Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-25
ECLI:NL:RBZWB:2025:4878
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
14,565 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11318321 \ CV EXPL 24-3129
Vonnis van 25 juni 2025
in de zaak van
[de klant]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de klant] ,
gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand,
tegen
[persoon] , H.O.D.N. [de leverancier],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de leverancier] ,
gemachtigde: mr. R.H.W. van Ewijk.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 november 2024 met de daarin genoemde processtukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie;- de mondelinge behandeling van 6 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen hebben op 5 maart 2023 een overeenkomst gesloten voor het leveren en plaatsen van een zonnepaneleninstallatie.
2.2.
In artikel 8 lid 9 van de algemene voorwaarden van [de leverancier] staat het volgende opgenomen: “Onverminderd het bepaalde in artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek, vervalt elk vorderingsrecht van de koper op [de leverancier] en haar partners in ieder geval na verloop van zes (6) maanden nadat de Zaken volgens de overeenkomst aan de koper zijn geleverd of aan de koper ter beschikking zijn gesteld, tenzij de koper binnen deze termijn een procedure bij de bevoegde rechter aanhangig heeft gemaakt. Deze termijn is bij een consumentenkoop geen twee, maar twaalf (12) maanden.”
2.3.
Op 7 en 8 maart 2023 hebben werkzaamheden plaatsgevonden.
2.4.
[de klant] heeft op 10 maart 2023 bij [de leverancier] kenbaar gemaakt dat hij gebreken had geconstateerd.
2.5.
Op 12 maart 2023 heeft [de klant] een bedrag van € 8.122,50 van de factuur van € 8.550,00 aan [de leverancier] betaald.
2.6.
De gemachtigde van [de klant] heeft [de leverancier] op 22 mei 2023 gesommeerd om de gebreken te herstellen en aansprakelijk gesteld voor de gevolgschade. [de leverancier] heeft daarop gereageerd en aangegeven dat er is opgeleverd en dat de installatie bij oplevering goed werkte.
2.7.
In opdracht van [de klant] heeft Straightforward B.V. de installatie op 30 oktober 2023 onderzocht. Het rapport van 1 december 2023 heeft [de klant] op 19 december 2023 aan [de leverancier] verzonden waarbij hij [de leverancier] in de gelegenheid heeft gesteld om een contra-expertise uit te laten voeren of akkoord te gaan met een voorstel. [de leverancier] heeft daarop gereageerd dat hij een contra-expertise zou laten uitvoeren.
2.8.
Op 18 juli 2024 heeft [de klant] een omzettingsverklaring aan [de leverancier] toegezonden en heeft hij aangekondigd een procedure te zullen starten om een vervangende schadevergoeding, het opbrengstverlies en de kosten van het expertise onderzoek van hem te vorderen.
2.9.
[de leverancier] heeft daar op 18 juli 2024 op gereageerd en aangegeven dat [de klant] op grond van de algemene voorwaarden geen recht meer heeft om de kwestie aan de rechter voor te leggen.
Geschil
in conventie
3.1.
[de klant] vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [de leverancier] te veroordelen om aan [de klant] te betalen:
I. € 9.794,66 aan vervangende schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van verzuim;
II. € 1.046,33 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 10 september 2024;
III. de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten en de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis.
3.2.
[de klant] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De werkzaamheden zijn nog niet afgerond en er is nog niet opgeleverd. Voor zover er wel sprake is geweest van een oplevering, stelt [de klant] zich op het standpunt dat er sprake is van een groot aantal verborgen gebreken waarvoor [de leverancier] aansprakelijk is. [de klant] heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen door 95% van het overeengekomen bedrag te betalen. De laatste 5% is pas na oplevering verschuldigd. [de klant] heeft de vordering omgezet. Er zijn geen algemene voorwaarden overeengekomen. [de klant] heeft recht op vervangende schadevergoeding, vergoeding van schade door opbrengstverlies, vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.
3.3.
[de leverancier] voert aan dat er sprake is van een gemengde overeenkomst, van koop en aanneming van werk. [de leverancier] zou de zonnepanelen installeren en [de klant] zou de afwerking doen, waaronder graafwerkzaamheden. Er is op 8 maart 2023 opgeleverd en de installatie werkte. [de klant] gaf op 11 maart 2023 aan dat de installatie niet meer werkte. Daarvoor werkte het dus wel. [de klant] is op 11 maart 2023 aan de slag gegaan met de graafwerkzaamheden. Het is aannemelijk dat het defect in de installatie door [de klant] is veroorzaakt. [de leverancier] wilde uit coulance een stekker opnieuw komen aansluiten. [de klant] gaf echter aan de werkzaamheden zelf te willen laten verrichten op voorwaarde dat de garantie behouden bleef. [de leverancier] is daarmee akkoord gegaan. [de leverancier] betwist de deskundigheid van de inspecteur en de juistheid van het rapport. Er is geen tekortkoming in de nakoming. Het recht van [de klant] om de zaak aan de rechter voor te leggen is daarnaast vervallen. Dit volgt uit de algemene voorwaarden. [de klant] heeft tot slot niet aan zijn schadebeperkingsplicht voldaan door zijn schade onnodig hoog te laten oplopen.
in reconventie
3.4.
[de leverancier] vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [de klant] te veroordelen om aan [de leverancier] te betalen:
I. € 427,50 aan openstaand factuurbedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis;
II. € 2.275,00 aan verhoogde factuursom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis;
III. de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis.
3.5.
