenwerking met hulpverleners. Verder is zijn houding het afgelopen jaar enkel verergerd, zo blijkt uit de rapportages van de Raad. Interventie van de GI heeft tot dusver geen effect gehad.
Tot slot leest de rechtbank in de door de man overgelegde stukken geen inhoudelijk verweer op dit verzoek, dan wel standpunten die het voorgaande oordeel van de rechtbank anders maken.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat zij voortaan alleen met het gezag zal zijn belast.
Dictum
De rechtbank
5.1.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
5.2.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarige gerechtigd zijn tot omgang met elkaar onder regie van de GI, dan wel een andere professionele jeugdhulpverlener;
5.3.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 mei 2024 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 500,= (vijfhonderd euro) per maand;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Keijzerwaard, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.
Beoordeling
Hoofdverblijf
4.11.
Nu het verzoek tot het eenhoofdig gezag is toegewezen, is het hoofdverblijf van [minderjarige] van rechtswege bij de vrouw. De vrouw heeft gelet daarop geen belang meer bij haar verzoek het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
Omgangsregeling
4.12.
De vrouw verzoekt de man het recht op omgang te ontzeggen met [minderjarige] . In beginsel is het van belang dat kinderen omgang hebben met beide ouders. Het is dus verdrietig dat [minderjarige] op dit moment geen contact heeft met zijn vader. Er kan echter ook geen contact zijn nu, omdat de man niet meewerkt met hulpverlening en een gedachtegoed aanhangt dat door hem niet los gezien wordt van de zorg voor [minderjarige] . [minderjarige] wordt tijdens omgangsmomenten belast met volwassenenproblematiek door de man en informatie die niet voor een kind van zes jaar bestemd zijn. Na een omgangsmoment met de man komt [minderjarige] vaak thuis met verhalen over een niet meewerkende overheid die niet handelt in het belang van de mensen en dat dit de schuld is van de Koning. Ook wordt [minderjarige] blootgesteld aan drugsgebruik en mag hij veel gamen. [minderjarige] kan hier niet mee omgaan en laat agressief gedrag zien. [minderjarige] dwingen tot omgang zou betekenen dat er zeer grote spanningen ontstaan bij zowel [minderjarige] als de vrouw van wie [minderjarige] afhankelijk is. Deze situatie is niet in het belang van [minderjarige] . De vrouw is van mening dat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] , zodat de omgang ingevolge artikel 1:377a lid 3 onder a BW moet worden ontzegd. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw verder aangegeven dat haar verzoek is ingegeven vanuit het idee dat de GI op enig moment niet meer betrokken is bij partijen en dan geen regie meer kan voeren wat betreft de omgang tussen de man en [minderjarige] . De vrouw kan zich er echter ook mee verenigen als een omgangsregeling wordt vastgelegd overeenkomstig haar oorspronkelijke verzoek, namelijk dat de man gerechtigd is tot omgang onder regie van de GI.
4.13.
De Raad adviseert een omgangsregeling vast te stellen onder regie van de GI. Met de aanvulling dat een omgang onder begeleiding kan starten mits de man zich kan houden aan de voorwaarden die zijn opgesteld door de GI. De Raad kan zich namelijk vinden in het stappenplan dat de GI heeft opgesteld aangaande contactherstel. Het is aan de man om contact op te nemen met de GI en aan te sluiten bij de voorwaarden die zijn gesteld om te komen tot een begeleide omgang. [minderjarige] heeft verder van de man nodig dat hij hem een gevoel van veiligheid biedt door voorspelbaar te zijn en zijn afspraken na te komen zodat [minderjarige] weet waar hij aan toe is. Verder is het belangrijk dat [minderjarige] persoonlijke hulpverlening krijgt om gevoelens van boosheid, verdriet en angst te uiten.
4.14.
De GI heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij voornemens zijn een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in te dienen. Niet alleen om tot contactherstel tussen de man en [minderjarige] te komen, maar ook omdat er mogelijk sprake is van kindeigenproblematiek bij [minderjarige] waarvoor hulpverlening moet worden ingezet. Er is een stappenplan gemaakt in het kader van de ondertoezichtstelling om tot contactherstel tussen de man en [minderjarige] te komen. Hier is echter tot nu toe geen uitvoering aangegeven. Het lukt de GI namelijk niet om met de man in gesprek te komen. De GI hoopt dat dit in de toekomst wel lukt, zodat alsnog kan worden ingezet op contactherstel tussen de man en [minderjarige] .
4.15.
