Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-25
ECLI:NL:RBZWB:2025:4573
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
11,824 tokens
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/435088 / KG ZA 25-208
Vonnis in kort geding van 25 juni 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D. Molenkamp,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen in enkelvoud te noemen: [gedaagden]
gemachtigde mr. J.J.M. van der Geld verbonden aan DAS rechtsbijstand.
1De zaak in het kort
1.1.
De zaak betreft een burengeschil. Het geschil heeft betrekking op de erfafscheiding, bestaande uit een coniferen haag, en de camera’s die door [gedaagden] aan de achtergevel van zijn woning en aan de gevel van zijn garage zijn bevestigd. De vordering van [eiser] die er onder meer toe strekt om [gedaagden] te verbieden de coniferen haag te snoeien wijst de voorzieningenrechter af. De vordering die ziet op het verwijderen c.q. verplaatsen van de camera’s wijst de voorzieningenrechter toe. Hieronder zal die beslissing worden toegelicht.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 mei 2025, - de producties 1 t/m 12 van [eiser] ,
- akte overlegging aanvullende producties 13 en 14 van de zijde van [eiser] ,
- de conclusie van antwoord, - de producties 1 t/m 9 van [gedaagden] ,
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Feiten
3.1.
[eiser] is sinds 2 augustus 2022 eigenaar van de woning, met tuin en aanhorigheden, staande en gelegen aan [adres 1] te [plaats] ( [kadastrale aanduidingen 1] ). Hij heeft de woning (na het overlijden van zijn vader) gekocht van zijn moeder. Zijn ouders hebben de woning in 1977 gekocht.
3.2.
[gedaagden] is sinds 13 juli 2020 eigenaar van de woning, met tuin en aanhorigheden, staande en gelegen aan [adres 2] te [plaats] ( [kadastrale aanduidingen 2] ).
3.3.
De percelen van [eiser] en [gedaagden] grenzen direct aan elkaar, zodat [eiser] en [gedaagden] buren zijn.
3.4.
Tussen de percelen van [eiser] en [gedaagden] bevindt zich een houten erfafscheiding en een coniferenhaag. Links van de erfafscheiding op de foto bevindt zich het perceel van [gedaagden] en rechts van de erfafscheiding bevindt zich het perceel van [eiser] .
3.5.
[gedaagden] heeft bij brief van zijn rechtsbijstandsverzekeraar van 14 juni 2024 aan [eiser] bericht, voor zover relevant, dat [eiser] recentelijk werkzaamheden op zijn perceel heeft laten uitvoeren. [gedaagden] heeft geconstateerd dat er schade is ontstaan aan zijn eigendom omdat [eiser] de coniferen, die volgens [gedaagden] volledig op zijn perceel staan, zodanig heeft gesnoeid dat deze de snoeiwerkzaamheden niet zullen overleven. [gedaagden] heeft [eiser] te kennen gegeven dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en dat de kosten van herstel, die hij heeft beraamd op € 7.977,99, voor rekening van [eiser] komen. [eiser] is gesommeerd om dat bedrag binnen vijftien dagen na datum brief te voldoen.
3.6.
[eiser] heeft niet aan de sommatie voldaan. Hij heeft bij brief van 27 juni 2024 aan (de gemachtigde van) [gedaagden] bericht dat de coniferenhaag al bijna 34 jaar exact op de erfscheiding staat, dat de coniferenhaag dus gemeenschappelijk is en dat de bovenkant van de haag door [gedaagden] niet zonder toestemming van [eiser] mag worden gesnoeid. Verder heeft hij aangegeven dat hij de haag weliswaar heeft gesnoeid maar dat daarbij geen schade aan de haag is toegebracht zodat [gedaagden] geen recht heeft op schadevergoeding.
3.7.
[gedaagden] heeft in de periode van 1 februari 2024 tot en met 1 september 2024 vierentwintig meldingen gedaan bij de gemeente Rucphen met betrekking tot de situatie op het perceel van [eiser] . Deze meldingen hadden betrekking op: zwembad, zonnepanelen, bouwwerk, hijskraan, muziek/geluid/ overlast, coniferenhaag en container. Daarnaast heeft [gedaagden] bij de gemeente een verzoek om handhaving gedaan, gericht tegen verschillende vermeende overtredingen met betrekking tot de tuin-inrichting van [eiser] . Bij besluit van 11 september 2024 heeft de gemeente het verzoek om handhaving afgewezen. [gedaagden] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
3.8.
[gedaagden] heeft op 22 september 2024 drie camera’s op zijn perceel aangebracht, waaronder een aan de achtergevel van zijn woning en een aan de gevel van zijn garage.
3.9.
[eiser] heeft [gedaagden] op 23 september 2024 via whatsapp (en herhaald per email van 29 september 2024 aan de gemachtigde van [gedaagden] en bij aangetekende brief van 30 september 2024 aan [gedaagden] ) medegedeeld dat zijn recht op privacy wordt geschonden omdat een deel van zijn huis en tuin door de camera’s wordt gefilmd. Hij heeft [gedaagden] gevraagd om deze camera’s te verplaatsen. [gedaagden] heeft dat niet gedaan.
3.10.