[de leverancier] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Er is 5% van het factuurbedrag nog niet betaald. Daarnaast is de korting vervallen omdat [de klant] niet binnen de termijn het factuurbedrag heeft voldaan. [de klant] is daardoor een bedrag van € 11.375,00 verschuldigd in plaats van € 9.100,00.
3.6.
[de klant] voert aan dat hij na de werkzaamheden op 8 maart 2023 nog geen werkende app had en dus niet kon vaststellen of de installatie werkte. Na oplevering zou de resterende 5% betaald worden. Er is echter nooit opgeleverd. Die 5% is daarom ook niet opeisbaar. Hetzelfde geldt voor het gevorderde bedrag van € 2.275,00.
in conventie en in reconventie
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.
Er is sprake van een gemengde overeenkomst
4.2.
De kantonrechter stelt allereerst vast dat tussen partijen een gemengde overeenkomst van koop en aanneming van werk tot stand is gekomen waarbij [de leverancier] enerzijds zonnepanelen aan [de klant] heeft verkocht en geleverd en anderzijds deze zonnepanelen heeft geplaatst. Ingevolgde artikel 7:5 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn de wettelijke bepalingen van koop en aanneming van werk naast elkaar van toepassing waarbij in geval van strijd de bepalingen van koop voor gaan.
De algemene voorwaarden zijn van toepassing
4.3.
De kantonrechter stelt verder vast dat de door [de leverancier] aangehaalde algemene voorwaarden van toepassing zijn. Bij de door [de leverancier] gestuurde offerte zat een link om de offerte te accorderen. [de leverancier] heeft toegelicht dat je bij het volgen van die link eerst bij de algemene voorwaarden terecht komt. Deze moeten eerst geaccepteerd worden voordat de offerte kan worden geaccordeerd. Ter zitting heeft [de klant] toegelicht dat hij waarschijnlijk een vinkje heeft gezet bij de algemene voorwaarden. Daarmee heeft [de klant] de algemene voorwaarden geaccepteerd en zijn deze van toepassing op de tussen partijen gesloten overeenkomst.
Vervalbeding wordt vernietigd
4.4.
[de leverancier] doet een beroep op het vervalbeding uit artikel 8 lid 9 van die algemene voorwaarden. Dat beding bepaalt dat elk vorderingsrecht van de koper op [de leverancier] vervalt na verloop van 12 maanden. De kantonrechter overweegt dat die bepaling op grond van artikel 6:237 aanhef en onder h BW wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Het gaat hier namelijk om een vervalbeding dat in de plaats treedt van een wettelijke verjaringstermijn. De wettelijke verjaringstermijn bij zowel koop als aanneming van werk is langer dan de termijn die in bovengenoemd vervalbeding staat opgenomen. [de leverancier] heeft het vermoeden onvoldoende onderbouwd weerlegd. De kantonrechter zal het beding daarom vernietigen.
Er heeft geen oplevering plaatsgevonden
4.5.
De kantonrechter wijst met betrekking tot de oplevering eerst op het volgende. Een oplevering heeft belangrijke gevolgen. Na oplevering is de opdrachtgever de prijs van het werk verschuldigd (artikel 6:38 BW). Verder is na oplevering het werk voor risico van de opdrachtgever (artikel 7:758 lid 2 BW) en is de aannemer ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken (artikel 7:758 lid 3 BW).
4.6.
[de leverancier] stelt dat een oplevermoment heeft plaatsgevonden en dat het werk aan de vrouw van [de klant] is getoond. [de klant] betwist dat. Dat er een oplevering heeft plaatsgevonden zou volgens [de leverancier] ook blijken uit een opleverrapport. Het door [de leverancier] overgelegde stuk dat zij aanmerkt als opleverrapport betreft echter enkel een omschrijving van het project, zonder bijvoorbeeld een datum en handtekening. De kantonrechter is van oordeel dat hieruit geen oplevering blijkt. Daardoor staat niet vast dat een oplevermoment heeft plaatsgevonden.
4.7.
Dat de installatie gedurende 3 dagen wel zou hebben gewerkt, zoals [de leverancier] stelt, doet daar niet aan af. Voor zover [de leverancier] zich op het standpunt stelt dat sprake is van een stilzwijgende aanvaarding geldt dat het op grond van artikel 7:758 lid 1 BW in de eerste plaats aan [de leverancier] is om aan te geven dat het werk klaar was om te worden opgeleverd. [de leverancier] stelt dat dit op 8 maart 2023 is gebeurd maar [de klant] betwist dat. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat [de klant] het werk niet binnen redelijke termijn heeft gekeurd. Gezien het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is geweest van een oplevering.
[de leverancier] is aansprakelijk voor de gebreken
4.8.
Bovendien, voor zover er wel sprake zou zijn geweest van een oplevering, is er blijkens het door [de klant] overgelegde expertiserapport van 1 december 2023 sprake van verborgen gebreken. [de leverancier] is daarvoor aansprakelijk op grond van artikel 7:758 lid 4 BW. Gelet op die bevindingen is [de leverancier] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [de leverancier] weerspreekt wel een groot aantal gebreken maar dat zijn kale stellingen zonder enige vorm van onderbouwing. Dit kan daarom niet gelden als een voldoende betwisting van de bevindingen van de door [de klant] ingeschakelde expert. Het door [de leverancier] ter zitting gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd nu niet voldoende gesteld is om voor het leveren van bewijs in aanmerking te komen.
4.9.