Ingevolge artikel 1:377a lid 1 BW heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien
- omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,
- de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
- het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,
- indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
4.16.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde op de mondelinge behandeling is gebleken dat de door partijen afgesproken contactregeling al enkele maanden niet wordt uitgevoerd. Daarnaast is ook gebleken van zorgen bij uitvoering van die regeling. [minderjarige] is een kwetsbare jongen die lang onder druk heeft gestaan door de problemen tussen partijen. Hij laat agressief gedrag zien en doet zorgelijke uitspraken over dat hij niet meer wil leven. Daarnaast doet [minderjarige] uitspraken die impliceren dat [minderjarige] de (soevereine) overtuigingen die de man heeft van hem meekrijgt tijdens omgangsmomenten. Ook het bij zich houden van [minderjarige] door de man in oktober, niet meer naar school en voetbal terug kunnen en de contactbreuk tussen [minderjarige] en de man hebben waarschijnlijk grote impact gehad op [minderjarige] . Op dit moment kan [minderjarige] zich niet meer staande houden bij uitvoering van een omgangsregeling zoals die voorheen is afgesproken. Het voorgaande maakt dat de tussen partijen afgesproken contactregeling (welke regeling door de rechter is geschorst) niet meer kan worden uitgevoerd. Echter, het voorgaande leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de omgang nu ontzegd moet worden zoals door de vrouw verzocht. Er is namelijk nog geen start gemaakt met het door de GI opgestelde stappenplan en de benodigde hulpverlening voor [minderjarige] is ook nog niet opgestart. Dit acht de rechtbank wel in het belang van [minderjarige] . Op dit moment kan gelet daarop nog niet worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan één van de gronden in artikel 1:377a lid 3 BW. De rechtbank is van oordeel dat aan de hand van het door de GI opgestelde stappenplan contactherstel tussen de man en [minderjarige] alsnog een kans moet worden gegeven en spreekt de hoop uit dat de man hieraan zal meewerken. In het geval de ondertoezichtstelling eindigt dient de omgang plaats te vinden onder regie van een andere professionele jeugdhulpverlener. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven zich hier ook in te kunnen vinden, zodat de rechtbank de ruimte ziet om overeenkomstig te beslissen. Verder leest de rechtbank in de door de man overgelegde stukken geen inhoudelijk verweer wat betreft de omgang, dan wel standpunten die het oordeel van de rechtbank anders maken. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een omgangsregeling vaststellen waarbij de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang onder regie van de GI, dan wel een andere professionele jeugdhulpverlener.
Kinderalimentatie
4.17.
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige] behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen. De man heeft bij de vrouw aangegeven de vrijwillige bijdrage in de kosten van [minderjarige] ter hoogte van € 500,= per maand die hij voldeed te blijven voldoen. Hij heeft echter betaald tot en met april 2024 en is daarna gestopt met betalen.
Beoordeling
Hoofdverblijf
4.11.
Nu het verzoek tot het eenhoofdig gezag is toegewezen, is het hoofdverblijf van [minderjarige] van rechtswege bij de vrouw. De vrouw heeft gelet daarop geen belang meer bij haar verzoek het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
Omgangsregeling
4.12.
De vrouw verzoekt de man het recht op omgang te ontzeggen met [minderjarige] . In beginsel is het van belang dat kinderen omgang hebben met beide ouders. Het is dus verdrietig dat [minderjarige] op dit moment geen contact heeft met zijn vader. Er kan echter ook geen contact zijn nu, omdat de man niet meewerkt met hulpverlening en een gedachtegoed aanhangt dat door hem niet los gezien wordt van de zorg voor [minderjarige] . [minderjarige] wordt tijdens omgangsmomenten belast met volwassenenproblematiek door de man en informatie die niet voor een kind van zes jaar bestemd zijn. Na een omgangsmoment met de man komt [minderjarige] vaak thuis met verhalen over een niet meewerkende overheid die niet handelt in het belang van de mensen en dat dit de schuld is van de Koning. Ook wordt [minderjarige] blootgesteld aan drugsgebruik en mag hij veel gamen. [minderjarige] kan hier niet mee omgaan en laat agressief gedrag zien. [minderjarige] dwingen tot omgang zou betekenen dat er zeer grote spanningen ontstaan bij zowel [minderjarige] als de vrouw van wie [minderjarige] afhankelijk is. Deze situatie is niet in het belang van [minderjarige] . De vrouw is van mening dat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] , zodat de omgang ingevolge artikel 1:377a lid 3 onder a BW moet worden ontzegd. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw verder aangegeven dat haar verzoek is ingegeven vanuit het idee dat de GI op enig moment niet meer betrokken is bij partijen en dan geen regie meer kan voeren wat betreft de omgang tussen de man en [minderjarige] . De vrouw kan zich er echter ook mee verenigen als een omgangsregeling wordt vastgelegd overeenkomstig haar oorspronkelijke verzoek, namelijk dat de man gerechtigd is tot omgang onder regie van de GI.