[eiser] heeft bij brief van zijn advocaat van 10 januari 2025 [gedaagden] medegedeeld dat het niet toegestaan is om zonder overleg de coniferenhaag (aan de bovenzijde) te snoeien. Daarnaast is [gedaagden] gesommeerd om de twee camera’s binnen 7 dagen na de datum van de brief te verplaatsen, zodat daarmee geen inbreuk meer wordt gemaakt op het recht op privacy van [eiser] en om [eiser] niet langer te bestoken met vorderingen die gebaseerd zijn op loze stellingen.
3.11.
[gedaagden] heeft middels brieven van zijn gemachtigde aan [eiser] bericht dat hij de camera’s niet zal verplaatsen. Ook is in de brieven het standpunt van [gedaagden] herhaald dat de coniferenhaag zijn eigendom is en dat [eiser] daaraan schade heeft toegebracht.
3.12.
[gedaagden] heeft op 13 december 2024 en 22 april 2025 de coniferenhaag gesnoeid.
3.13.
Bij email van zijn advocaat van 23 april 2025 heeft [eiser] aan [gedaagden] bericht, samengevat, dat [gedaagden] in afwezigheid van [eiser] en zonder enig overleg is begonnen met het snoeien van de coniferenhaag en dat de inbreuk op zijn privacy alsmaar voortduurt omdat [gedaagden] de camera’s niet heeft verplaatst. [gedaagden] is gesommeerd om de (snoei)werkzaamheden aan de coniferenhaag per direct te staken en gestaakt te houden en uiterlijk 25 april 2025 de camera’s te verplaatsen.
3.14.
In reactie hierop heeft de gemachtigde van [gedaagden] bij brief van 26 april 2025 aan [eiser] geschreven:
- dat de coniferenhaag eigendom is van [gedaagden] en dat hij de hoogte van de haag te allen tijde mag aanpassen, en
- dat de camera’s zijn aangebracht om zijn eigendommen te beveiligen, dat dat zo blijft en dat de camera’s niet gericht zijn op het erf van [eiser] .
De camera’s zijn niet verplaatst.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert als voorlopige voorziening:
I [gedaagden] te gebieden om de erfafscheiding tussen perceel ‘ [kadastrale aanduidingen 2] ’
enerzijds en perceel ‘ [kadastrale aanduidingen 1] ’ anderzijds, bestaande uit de huidige schutting en coniferenhaag, te beschouwen als staande op de erfgrens totdat in een bodemprocedure anders is bepaald;
II [gedaagden] te verbieden om zonder voorafgaand overleg met en schriftelijke toestemming van [eiser] enige werkzaamheden te verrichten aan de mandelige erfafscheiding tussen perceel ‘ [kadastrale aanduidingen 2] ’ enerzijds en perceel ‘ [kadastrale aanduidingen 1] ’ anderzijds, waaronder begrepen maar niet beperkt tot snoei, kap- of verwijderings- werkzaamheden;
III [gedaagden] te veroordelen om de camera’s aan hun woning en garage die (gedeeltelijk) gericht zijn op het erf van [eiser] volledig te verwijderen, dan wel zodanig te herpositioneren zodat daarmee op geen enkele wijze het erf van [eiser] kan worden vastgelegd;
IV [gedaagden] te verbieden om zonder feitelijke onderbouwing of aantoonbare grondslag [eiser] aansprakelijk te stellen voor (vermeende) schade of onrechtmatig handelen, waaronder mede begrepen het verzenden van sommaties of andere schriftelijke uitingen waarin aansprakelijkheid wordt gepretendeerd;
V het onder II, III en IV bepaalde (ieder afzonderlijk) op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat in strijd wordt gehandeld met één of meer van de hierboven gevorderde geboden of verboden, met een maximum van € 20.000,-, bij gebreke waarvan het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis na het bereiken van het maximum van € 20.000,-- dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van hetgeen onder II, III en IV wordt toegewezen;
VI [gedaagden] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[gedaagden] heeft geconcludeerd [eiser] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans zijn vordering af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Beoordeling
algemeen kader
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of partijen ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
spoedeisend belang
5.2.
Anders dan [gedaagden] meent heeft [eiser] voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Zijn vorderingen strekken ertoe om een einde te maken aan een (vermeende) onrechtmatige toestand dan wel het voorkomen van (verder) onrechtmatig handelen door [gedaagden] . Dit is naar zijn aard spoedeisend.
de erfafscheiding
5.3.
Zoals ter zitting is besproken zijn de vorderingen met betrekking tot de erfafscheiding alleen gericht op de coniferenhaag en is de houten erfafscheiding in dit kort geding geen onderwerp van geschil.
5.4.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de coniferen haag mandelig is zodat die alleen met wederzijdse instemming gewijzigd of onderhouden mag worden. Volgens [eiser] staat de coniferen haag exact op de erfgrens tussen zijn perceel en dat van [gedaagden] . Dit is volgens hem gebleken uit een erfgrensreconstructie die in 2020 door het Kadaster is uitgevoerd.
Indien en voor zover geoordeeld zou worden dat de coniferen haag op het perceel van [gedaagden] staat stelt [eiser] zich op het standpunt dat de haag door extinctieve verjaring op grond van artikel 3:105 BW in samenhang met 3:106 BW mandelig is geworden. De haag is namelijk in 1990 door zijn ouders en de toenmalige buurman geplaatst en is sindsdien onafgebroken op de huidige locatie in stand gebleven.