[de leverancier] voert aan dat [de klant] tijdens het telefoongesprek op 11 maart 2023 aangaf dat hij mogelijk tegen de kabel zou zijn gestoten tijdens het uitvoeren van de graafwerkzaamheden. [de klant] betwist dit. [de leverancier] heeft haar stelling niet nader gemotiveerd. Daardoor staat niet vast dat [de klant] (deels) eigen schuld zou hebben aan de schade. Los daarvan ziet de kantonrechter niet in hoe het stoten tegen een kabel zou kunnen leiden tot de gebreken die door de ingeschakelde expert van [de klant] zijn geconstateerd.
Hoogte van de schade
4.10.
[de leverancier] voert verder aan dat de herstelofferte zou zien op meer dan tussen partijen was overeengekomen. [de klant] heeft echter meerdere offertes overgelegd en heeft de laagste als uitgangspunt genomen. Die offerte is voldoende onderbouwd. De enkele stelling van [de leverancier] dat die offerte te hoog is, zonder daar een andere offerte tegenover te stellen, is onvoldoende. De kantonrechter gaat dan ook aan die stelling voorbij. Het door [de klant] gevorderde bedrag van € 5.783,80 aan vervangende schadevergoeding zal dan ook worden toegewezen.
Kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid
4.11.
[de klant] vordert daarnaast betaling van een bedrag van € 2.601,50 aan kosten voor het expertise rapport. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking. De kantonrechter zal dit deel van de vordering daarom eveneens toewijzen.
Gevolgschade
4.12.
[de klant] vordert tot slot een bedrag van € 1.409,36 aan gevolgschade door misgelopen opbrengst en een bedrag van € 120,37 per maand vanaf september 2024 tot aan de datum van herstel aan nog te lijden gevolgschade. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen nu het de kantonrechter onvoldoende duidelijk is geworden hoeveel de misgelopen opbrengst precies in geld zou opleveren en wat dus als gevolgschade kan worden aangemerkt.
Het restant factuurbedrag
4.13.
[de leverancier] heeft in reconventie betaling van het restant van 5% van de factuur gevorderd. [de klant] heeft een vordering tot vervangende schadevergoeding ingesteld. Dit ontslaat hem echter niet van zijn verplichting de factuur te betalen. De verbintenis waartoe de schuldeiser van zijn kant gehouden is op grond van de overeenkomst ondergaat immers geen verandering. Het openstaande bedrag van € 427,50 dient daarom te worden verrekend.
Conclusie
4.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [de klant] tot een totaalbedrag van (€ 5.783,80 plus € 2.601,50 minus € 427,50 is) € 7.957,80 zal worden toegewezen. [de leverancier] zal tot betaling van dat bedrag worden veroordeeld.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.15.
[de klant] maakt verder aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [de klant] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [de klant] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [de klant] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [de klant] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. De kantonrechter zal de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten toewijzen, met dien verstande dat deze zal worden toegewezen over de toegewezen hoofdsom van € 7.957,80. Daarom zal een bedrag van € 935,20 worden toegewezen.
Wettelijke rente
4.16.
De gevorderde rente zal als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
Proceskosten
4.17.
[de leverancier] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van [de klant] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,38
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.198,38
4.18.
[de leverancier] wordt daarnaast veroordeeld in de proceskosten in reconventie. De kosten in reconventie worden tot dit vonnis vastgesteld op € 238,00 (2 x 0,5 punt à € 238,00).
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt [de leverancier] om aan [de klant] te betalen een bedrag van € 935,20 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [de leverancier] in de proceskosten van € 1.198,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet-betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [de leverancier] ook de kosten van betekening betalen;
5.3.
veroordeelt [de leverancier] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
in reconventie
5.4.
veroordeelt [de leverancier] in de proceskosten van € 238,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet-betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [de leverancier] ook de kosten van betekening betalen;
in conventie en in reconventie
5.5.
veroordeelt [de leverancier] tot betaling aan [de klant] van € 7.957,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11318321 \ CV EXPL 24-3129
Vonnis van 25 juni 2025
in de zaak van
[de klant]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de klant] ,
gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand,
tegen
[persoon] , H.O.D.N. [de leverancier],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de leverancier] ,
gemachtigde: mr. R.H.W. van Ewijk.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 november 2024 met de daarin genoemde processtukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie;- de mondelinge behandeling van 6 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen hebben op 5 maart 2023 een overeenkomst gesloten voor het leveren en plaatsen van een zonnepaneleninstallatie.
2.2.
In artikel 8 lid 9 van de algemene voorwaarden van [de leverancier] staat het volgende opgenomen: “Onverminderd het bepaalde in artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek, vervalt elk vorderingsrecht van de koper op [de leverancier] en haar partners in ieder geval na verloop van zes (6) maanden nadat de Zaken volgens de overeenkomst aan de koper zijn geleverd of aan de koper ter beschikking zijn gesteld, tenzij de koper binnen deze termijn een procedure bij de bevoegde rechter aanhangig heeft gemaakt. Deze termijn is bij een consumentenkoop geen twee, maar twaalf (12) maanden.”
2.3.
Op 7 en 8 maart 2023 hebben werkzaamheden plaatsgevonden.
2.4.
[de klant] heeft op 10 maart 2023 bij [de leverancier] kenbaar gemaakt dat hij gebreken had geconstateerd.
2.5.
Op 12 maart 2023 heeft [de klant] een bedrag van € 8.122,50 van de factuur van € 8.550,00 aan [de leverancier] betaald.
2.6.
De gemachtigde van [de klant] heeft [de leverancier] op 22 mei 2023 gesommeerd om de gebreken te herstellen en aansprakelijk gesteld voor de gevolgschade. [de leverancier] heeft daarop gereageerd en aangegeven dat er is opgeleverd en dat de installatie bij oplevering goed werkte.