4.13.
De Raad adviseert een omgangsregeling vast te stellen onder regie van de GI. Met de aanvulling dat een omgang onder begeleiding kan starten mits de man zich kan houden aan de voorwaarden die zijn opgesteld door de GI. De Raad kan zich namelijk vinden in het stappenplan dat de GI heeft opgesteld aangaande contactherstel. Het is aan de man om contact op te nemen met de GI en aan te sluiten bij de voorwaarden die zijn gesteld om te komen tot een begeleide omgang. [minderjarige] heeft verder van de man nodig dat hij hem een gevoel van veiligheid biedt door voorspelbaar te zijn en zijn afspraken na te komen zodat [minderjarige] weet waar hij aan toe is. Verder is het belangrijk dat [minderjarige] persoonlijke hulpverlening krijgt om gevoelens van boosheid, verdriet en angst te uiten.
4.14.
De GI heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij voornemens zijn een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in te dienen. Niet alleen om tot contactherstel tussen de man en [minderjarige] te komen, maar ook omdat er mogelijk sprake is van kindeigenproblematiek bij [minderjarige] waarvoor hulpverlening moet worden ingezet. Er is een stappenplan gemaakt in het kader van de ondertoezichtstelling om tot contactherstel tussen de man en [minderjarige] te komen. Hier is echter tot nu toe geen uitvoering aangegeven. Het lukt de GI namelijk niet om met de man in gesprek te komen. De GI hoopt dat dit in de toekomst wel lukt, zodat alsnog kan worden ingezet op contactherstel tussen de man en [minderjarige] .
4.15.
Ingevolge artikel 1:377a lid 1 BW heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien
- omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,
- de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
- het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,
- indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
4.16.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde op de mondelinge behandeling is gebleken dat de door partijen afgesproken contactregeling al enkele maanden niet wordt uitgevoerd. Daarnaast is ook gebleken van zorgen bij uitvoering van die regeling. [minderjarige] is een kwetsbare jongen die lang onder druk heeft gestaan door de problemen tussen partijen. Hij laat agressief gedrag zien en doet zorgelijke uitspraken over dat hij niet meer wil leven. Daarnaast doet [minderjarige] uitspraken die impliceren dat [minderjarige] de (soevereine) overtuigingen die de man heeft van hem meekrijgt tijdens omgangsmomenten. Ook het bij zich houden van [minderjarige] door de man in oktober, niet meer naar school en voetbal terug kunnen en de contactbreuk tussen [minderjarige] en de man hebben waarschijnlijk grote impact gehad op [minderjarige] . Op dit moment kan [minderjarige] zich niet meer staande houden bij uitvoering van een omgangsregeling zoals die voorheen is afgesproken. Het voorgaande maakt dat de tussen partijen afgesproken contactregeling (welke regeling door de rechter is geschorst) niet meer kan worden uitgevoerd. Echter, het voorgaande leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de omgang nu ontzegd moet worden zoals door de vrouw verzocht. Er is namelijk nog geen start gemaakt met het door de GI opgestelde stappenplan en de benodigde hulpverlening voor [minderjarige] is ook nog niet opgestart. Dit acht de rechtbank wel in het belang van [minderjarige] . Op dit moment kan gelet daarop nog niet worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan één van de gronden in artikel 1:377a lid 3 BW. De rechtbank is van oordeel dat aan de hand van het door de GI opgestelde stappenplan contactherstel tussen de man en [minderjarige] alsnog een kans moet worden gegeven en spreekt de hoop uit dat de man hieraan zal meewerken. In het geval de ondertoezichtstelling eindigt dient de omgang plaats te vinden onder regie van een andere professionele jeugdhulpverlener. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven zich hier ook in te kunnen vinden, zodat de rechtbank de ruimte ziet om overeenkomstig te beslissen. Verder leest de rechtbank in de door de man overgelegde stukken geen inhoudelijk verweer wat betreft de omgang, dan wel standpunten die het oordeel van de rechtbank anders maken. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een omgangsregeling vaststellen waarbij de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang onder regie van de GI, dan wel een andere professionele jeugdhulpverlener.
Kinderalimentatie
4.17.
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige] behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen. De man heeft bij de vrouw aangegeven de vrijwillige bijdrage in de kosten van [minderjarige] ter hoogte van € 500,= per maand die hij voldeed te blijven voldoen. Hij heeft echter betaald tot en met april 2024 en is daarna gestopt met betalen.