[gedaagden] heeft jegens hem onrechtmatig gehandeld door de haag eenzijdig, zonder overleg met hem, tweemaal te snoeien, terwijl bovendien het snoeiwerk zodanig rigoureus is uitgevoerd (door aan de kant van de schutting een hap uit de haag te halen) dat herstel van de coniferenhaag naar de oude toestand op korte termijn niet mogelijk is.
5.5.
[gedaagden] stelt dat de coniferen haag zich op zijn perceel bevindt en dus zijn eigendom is. De haag is -blijkens de meest recente grensreconstructie van het kadaster op 12 november 2024- hooguit voor een klein stukje (vanaf punt 12 in het Relaas van bevindingen)mandelig.
[gedaagden] betwist dat de haag door extinctieve verjaring mandelig is geworden. Volgens hem is de coniferenhaag in 2009 door zijn rechtsvoorganger geplaatst.
Omdat [gedaagden] eigenaar is van de coniferenhaag, mag hij deze onderhouden en op een door hem gewenste hoogte snoeien en gesnoeid houden.
5.6.
Vordering I van [eiser] om [gedaagden] te gebieden om in afwachting van een beslissing in de bodemprocedure de erfafscheiding te beschouwen als staande op de erfgrens wordt afgewezen. [gedaagden] stelt terecht dat dit te beschouwen is als een verklaring voor recht, wat in kort geding niet mogelijk is. Bovendien heeft [eiser] onvoldoende toegelicht (ook niet nadat de voorzieningenrechter daar tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk naar heeft gevraagd) wat zijn belang is bij deze vordering gelet op zijn overige vorderingen.
5.7.
Vast staat dat de coniferen haag geen eigendom is van [eiser] . Deze is, gelet op de overgelegde producties waaronder foto’s, een factuur van de aanleg van de haag en de verklaring van de dochter van de voormalige buurman hooguit mandelig. Dit zou betekenen dat beide partijen verantwoordelijk zijn voor het onderhoud aan de haag. Zonder nadere toelichting, die nu ontbreekt, valt niet in te zien waarom [gedaagden] dan niet gerechtigd zou zijn om op zijn perceel in het kader van onderhoud snoeiwerkzaamheden aan de haag te verrichten. Daarbij is van belang dat [eiser] zelf ook heeft aangegeven zonder overleg met [gedaagden] de haag aan zijn perceelzijde tweemaal per jaar te snoeien.
5.8.
[gedaagden] heeft erkend dat hij de coniferenhaag, daar waar deze aansluit op de houten schutting voor een stuk(je) aldus heeft gesnoeid dat er een “hap” uit de haag te zien is. Het is niet aannemelijk geworden dat dit snoeien zo rigoureus was dat er sprake is geweest van vernieling van de haag. [gedaagden] heeft in dit verband aangevoerd dat hij dit stukje haag heeft afgetopt om te kunnen zien of de haag, als gevolg van de rigoureuze snoeiwerkzaamheden door [eiser] , zich nog zou gaan herstellen.
5.9.
[eiser] heeft gelet op het vorenstaande niet, althans onvoldoende, gemotiveerd onderbouwd wat de grondslag is voor vordering II, zodat ook deze wordt afgewezen.
5.10.
De voorzieningenrechter wil wel benadrukken dat beide partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard dat de hoogte van de coniferen haag minimaal 2 meter moet bedragen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat partijen de haag daarom niet op een lagere hoogte zullen snoeien.
de camera’s
5.11.
Vooropgesteld wordt dat het geschil tussen partijen alleen betrekking heeft op de camera’s die zijn bevestigd aan de achtergevel van de woning en aan de gevel van de garage van [gedaagden] .
5.12.
[eiser] stelt dat deze camera’s dermate hoog en dicht bij de erfgrens zijn geplaatst, dat [gedaagden] permanent zicht heeft op (een deel van) het erf van [eiser] , waaronder het terras, de serre en een deel van de tuin. Hierdoor voelt [eiser] zich voortdurend bekeken. Daarnaast maken de camera’s ook geluidsopnamen. [eiser] wordt hierdoor in zijn woongenot aangetast. [gedaagden] maakt door het plaatsen van de camera’s inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] , waardoor [gedaagden] onrechtmatig jegens hem handelt. Ook maakt [gedaagden] door het cameratoezicht inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals beschermd in artikel 8 EVRM. Ten slotte is er sprake van een verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 4 lid 1 van de AVG omdat identificeerbare gedragingen van [eiser] structureel worden vastgelegd.
5.13.
[gedaagden] stelt dat hij de camera’s heeft aangebracht ter beveiliging van zijn eigen perceel en dat de beide camera’s ook alleen gericht zijn op zijn eigen perceel. [gedaagden] verwijst in dit verband naar de door hem als productie 8 overgelegde beelden van de camera. Van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] is daarom geen sprake.
5.14.
Bij de beantwoording van de vraag of [gedaagden] met het gebruik van de camera’s onrechtmatig inbreuk maakt op het recht van [eiser] op bescherming van zijn privacy, heeft als uitgangspunt te gelden dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moeten tegen elkaar worden afgewogen de ernst van die inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (vgl. HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609).