2.7.
In opdracht van [de klant] heeft Straightforward B.V. de installatie op 30 oktober 2023 onderzocht. Het rapport van 1 december 2023 heeft [de klant] op 19 december 2023 aan [de leverancier] verzonden waarbij hij [de leverancier] in de gelegenheid heeft gesteld om een contra-expertise uit te laten voeren of akkoord te gaan met een voorstel. [de leverancier] heeft daarop gereageerd dat hij een contra-expertise zou laten uitvoeren.
2.8.
Op 18 juli 2024 heeft [de klant] een omzettingsverklaring aan [de leverancier] toegezonden en heeft hij aangekondigd een procedure te zullen starten om een vervangende schadevergoeding, het opbrengstverlies en de kosten van het expertise onderzoek van hem te vorderen.
2.9.
[de leverancier] heeft daar op 18 juli 2024 op gereageerd en aangegeven dat [de klant] op grond van de algemene voorwaarden geen recht meer heeft om de kwestie aan de rechter voor te leggen.
Geschil
in conventie
3.1.
[de klant] vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [de leverancier] te veroordelen om aan [de klant] te betalen:
I. € 9.794,66 aan vervangende schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van verzuim;
II. € 1.046,33 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 10 september 2024;
III. de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten en de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis.
3.2.
[de klant] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De werkzaamheden zijn nog niet afgerond en er is nog niet opgeleverd. Voor zover er wel sprake is geweest van een oplevering, stelt [de klant] zich op het standpunt dat er sprake is van een groot aantal verborgen gebreken waarvoor [de leverancier] aansprakelijk is. [de klant] heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen door 95% van het overeengekomen bedrag te betalen. De laatste 5% is pas na oplevering verschuldigd. [de klant] heeft de vordering omgezet. Er zijn geen algemene voorwaarden overeengekomen. [de klant] heeft recht op vervangende schadevergoeding, vergoeding van schade door opbrengstverlies, vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.
3.3.
[de leverancier] voert aan dat er sprake is van een gemengde overeenkomst, van koop en aanneming van werk. [de leverancier] zou de zonnepanelen installeren en [de klant] zou de afwerking doen, waaronder graafwerkzaamheden. Er is op 8 maart 2023 opgeleverd en de installatie werkte. [de klant] gaf op 11 maart 2023 aan dat de installatie niet meer werkte. Daarvoor werkte het dus wel. [de klant] is op 11 maart 2023 aan de slag gegaan met de graafwerkzaamheden. Het is aannemelijk dat het defect in de installatie door [de klant] is veroorzaakt. [de leverancier] wilde uit coulance een stekker opnieuw komen aansluiten. [de klant] gaf echter aan de werkzaamheden zelf te willen laten verrichten op voorwaarde dat de garantie behouden bleef. [de leverancier] is daarmee akkoord gegaan. [de leverancier] betwist de deskundigheid van de inspecteur en de juistheid van het rapport. Er is geen tekortkoming in de nakoming. Het recht van [de klant] om de zaak aan de rechter voor te leggen is daarnaast vervallen. Dit volgt uit de algemene voorwaarden. [de klant] heeft tot slot niet aan zijn schadebeperkingsplicht voldaan door zijn schade onnodig hoog te laten oplopen.
in reconventie
3.4.
[de leverancier] vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [de klant] te veroordelen om aan [de leverancier] te betalen:
I. € 427,50 aan openstaand factuurbedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis;
II. € 2.275,00 aan verhoogde factuursom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis;
III. de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis.
3.5.
[de leverancier] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Er is 5% van het factuurbedrag nog niet betaald. Daarnaast is de korting vervallen omdat [de klant] niet binnen de termijn het factuurbedrag heeft voldaan. [de klant] is daardoor een bedrag van € 11.375,00 verschuldigd in plaats van € 9.100,00.
3.6.
[de klant] voert aan dat hij na de werkzaamheden op 8 maart 2023 nog geen werkende app had en dus niet kon vaststellen of de installatie werkte. Na oplevering zou de resterende 5% betaald worden. Er is echter nooit opgeleverd. Die 5% is daarom ook niet opeisbaar. Hetzelfde geldt voor het gevorderde bedrag van € 2.275,00.
in conventie en in reconventie
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.
Er is sprake van een gemengde overeenkomst
4.2.
De kantonrechter stelt allereerst vast dat tussen partijen een gemengde overeenkomst van koop en aanneming van werk tot stand is gekomen waarbij [de leverancier] enerzijds zonnepanelen aan [de klant] heeft verkocht en geleverd en anderzijds deze zonnepanelen heeft geplaatst. Ingevolgde artikel 7:5 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn de wettelijke bepalingen van koop en aanneming van werk naast elkaar van toepassing waarbij in geval van strijd de bepalingen van koop voor gaan.
De algemene voorwaarden zijn van toepassing
4.3.
De kantonrechter stelt verder vast dat de door [de leverancier] aangehaalde algemene voorwaarden van toepassing zijn. Bij de door [de leverancier] gestuurde offerte zat een link om de offerte te accorderen. [de leverancier] heeft toegelicht dat je bij het volgen van die link eerst bij de algemene voorwaarden terecht komt. Deze moeten eerst geaccepteerd worden voordat de offerte kan worden geaccordeerd. Ter zitting heeft [de klant] toegelicht dat hij waarschijnlijk een vinkje heeft gezet bij de algemene voorwaarden. Daarmee heeft [de klant] de algemene voorwaarden geaccepteerd en zijn deze van toepassing op de tussen partijen gesloten overeenkomst.
Vervalbeding wordt vernietigd
4.4.
[de leverancier] doet een beroep op het vervalbeding uit artikel 8 lid 9 van die algemene voorwaarden. Dat beding bepaalt dat elk vorderingsrecht van de koper op [de leverancier] vervalt na verloop van 12 maanden. De kantonrechter overweegt dat die bepaling op grond van artikel 6:237 aanhef en onder h BW wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Het gaat hier namelijk om een vervalbeding dat in de plaats treedt van een wettelijke verjaringstermijn. De wettelijke verjaringstermijn bij zowel koop als aanneming van werk is langer dan de termijn die in bovengenoemd vervalbeding staat opgenomen. [de leverancier] heeft het vermoeden onvoldoende onderbouwd weerlegd. De kantonrechter zal het beding daarom vernietigen.
Er heeft geen oplevering plaatsgevonden
4.5.
De kantonrechter wijst met betrekking tot de oplevering eerst op het volgende. Een oplevering heeft belangrijke gevolgen. Na oplevering is de opdrachtgever de prijs van het werk verschuldigd (artikel 6:38 BW). Verder is na oplevering het werk voor risico van de opdrachtgever (artikel 7:758 lid 2 BW) en is de aannemer ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken (artikel 7:758 lid 3 BW).
4.6.
[de leverancier] stelt dat een oplevermoment heeft plaatsgevonden en dat het werk aan de vrouw van [de klant] is getoond. [de klant] betwist dat. Dat er een oplevering heeft plaatsgevonden zou volgens [de leverancier] ook blijken uit een opleverrapport. Het door [de leverancier] overgelegde stuk dat zij aanmerkt als opleverrapport betreft echter enkel een omschrijving van het project, zonder bijvoorbeeld een datum en handtekening. De kantonrechter is van oordeel dat hieruit geen oplevering blijkt. Daardoor staat niet vast dat een oplevermoment heeft plaatsgevonden.
4.7.
Dat de installatie gedurende 3 dagen wel zou hebben gewerkt, zoals [de leverancier] stelt, doet daar niet aan af. Voor zover [de leverancier] zich op het standpunt stelt dat sprake is van een stilzwijgende aanvaarding geldt dat het op grond van artikel 7:758 lid 1 BW in de eerste plaats aan [de leverancier] is om aan te geven dat het werk klaar was om te worden opgeleverd. [de leverancier] stelt dat dit op 8 maart 2023 is gebeurd maar [de klant] betwist dat. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat [de klant] het werk niet binnen redelijke termijn heeft gekeurd. Gezien het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is geweest van een oplevering.
[de leverancier] is aansprakelijk voor de gebreken
4.8.
Bovendien, voor zover er wel sprake zou zijn geweest van een oplevering, is er blijkens het door [de klant] overgelegde expertiserapport van 1 december 2023 sprake van verborgen gebreken. [de leverancier] is daarvoor aansprakelijk op grond van artikel 7:758 lid 4 BW. Gelet op die bevindingen is [de leverancier] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [de leverancier] weerspreekt wel een groot aantal gebreken maar dat zijn kale stellingen zonder enige vorm van onderbouwing. Dit kan daarom niet gelden als een voldoende betwisting van de bevindingen van de door [de klant] ingeschakelde expert. Het door [de leverancier] ter zitting gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd nu niet voldoende gesteld is om voor het leveren van bewijs in aanmerking te komen.
4.9.
[de leverancier] voert aan dat [de klant] tijdens het telefoongesprek op 11 maart 2023 aangaf dat hij mogelijk tegen de kabel zou zijn gestoten tijdens het uitvoeren van de graafwerkzaamheden. [de klant] betwist dit. [de leverancier] heeft haar stelling niet nader gemotiveerd. Daardoor staat niet vast dat [de klant] (deels) eigen schuld zou hebben aan de schade. Los daarvan ziet de kantonrechter niet in hoe het stoten tegen een kabel zou kunnen leiden tot de gebreken die door de ingeschakelde expert van [de klant] zijn geconstateerd.
Hoogte van de schade
4.10.
[de leverancier] voert verder aan dat de herstelofferte zou zien op meer dan tussen partijen was overeengekomen. [de klant] heeft echter meerdere offertes overgelegd en heeft de laagste als uitgangspunt genomen. Die offerte is voldoende onderbouwd. De enkele stelling van [de leverancier] dat die offerte te hoog is, zonder daar een andere offerte tegenover te stellen, is onvoldoende. De kantonrechter gaat dan ook aan die stelling voorbij. Het door [de klant] gevorderde bedrag van € 5.783,80 aan vervangende schadevergoeding zal dan ook worden toegewezen.
Kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid
4.11.
[de klant] vordert daarnaast betaling van een bedrag van € 2.601,50 aan kosten voor het expertise rapport. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking. De kantonrechter zal dit deel van de vordering daarom eveneens toewijzen.
Gevolgschade
4.12.
[de klant] vordert tot slot een bedrag van € 1.409,36 aan gevolgschade door misgelopen opbrengst en een bedrag van € 120,37 per maand vanaf september 2024 tot aan de datum van herstel aan nog te lijden gevolgschade. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen nu het de kantonrechter onvoldoende duidelijk is geworden hoeveel de misgelopen opbrengst precies in geld zou opleveren en wat dus als gevolgschade kan worden aangemerkt.
Het restant factuurbedrag
4.13.