Dictum
De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagden] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de camera’s aan de achtergevel van zijn woning en aan de gevel van zijn garage volledig te verwijderen danwel zodanig te herpositioneren dat daarmee op geen enkele wijze het erf van [eiser] kan worden vastgelegd,
6.2.
verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
6.3.
compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door Sterk en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.
Producties 7 en 8 bij dagvaarding
Productie 1 bij conclusie van antwoord
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/435088 / KG ZA 25-208
Vonnis in kort geding van 25 juni 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D. Molenkamp,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen in enkelvoud te noemen: [gedaagden]
gemachtigde mr. J.J.M. van der Geld verbonden aan DAS rechtsbijstand.
1De zaak in het kort
1.1.
De zaak betreft een burengeschil. Het geschil heeft betrekking op de erfafscheiding, bestaande uit een coniferen haag, en de camera’s die door [gedaagden] aan de achtergevel van zijn woning en aan de gevel van zijn garage zijn bevestigd. De vordering van [eiser] die er onder meer toe strekt om [gedaagden] te verbieden de coniferen haag te snoeien wijst de voorzieningenrechter af. De vordering die ziet op het verwijderen c.q. verplaatsen van de camera’s wijst de voorzieningenrechter toe. Hieronder zal die beslissing worden toegelicht.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 mei 2025, - de producties 1 t/m 12 van [eiser] ,
- akte overlegging aanvullende producties 13 en 14 van de zijde van [eiser] ,
- de conclusie van antwoord, - de producties 1 t/m 9 van [gedaagden] ,
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Feiten
3.1.
[eiser] is sinds 2 augustus 2022 eigenaar van de woning, met tuin en aanhorigheden, staande en gelegen aan [adres 1] te [plaats] ( [kadastrale aanduidingen 1] ). Hij heeft de woning (na het overlijden van zijn vader) gekocht van zijn moeder. Zijn ouders hebben de woning in 1977 gekocht.
3.2.
[gedaagden] is sinds 13 juli 2020 eigenaar van de woning, met tuin en aanhorigheden, staande en gelegen aan [adres 2] te [plaats] ( [kadastrale aanduidingen 2] ).
3.3.
De percelen van [eiser] en [gedaagden] grenzen direct aan elkaar, zodat [eiser] en [gedaagden] buren zijn.
3.4.
Tussen de percelen van [eiser] en [gedaagden] bevindt zich een houten erfafscheiding en een coniferenhaag. Links van de erfafscheiding op de foto bevindt zich het perceel van [gedaagden] en rechts van de erfafscheiding bevindt zich het perceel van [eiser] .
3.5.
[gedaagden] heeft bij brief van zijn rechtsbijstandsverzekeraar van 14 juni 2024 aan [eiser] bericht, voor zover relevant, dat [eiser] recentelijk werkzaamheden op zijn perceel heeft laten uitvoeren. [gedaagden] heeft geconstateerd dat er schade is ontstaan aan zijn eigendom omdat [eiser] de coniferen, die volgens [gedaagden] volledig op zijn perceel staan, zodanig heeft gesnoeid dat deze de snoeiwerkzaamheden niet zullen overleven. [gedaagden] heeft [eiser] te kennen gegeven dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en dat de kosten van herstel, die hij heeft beraamd op € 7.977,99, voor rekening van [eiser] komen. [eiser] is gesommeerd om dat bedrag binnen vijftien dagen na datum brief te voldoen.
3.6.
[eiser] heeft niet aan de sommatie voldaan. Hij heeft bij brief van 27 juni 2024 aan (de gemachtigde van) [gedaagden] bericht dat de coniferenhaag al bijna 34 jaar exact op de erfscheiding staat, dat de coniferenhaag dus gemeenschappelijk is en dat de bovenkant van de haag door [gedaagden] niet zonder toestemming van [eiser] mag worden gesnoeid. Verder heeft hij aangegeven dat hij de haag weliswaar heeft gesnoeid maar dat daarbij geen schade aan de haag is toegebracht zodat [gedaagden] geen recht heeft op schadevergoeding.
3.7.
[gedaagden] heeft in de periode van 1 februari 2024 tot en met 1 september 2024 vierentwintig meldingen gedaan bij de gemeente Rucphen met betrekking tot de situatie op het perceel van [eiser] . Deze meldingen hadden betrekking op: zwembad, zonnepanelen, bouwwerk, hijskraan, muziek/geluid/ overlast, coniferenhaag en container. Daarnaast heeft [gedaagden] bij de gemeente een verzoek om handhaving gedaan, gericht tegen verschillende vermeende overtredingen met betrekking tot de tuin-inrichting van [eiser] . Bij besluit van 11 september 2024 heeft de gemeente het verzoek om handhaving afgewezen. [gedaagden] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
3.8.
[gedaagden] heeft op 22 september 2024 drie camera’s op zijn perceel aangebracht, waaronder een aan de achtergevel van zijn woning en een aan de gevel van zijn garage.
3.9.