[de leverancier] heeft in reconventie betaling van het restant van 5% van de factuur gevorderd. [de klant] heeft een vordering tot vervangende schadevergoeding ingesteld. Dit ontslaat hem echter niet van zijn verplichting de factuur te betalen. De verbintenis waartoe de schuldeiser van zijn kant gehouden is op grond van de overeenkomst ondergaat immers geen verandering. Het openstaande bedrag van € 427,50 dient daarom te worden verrekend.
Conclusie
4.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [de klant] tot een totaalbedrag van (€ 5.783,80 plus € 2.601,50 minus € 427,50 is) € 7.957,80 zal worden toegewezen. [de leverancier] zal tot betaling van dat bedrag worden veroordeeld.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.15.
[de klant] maakt verder aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [de klant] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [de klant] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [de klant] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [de klant] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. De kantonrechter zal de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten toewijzen, met dien verstande dat deze zal worden toegewezen over de toegewezen hoofdsom van € 7.957,80. Daarom zal een bedrag van € 935,20 worden toegewezen.
Wettelijke rente
4.16.
De gevorderde rente zal als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
Proceskosten
4.17.
[de leverancier] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van [de klant] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,38
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.198,38
4.18.
[de leverancier] wordt daarnaast veroordeeld in de proceskosten in reconventie. De kosten in reconventie worden tot dit vonnis vastgesteld op € 238,00 (2 x 0,5 punt à € 238,00).
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt [de leverancier] om aan [de klant] te betalen een bedrag van € 935,20 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [de leverancier] in de proceskosten van € 1.198,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet-betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [de leverancier] ook de kosten van betekening betalen;
5.3.
veroordeelt [de leverancier] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
in reconventie
5.4.
veroordeelt [de leverancier] in de proceskosten van € 238,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet-betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [de leverancier] ook de kosten van betekening betalen;
in conventie en in reconventie
5.5.
veroordeelt [de leverancier] tot betaling aan [de klant] van € 7.957,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:4878 text/xml public 2026-04-09T15:10:53 2025-07-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-06-25 11318321 CV EXPL 24-3129 (E) Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bergen op Zoom Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl TBR 2026/20 met annotatie van H.P.C.W. Strang http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:4878 text/html public 2025-08-07T09:23:21 2025-08-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:4878 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 25-06-2025 / 11318321 CV EXPL 24-3129 (E) Koop en aanneming van werk. Algemene voorwaarden zijn van toepassing, deze zijn elektronisch geaccepteerd. Het vervalbeding wordt op grond van artikel 6:237 aanhef en onder h BW vermoed onredelijk bezwarend en daarom vernietigd. Geen oplevering maar voor zover er wel sprake zou zijn geweest van een oplevering, is de leverancier gezien het expertiserapport aansprakelijk voor de gebreken. Vordering tot betaling vervangende schadevergoeding en kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid toegewezen. Gevolgschade afgewezen nu onvoldoende duidelijk is geworden wat als schade kan worden aangemerkt. Vordering in reconventie tot betaling van restant factuurbedrag toegewezen en wordt verrekend. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer: 11318321 \ CV EXPL 24-3129 Vonnis van 25 juni 2025 in de zaak van [de klant] , te [plaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [de klant] , gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand, tegen [persoon] , H.O.D.N. [de leverancier] , te [plaats 2] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [de leverancier] , gemachtigde: mr. R.H.W. van Ewijk. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 27 november 2024 met de daarin genoemde processtukken; - de conclusie van antwoord in reconventie; - de mondelinge behandeling van 6 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben op 5 maart 2023 een overeenkomst gesloten voor het leveren en plaatsen van een zonnepaneleninstallatie. 2.2. In artikel 8 lid 9 van de algemene voorwaarden van [de leverancier] staat het volgende opgenomen: “Onverminderd het bepaalde in artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek, vervalt elk vorderingsrecht van de koper op [de leverancier] en haar partners in ieder geval na verloop van zes (6) maanden nadat de Zaken volgens de overeenkomst aan de koper zijn geleverd of aan de koper ter beschikking zijn gesteld, tenzij de koper binnen deze termijn een procedure bij de bevoegde rechter aanhangig heeft gemaakt. Deze termijn is bij een consumentenkoop geen twee, maar twaalf (12) maanden.” 2.3. Op 7 en 8 maart 2023 hebben werkzaamheden plaatsgevonden. 2.4. [de klant] heeft op 10 maart 2023 bij [de leverancier] kenbaar gemaakt dat hij gebreken had geconstateerd. 2.5. Op 12 maart 2023 heeft [de klant] een bedrag van € 8.122,50 van de factuur van € 8.550,00 aan [de leverancier] betaald. 2.6. De gemachtigde van [de klant] heeft [de leverancier] op 22 mei 2023 gesommeerd om de gebreken te herstellen en aansprakelijk gesteld voor de gevolgschade. [de leverancier] heeft daarop gereageerd en aangegeven dat er is opgeleverd en dat de installatie bij oplevering goed werkte. 2.7. In opdracht van [de klant] heeft Straightforward B.V. de installatie op 30 oktober 2023 onderzocht. Het rapport van 1 december 2023 heeft [de klant] op 19 december 2023 aan [de leverancier] verzonden waarbij hij [de leverancier] in de gelegenheid heeft gesteld om een contra-expertise uit te laten voeren of akkoord te gaan met een voorstel. [de leverancier] heeft daarop gereageerd dat hij een contra-expertise zou laten uitvoeren. 2.8. Op 18 juli 2024 heeft [de klant] een omzettingsverklaring aan [de leverancier] toegezonden en heeft hij aangekondigd een procedure te zullen starten om een vervangende schadevergoeding, het opbrengstverlies en de kosten van het expertise onderzoek van hem te vorderen. 2.9. [de leverancier] heeft daar op 18 juli 2024 op gereageerd en aangegeven dat [de klant] op grond van de algemene voorwaarden geen recht meer heeft om de kwestie aan de rechter voor te leggen. 3 Het geschil in conventie 3.1. [de klant] vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [de leverancier] te veroordelen om aan [de klant] te betalen: I. € 9.794,66 aan vervangende schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van verzuim; II. € 1.046,33 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 10 september 2024; III. de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten en de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis. 3.2. [de klant] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De werkzaamheden zijn nog niet afgerond en er is nog niet opgeleverd. Voor zover er wel sprake is geweest van een oplevering, stelt [de klant] zich op het standpunt dat er sprake is van een groot aantal verborgen gebreken waarvoor [de leverancier] aansprakelijk is. [de klant] heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen door 95% van het overeengekomen bedrag te betalen. De laatste 5% is pas na oplevering verschuldigd. [de klant] heeft de vordering omgezet. Er zijn geen algemene voorwaarden overeengekomen. [de klant] heeft recht op vervangende schadevergoeding, vergoeding van schade door opbrengstverlies, vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. 3.3. [de leverancier] voert aan dat er sprake is van een gemengde overeenkomst, van koop en aanneming van werk. [de leverancier] zou de zonnepanelen installeren en [de klant] zou de afwerking doen, waaronder graafwerkzaamheden. Er is op 8 maart 2023 opgeleverd en de installatie werkte. [de klant] gaf op 11 maart 2023 aan dat de installatie niet meer werkte. Daarvoor werkte het dus wel. [de klant] is op 11 maart 2023 aan de slag gegaan met de graafwerkzaamheden. Het is aannemelijk dat het defect in de installatie door [de klant] is veroorzaakt. [de leverancier] wilde uit coulance een stekker opnieuw komen aansluiten. [de klant] gaf echter aan de werkzaamheden zelf te willen laten verrichten op voorwaarde dat de garantie behouden bleef. [de leverancier] is daarmee akkoord gegaan. [de leverancier] betwist de deskundigheid van de inspecteur en de juistheid van het rapport. Er is geen tekortkoming in de nakoming. Het recht van [de klant] om de zaak aan de rechter voor te leggen is daarnaast vervallen. Dit volgt uit de algemene voorwaarden. [de klant] heeft tot slot niet aan zijn schadebeperkingsplicht voldaan door zijn schade onnodig hoog te laten oplopen. in reconventie 3.4. [de leverancier] vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [de klant] te veroordelen om aan [de leverancier] te betalen: I. € 427,50 aan openstaand factuurbedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis; II. € 2.275,00 aan verhoogde factuursom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis; III. de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis. 3.5. [de leverancier] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Er is 5% van het factuurbedrag nog niet betaald. Daarnaast is de korting vervallen omdat [de klant] niet binnen de termijn het factuurbedrag heeft voldaan. [de klant] is daardoor een bedrag van € 11.375,00 verschuldigd in plaats van € 9.100,00. 3.6. [de klant] voert aan dat hij na de werkzaamheden op 8 maart 2023 nog geen werkende app had en dus niet kon vaststellen of de installatie werkte. Na oplevering zou de resterende 5% betaald worden. Er is echter nooit opgeleverd. Die 5% is daarom ook niet opeisbaar. Hetzelfde geldt voor het gevorderde bedrag van € 2.275,00. in conventie en in reconventie 3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1.
Volledig
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld. Er is sprake van een gemengde overeenkomst 4.2. De kantonrechter stelt allereerst vast dat tussen partijen een gemengde overeenkomst van koop en aanneming van werk tot stand is gekomen waarbij [de leverancier] enerzijds zonnepanelen aan [de klant] heeft verkocht en geleverd en anderzijds deze zonnepanelen heeft geplaatst. Ingevolgde artikel 7:5 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn de wettelijke bepalingen van koop en aanneming van werk naast elkaar van toepassing waarbij in geval van strijd de bepalingen van koop voor gaan. De algemene voorwaarden zijn van toepassing 4.3. De kantonrechter stelt verder vast dat de door [de leverancier] aangehaalde algemene voorwaarden van toepassing zijn. Bij de door [de leverancier] gestuurde offerte zat een link om de offerte te accorderen. [de leverancier] heeft toegelicht dat je bij het volgen van die link eerst bij de algemene voorwaarden terecht komt. Deze moeten eerst geaccepteerd worden voordat de offerte kan worden geaccordeerd. Ter zitting heeft [de klant] toegelicht dat hij waarschijnlijk een vinkje heeft gezet bij de algemene voorwaarden. Daarmee heeft [de klant] de algemene voorwaarden geaccepteerd en zijn deze van toepassing op de tussen partijen gesloten overeenkomst. Vervalbeding wordt vernietigd 4.4. [de leverancier] doet een beroep op het vervalbeding uit artikel 8 lid 9 van die algemene voorwaarden. Dat beding bepaalt dat elk vorderingsrecht van de koper op [de leverancier] vervalt na verloop van 12 maanden. De kantonrechter overweegt dat die bepaling op grond van artikel 6:237 aanhef en onder h BW wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Het gaat hier namelijk om een vervalbeding dat in de plaats treedt van een wettelijke verjaringstermijn. De wettelijke verjaringstermijn bij zowel koop als aanneming van werk is langer dan de termijn die in bovengenoemd vervalbeding staat opgenomen. [de leverancier] heeft het vermoeden onvoldoende onderbouwd weerlegd. De kantonrechter zal het beding daarom vernietigen. Er heeft geen oplevering plaatsgevonden 4.5. De kantonrechter wijst met betrekking tot de oplevering eerst op het volgende. Een oplevering heeft belangrijke gevolgen. Na oplevering is de opdrachtgever de prijs van het werk verschuldigd (artikel 6:38 BW). Verder is na oplevering het werk voor risico van de opdrachtgever (artikel 7:758 lid 2 BW) en is de aannemer ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken (artikel 7:758 lid 3 BW). 