[eiser] heeft [gedaagden] op 23 september 2024 via whatsapp (en herhaald per email van 29 september 2024 aan de gemachtigde van [gedaagden] en bij aangetekende brief van 30 september 2024 aan [gedaagden] ) medegedeeld dat zijn recht op privacy wordt geschonden omdat een deel van zijn huis en tuin door de camera’s wordt gefilmd. Hij heeft [gedaagden] gevraagd om deze camera’s te verplaatsen. [gedaagden] heeft dat niet gedaan.
3.10.
[eiser] heeft bij brief van zijn advocaat van 10 januari 2025 [gedaagden] medegedeeld dat het niet toegestaan is om zonder overleg de coniferenhaag (aan de bovenzijde) te snoeien. Daarnaast is [gedaagden] gesommeerd om de twee camera’s binnen 7 dagen na de datum van de brief te verplaatsen, zodat daarmee geen inbreuk meer wordt gemaakt op het recht op privacy van [eiser] en om [eiser] niet langer te bestoken met vorderingen die gebaseerd zijn op loze stellingen.
3.11.
[gedaagden] heeft middels brieven van zijn gemachtigde aan [eiser] bericht dat hij de camera’s niet zal verplaatsen. Ook is in de brieven het standpunt van [gedaagden] herhaald dat de coniferenhaag zijn eigendom is en dat [eiser] daaraan schade heeft toegebracht.
3.12.
[gedaagden] heeft op 13 december 2024 en 22 april 2025 de coniferenhaag gesnoeid.
3.13.
Bij email van zijn advocaat van 23 april 2025 heeft [eiser] aan [gedaagden] bericht, samengevat, dat [gedaagden] in afwezigheid van [eiser] en zonder enig overleg is begonnen met het snoeien van de coniferenhaag en dat de inbreuk op zijn privacy alsmaar voortduurt omdat [gedaagden] de camera’s niet heeft verplaatst. [gedaagden] is gesommeerd om de (snoei)werkzaamheden aan de coniferenhaag per direct te staken en gestaakt te houden en uiterlijk 25 april 2025 de camera’s te verplaatsen.
3.14.
In reactie hierop heeft de gemachtigde van [gedaagden] bij brief van 26 april 2025 aan [eiser] geschreven:
- dat de coniferenhaag eigendom is van [gedaagden] en dat hij de hoogte van de haag te allen tijde mag aanpassen, en
- dat de camera’s zijn aangebracht om zijn eigendommen te beveiligen, dat dat zo blijft en dat de camera’s niet gericht zijn op het erf van [eiser] .
De camera’s zijn niet verplaatst.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert als voorlopige voorziening:
I [gedaagden] te gebieden om de erfafscheiding tussen perceel ‘ [kadastrale aanduidingen 2] ’
enerzijds en perceel ‘ [kadastrale aanduidingen 1] ’ anderzijds, bestaande uit de huidige schutting en coniferenhaag, te beschouwen als staande op de erfgrens totdat in een bodemprocedure anders is bepaald;
II [gedaagden] te verbieden om zonder voorafgaand overleg met en schriftelijke toestemming van [eiser] enige werkzaamheden te verrichten aan de mandelige erfafscheiding tussen perceel ‘ [kadastrale aanduidingen 2] ’ enerzijds en perceel ‘ [kadastrale aanduidingen 1] ’ anderzijds, waaronder begrepen maar niet beperkt tot snoei, kap- of verwijderings- werkzaamheden;
III [gedaagden] te veroordelen om de camera’s aan hun woning en garage die (gedeeltelijk) gericht zijn op het erf van [eiser] volledig te verwijderen, dan wel zodanig te herpositioneren zodat daarmee op geen enkele wijze het erf van [eiser] kan worden vastgelegd;
IV [gedaagden] te verbieden om zonder feitelijke onderbouwing of aantoonbare grondslag [eiser] aansprakelijk te stellen voor (vermeende) schade of onrechtmatig handelen, waaronder mede begrepen het verzenden van sommaties of andere schriftelijke uitingen waarin aansprakelijkheid wordt gepretendeerd;
V het onder II, III en IV bepaalde (ieder afzonderlijk) op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat in strijd wordt gehandeld met één of meer van de hierboven gevorderde geboden of verboden, met een maximum van € 20.000,-, bij gebreke waarvan het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis na het bereiken van het maximum van € 20.000,-- dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van hetgeen onder II, III en IV wordt toegewezen;
VI [gedaagden] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[gedaagden] heeft geconcludeerd [eiser] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans zijn vordering af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Beoordeling
algemeen kader
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of partijen ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
spoedeisend belang
5.2.
Anders dan [gedaagden] meent heeft [eiser] voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Zijn vorderingen strekken ertoe om een einde te maken aan een (vermeende) onrechtmatige toestand dan wel het voorkomen van (verder) onrechtmatig handelen door [gedaagden] . Dit is naar zijn aard spoedeisend.
de erfafscheiding
5.3.
Zoals ter zitting is besproken zijn de vorderingen met betrekking tot de erfafscheiding alleen gericht op de coniferenhaag en is de houten erfafscheiding in dit kort geding geen onderwerp van geschil.
5.4.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de coniferen haag mandelig is zodat die alleen met wederzijdse instemming gewijzigd of onderhouden mag worden. Volgens [eiser] staat de coniferen haag exact op de erfgrens tussen zijn perceel en dat van [gedaagden] . Dit is volgens hem gebleken uit een erfgrensreconstructie die in 2020 door het Kadaster is uitgevoerd.
Indien en voor zover geoordeeld zou worden dat de coniferen haag op het perceel van [gedaagden] staat stelt [eiser] zich op het standpunt dat de haag door extinctieve verjaring op grond van artikel 3:105 BW in samenhang met 3:106 BW mandelig is geworden. De haag is namelijk in 1990 door zijn ouders en de toenmalige buurman geplaatst en is sindsdien onafgebroken op de huidige locatie in stand gebleven.
[gedaagden] heeft jegens hem onrechtmatig gehandeld door de haag eenzijdig, zonder overleg met hem, tweemaal te snoeien, terwijl bovendien het snoeiwerk zodanig rigoureus is uitgevoerd (door aan de kant van de schutting een hap uit de haag te halen) dat herstel van de coniferenhaag naar de oude toestand op korte termijn niet mogelijk is.
5.5.
[gedaagden] stelt dat de coniferen haag zich op zijn perceel bevindt en dus zijn eigendom is. De haag is -blijkens de meest recente grensreconstructie van het kadaster op 12 november 2024- hooguit voor een klein stukje (vanaf punt 12 in het Relaas van bevindingen)mandelig.
[gedaagden] betwist dat de haag door extinctieve verjaring mandelig is geworden. Volgens hem is de coniferenhaag in 2009 door zijn rechtsvoorganger geplaatst.
Omdat [gedaagden] eigenaar is van de coniferenhaag, mag hij deze onderhouden en op een door hem gewenste hoogte snoeien en gesnoeid houden.
5.6.
Vordering I van [eiser] om [gedaagden] te gebieden om in afwachting van een beslissing in de bodemprocedure de erfafscheiding te beschouwen als staande op de erfgrens wordt afgewezen. [gedaagden] stelt terecht dat dit te beschouwen is als een verklaring voor recht, wat in kort geding niet mogelijk is. Bovendien heeft [eiser] onvoldoende toegelicht (ook niet nadat de voorzieningenrechter daar tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk naar heeft gevraagd) wat zijn belang is bij deze vordering gelet op zijn overige vorderingen.
5.7.
Vast staat dat de coniferen haag geen eigendom is van [eiser] . Deze is, gelet op de overgelegde producties waaronder foto’s, een factuur van de aanleg van de haag en de verklaring van de dochter van de voormalige buurman hooguit mandelig. Dit zou betekenen dat beide partijen verantwoordelijk zijn voor het onderhoud aan de haag. Zonder nadere toelichting, die nu ontbreekt, valt niet in te zien waarom [gedaagden] dan niet gerechtigd zou zijn om op zijn perceel in het kader van onderhoud snoeiwerkzaamheden aan de haag te verrichten. Daarbij is van belang dat [eiser] zelf ook heeft aangegeven zonder overleg met [gedaagden] de haag aan zijn perceelzijde tweemaal per jaar te snoeien.
5.8.
[gedaagden] heeft erkend dat hij de coniferenhaag, daar waar deze aansluit op de houten schutting voor een stuk(je) aldus heeft gesnoeid dat er een “hap” uit de haag te zien is. Het is niet aannemelijk geworden dat dit snoeien zo rigoureus was dat er sprake is geweest van vernieling van de haag. [gedaagden] heeft in dit verband aangevoerd dat hij dit stukje haag heeft afgetopt om te kunnen zien of de haag, als gevolg van de rigoureuze snoeiwerkzaamheden door [eiser] , zich nog zou gaan herstellen.
5.9.
[eiser] heeft gelet op het vorenstaande niet, althans onvoldoende, gemotiveerd onderbouwd wat de grondslag is voor vordering II, zodat ook deze wordt afgewezen.
5.10.
De voorzieningenrechter wil wel benadrukken dat beide partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard dat de hoogte van de coniferen haag minimaal 2 meter moet bedragen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat partijen de haag daarom niet op een lagere hoogte zullen snoeien.
de camera’s
5.11.
Vooropgesteld wordt dat het geschil tussen partijen alleen betrekking heeft op de camera’s die zijn bevestigd aan de achtergevel van de woning en aan de gevel van de garage van [gedaagden] .
5.12.
[eiser] stelt dat deze camera’s dermate hoog en dicht bij de erfgrens zijn geplaatst, dat [gedaagden] permanent zicht heeft op (een deel van) het erf van [eiser] , waaronder het terras, de serre en een deel van de tuin. Hierdoor voelt [eiser] zich voortdurend bekeken. Daarnaast maken de camera’s ook geluidsopnamen. [eiser] wordt hierdoor in zijn woongenot aangetast. [gedaagden] maakt door het plaatsen van de camera’s inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] , waardoor [gedaagden] onrechtmatig jegens hem handelt. Ook maakt [gedaagden] door het cameratoezicht inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals beschermd in artikel 8 EVRM. Ten slotte is er sprake van een verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 4 lid 1 van de AVG omdat identificeerbare gedragingen van [eiser] structureel worden vastgelegd.
5.13.
[gedaagden] stelt dat hij de camera’s heeft aangebracht ter beveiliging van zijn eigen perceel en dat de beide camera’s ook alleen gericht zijn op zijn eigen perceel. [gedaagden] verwijst in dit verband naar de door hem als productie 8 overgelegde beelden van de camera. Van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] is daarom geen sprake.
5.14.
Bij de beantwoording van de vraag of [gedaagden] met het gebruik van de camera’s onrechtmatig inbreuk maakt op het recht van [eiser] op bescherming van zijn privacy, heeft als uitgangspunt te gelden dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moeten tegen elkaar worden afgewogen de ernst van die inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (vgl. HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609).
Dictum
De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagden] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de camera’s aan de achtergevel van zijn woning en aan de gevel van zijn garage volledig te verwijderen danwel zodanig te herpositioneren dat daarmee op geen enkele wijze het erf van [eiser] kan worden vastgelegd,
6.2.
verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
6.3.
compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door Sterk en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.
Producties 7 en 8 bij dagvaarding
Productie 1 bij conclusie van antwoord
Beoordeling
Ook dient te worden bezien of het gebruik van de camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
5.15.
[gedaagden] heeft tijdens de mondelinge behandeling aan de voorzieningenrechter op zijn telefoon met beelden van de livestream laten zien wat de camera’s filmen. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat op de beelden van beide camera’s een klein gedeelte van het perceel van [eiser] te zien is. [gedaagden] heeft erkend dat de camera’s ook geluidsopnames kunnen maken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarmee sprake is van een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] . Dat het bij de beeldopnames gaat om slechts een kleine strook van het perceel van [eiser] dat wordt gefilmd en dat de geluidsopnames van een zeer laag niveau zouden zijn maakt dat niet anders.
5.16.
De op zichzelf legitieme wens van [gedaagden] om zijn eigendom te beveiligen vormt onvoldoende rechtvaardiging voor een dergelijke inbreuk. [gedaagden] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat zijn achtertuin een afgesloten erf betreft. [gedaagden] heeft gesteld dat zijn auto een paar keer is bekrast en dat hij, mocht dat nog eens gebeuren, wil kunnen achterhalen hoe dat is gebeurd. De camera die is gericht op de auto is niet een van de camera’s waar de vordering van [eiser] op ziet. [gedaagden] stelt dat hij de camera’s juist hoog heeft opgehangen omdat ze dan niet makkelijk gesaboteerd kunnen worden. [gedaagden] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat het doel van het ophangen van de camera’s niet kan worden bereikt als de camera’s op een andere plaats zouden worden bevestigd, op een zodanige wijze dat het perceel van [eiser] niet meer in beeld zal zijn en binnen het geluidsbereik van de camera’s valt. Op de vraag van de voorzieningenrechter of de camera’s elders op de gevels kunnen worden heeft [gedaagden] geantwoord daartegen bezwaar te hebben omdat hij de camera’s op de huidige locatie heeft aangebracht in verband met de aansluiting op de elektriciteit.Als hij de camera’s lager zou ophangen moet hij sleuven in de muren maken om de leidingen weg te kunnen werken. De voorzieningenrechter daarom stelt vast dat de plaats van de camera’s met name vanuit praktisch oogpunt is bepaald en niet zozeer om veiligheidsredenen.
5.17.
Dit alles betekent dat er geen rechtvaardigingsgrond aanwezig is voor het plaatsen van de beide camera’s op de plek waar ze nu hangen en dat het gebruik van de camera’s ook niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het belang van [eiser] bij verwijdering dan wel verplaatsing van de camera’s weegt zwaarder dan het belang van [gedaagden] bij het behoud daarvan op de huidige locatie. Vordering III wordt daarom toegewezen.
staken beschuldigingen
5.18.
[eiser] stelt dat [gedaagden] nalaat om op een persoonlijke en constructieve manier contact met hem te zoeken en dat hij stelselmatig wordt geconfronteerd met formele brieven, handhavings-verzoeken en andere ongegronde aantijgingen door [gedaagden] . Telkens als hij bezwaren en ver-wijten van [gedaagden] adequaat en feitelijk weerlegt komen er weer nieuwe bezwaren en verwijten, zonder een feitelijke onderbouwing of aantoonbare (juridische) grondslag. [eiser] wil dat deze voortdurende, ongegronde beschuldigingen worden gestaakt.
5.19.
[gedaagden] stelt dat hij vanaf 2022 bijna dagelijks last heeft van het gedrag van [eiser] . Hij is al tijden aan het bouwen in zijn tuin, heeft daartoe eigendommen van [gedaagden] beschadigd en verplaatst en hij veroorzaakt structureel geluidsoverlast.
5.20.
De voorzieningenrechter wijst vordering IV als té vergaand en onvoldoende concreet af. [gedaagden] stelt terecht dat hij een wettelijk recht heeft om meldingen te doen bij/vragen te stellen aan de instanties die gaan over vergunningen en handhaving en met de uitoefening van controle(s). Ook kan [gedaagden] niet op voorhand worden verboden om [eiser] aansprakelijk te stellen voor door [gedaagden] gepretendeerde schade of gesteld onrechtmatig handelen. Door de rechter dient in voorkomende gevallen te worden vastgesteld of er sprake is van misbruik van procesrecht.
dwangsommen
5.21.
De voorzieningenrechter ziet op dit moment nog geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom zoals onder V gevorderd, omdat er geen aanwijzingen zijn dat [gedaagden] niet aan de hem gegeven veroordeling zal voldoen. Mocht dat toch het geval zijn dan kan [eiser] de voorzieningenrechter verzoeken alsnog dwangsommen op te leggen.
proceskosten
5.22.
Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld zal de voorzieningenrechter de kosten van het geding compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Beoordeling
Ook dient te worden bezien of het gebruik van de camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
5.15.
[gedaagden] heeft tijdens de mondelinge behandeling aan de voorzieningenrechter op zijn telefoon met beelden van de livestream laten zien wat de camera’s filmen. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat op de beelden van beide camera’s een klein gedeelte van het perceel van [eiser] te zien is. [gedaagden] heeft erkend dat de camera’s ook geluidsopnames kunnen maken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarmee sprake is van een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] . Dat het bij de beeldopnames gaat om slechts een kleine strook van het perceel van [eiser] dat wordt gefilmd en dat de geluidsopnames van een zeer laag niveau zouden zijn maakt dat niet anders.
5.16.
De op zichzelf legitieme wens van [gedaagden] om zijn eigendom te beveiligen vormt onvoldoende rechtvaardiging voor een dergelijke inbreuk. [gedaagden] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat zijn achtertuin een afgesloten erf betreft. [gedaagden] heeft gesteld dat zijn auto een paar keer is bekrast en dat hij, mocht dat nog eens gebeuren, wil kunnen achterhalen hoe dat is gebeurd. De camera die is gericht op de auto is niet een van de camera’s waar de vordering van [eiser] op ziet. [gedaagden] stelt dat hij de camera’s juist hoog heeft opgehangen omdat ze dan niet makkelijk gesaboteerd kunnen worden. [gedaagden] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat het doel van het ophangen van de camera’s niet kan worden bereikt als de camera’s op een andere plaats zouden worden bevestigd, op een zodanige wijze dat het perceel van [eiser] niet meer in beeld zal zijn en binnen het geluidsbereik van de camera’s valt. Op de vraag van de voorzieningenrechter of de camera’s elders op de gevels kunnen worden heeft [gedaagden] geantwoord daartegen bezwaar te hebben omdat hij de camera’s op de huidige locatie heeft aangebracht in verband met de aansluiting op de elektriciteit.Als hij de camera’s lager zou ophangen moet hij sleuven in de muren maken om de leidingen weg te kunnen werken. De voorzieningenrechter daarom stelt vast dat de plaats van de camera’s met name vanuit praktisch oogpunt is bepaald en niet zozeer om veiligheidsredenen.
5.17.
Dit alles betekent dat er geen rechtvaardigingsgrond aanwezig is voor het plaatsen van de beide camera’s op de plek waar ze nu hangen en dat het gebruik van de camera’s ook niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het belang van [eiser] bij verwijdering dan wel verplaatsing van de camera’s weegt zwaarder dan het belang van [gedaagden] bij het behoud daarvan op de huidige locatie. Vordering III wordt daarom toegewezen.
staken beschuldigingen
5.18.
[eiser] stelt dat [gedaagden] nalaat om op een persoonlijke en constructieve manier contact met hem te zoeken en dat hij stelselmatig wordt geconfronteerd met formele brieven, handhavings-verzoeken en andere ongegronde aantijgingen door [gedaagden] . Telkens als hij bezwaren en ver-wijten van [gedaagden] adequaat en feitelijk weerlegt komen er weer nieuwe bezwaren en verwijten, zonder een feitelijke onderbouwing of aantoonbare (juridische) grondslag. [eiser] wil dat deze voortdurende, ongegronde beschuldigingen worden gestaakt.
5.19.
[gedaagden] stelt dat hij vanaf 2022 bijna dagelijks last heeft van het gedrag van [eiser] . Hij is al tijden aan het bouwen in zijn tuin, heeft daartoe eigendommen van [gedaagden] beschadigd en verplaatst en hij veroorzaakt structureel geluidsoverlast.
5.20.
De voorzieningenrechter wijst vordering IV als té vergaand en onvoldoende concreet af. [gedaagden] stelt terecht dat hij een wettelijk recht heeft om meldingen te doen bij/vragen te stellen aan de instanties die gaan over vergunningen en handhaving en met de uitoefening van controle(s). Ook kan [gedaagden] niet op voorhand worden verboden om [eiser] aansprakelijk te stellen voor door [gedaagden] gepretendeerde schade of gesteld onrechtmatig handelen. Door de rechter dient in voorkomende gevallen te worden vastgesteld of er sprake is van misbruik van procesrecht.
dwangsommen
5.21.
De voorzieningenrechter ziet op dit moment nog geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom zoals onder V gevorderd, omdat er geen aanwijzingen zijn dat [gedaagden] niet aan de hem gegeven veroordeling zal voldoen. Mocht dat toch het geval zijn dan kan [eiser] de voorzieningenrechter verzoeken alsnog dwangsommen op te leggen.
proceskosten
5.22.
Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld zal de voorzieningenrechter de kosten van het geding compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.