4.6. [de leverancier] stelt dat een oplevermoment heeft plaatsgevonden en dat het werk aan de vrouw van [de klant] is getoond. [de klant] betwist dat. Dat er een oplevering heeft plaatsgevonden zou volgens [de leverancier] ook blijken uit een opleverrapport. Het door [de leverancier] overgelegde stuk dat zij aanmerkt als opleverrapport betreft echter enkel een omschrijving van het project, zonder bijvoorbeeld een datum en handtekening. De kantonrechter is van oordeel dat hieruit geen oplevering blijkt. Daardoor staat niet vast dat een oplevermoment heeft plaatsgevonden. 4.7. Dat de installatie gedurende 3 dagen wel zou hebben gewerkt, zoals [de leverancier] stelt, doet daar niet aan af. Voor zover [de leverancier] zich op het standpunt stelt dat sprake is van een stilzwijgende aanvaarding geldt dat het op grond van artikel 7:758 lid 1 BW in de eerste plaats aan [de leverancier] is om aan te geven dat het werk klaar was om te worden opgeleverd. [de leverancier] stelt dat dit op 8 maart 2023 is gebeurd maar [de klant] betwist dat. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat [de klant] het werk niet binnen redelijke termijn heeft gekeurd. Gezien het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is geweest van een oplevering. [de leverancier] is aansprakelijk voor de gebreken 4.8. Bovendien, voor zover er wel sprake zou zijn geweest van een oplevering, is er blijkens het door [de klant] overgelegde expertiserapport van 1 december 2023 sprake van verborgen gebreken. [de leverancier] is daarvoor aansprakelijk op grond van artikel 7:758 lid 4 BW. Gelet op die bevindingen is [de leverancier] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [de leverancier] weerspreekt wel een groot aantal gebreken maar dat zijn kale stellingen zonder enige vorm van onderbouwing. Dit kan daarom niet gelden als een voldoende betwisting van de bevindingen van de door [de klant] ingeschakelde expert. Het door [de leverancier] ter zitting gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd nu niet voldoende gesteld is om voor het leveren van bewijs in aanmerking te komen. 4.9. [de leverancier] voert aan dat [de klant] tijdens het telefoongesprek op 11 maart 2023 aangaf dat hij mogelijk tegen de kabel zou zijn gestoten tijdens het uitvoeren van de graafwerkzaamheden. [de klant] betwist dit. [de leverancier] heeft haar stelling niet nader gemotiveerd. Daardoor staat niet vast dat [de klant] (deels) eigen schuld zou hebben aan de schade. Los daarvan ziet de kantonrechter niet in hoe het stoten tegen een kabel zou kunnen leiden tot de gebreken die door de ingeschakelde expert van [de klant] zijn geconstateerd. Hoogte van de schade 4.10. [de leverancier] voert verder aan dat de herstelofferte zou zien op meer dan tussen partijen was overeengekomen. [de klant] heeft echter meerdere offertes overgelegd en heeft de laagste als uitgangspunt genomen. Die offerte is voldoende onderbouwd. De enkele stelling van [de leverancier] dat die offerte te hoog is, zonder daar een andere offerte tegenover te stellen, is onvoldoende. De kantonrechter gaat dan ook aan die stelling voorbij. Het door [de klant] gevorderde bedrag van € 5.783,80 aan vervangende schadevergoeding zal dan ook worden toegewezen. Kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid 4.11. [de klant] vordert daarnaast betaling van een bedrag van € 2.601,50 aan kosten voor het expertise rapport. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking. De kantonrechter zal dit deel van de vordering daarom eveneens toewijzen. Gevolgschade 4.12. [de klant] vordert tot slot een bedrag van € 1.409,36 aan gevolgschade door misgelopen opbrengst en een bedrag van € 120,37 per maand vanaf september 2024 tot aan de datum van herstel aan nog te lijden gevolgschade. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen nu het de kantonrechter onvoldoende duidelijk is geworden hoeveel de misgelopen opbrengst precies in geld zou opleveren en wat dus als gevolgschade kan worden aangemerkt. Het restant factuurbedrag 4.13. [de leverancier] heeft in reconventie betaling van het restant van 5% van de factuur gevorderd. [de klant] heeft een vordering tot vervangende schadevergoeding ingesteld. Dit ontslaat hem echter niet van zijn verplichting de factuur te betalen. De verbintenis waartoe de schuldeiser van zijn kant gehouden is op grond van de overeenkomst ondergaat immers geen verandering. Het openstaande bedrag van € 427,50 dient daarom te worden verrekend. Het door [de leverancier] gevorderde bedrag van € 2.275,00 wegens vervallen korting zal worden afgewezen nu niet is opgeleverd en de door hem gestelde toegepaste korting daarom niet is komen te vervallen. Conclusie 4.14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [de klant] tot een totaalbedrag van (€ 5.783,80 plus € 2.601,50 minus € 427,50 is) € 7.957,80 zal worden toegewezen. [de leverancier] zal tot betaling van dat bedrag worden veroordeeld. Buitengerechtelijke incassokosten 4.15. [de klant] maakt verder aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [de klant] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [de klant] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [de klant] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [de klant] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw.