Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-07-01
ECLI:NL:RBZWB:2025:4532
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,794 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/436135 / JE RK 25-1006
Datum uitspraak: 1 juli 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.T.A.G. Keller te Tilburg,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
- de door de kinderrechter in deze rechtbank op 5 juni 2025 gegeven beschikking en de daarin genoemde stukken;
- het op 16 juni 2025 van mr. Keller ontvangen bericht, houdende een verzoek tot het verlenen van bijzondere toegang aan mevrouw [naam] ;
- het op 17 juni 2025 van de GI ontvangen bericht, betreffende beeldvorming over [minderjarige] en het advies van Sterk Huis.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 17 juni 2025. Daarbij zijn verschenen:
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de taal Libisch-Arabisch;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
Verder is bijzondere toegang verleend aan mevrouw [naam] , vriendin/ondersteuner van de moeder.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2De nadere beoordeling
2.1.
Bij mondelinge beslissing van 2 juni 2025, schriftelijk uitgewerkt op 5 juni 2025, is -voor zover hier van belang- de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 6 juni 2026. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 1 september 2025, waarbij als voorwaarde is gesteld dat [minderjarige] samen met de moeder geplaatst blijft op een groep van en binnen Sterk Huis dan wel dat de moeder en [minderjarige] geplaatst blijven binnen Sterk Huis zoals thans het geval is. Het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden tot de mondelinge behandeling van 11 augustus 2025 om 13.00 uur van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
2.2.
Op 5 juni 2025 heeft de GI de kinderrechter verzocht een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken, uitvoerbaar bij voorraad en zonder de belanghebbenden te horen. Voorts heeft de GI verzocht aansluitend een reguliere machtiging te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.Bij beschikking van diezelfde datum is de verzochte spoedmachtiging afgewezen en de behandeling van het reguliere verzoek aangehouden tot de mondelinge behandeling van 17 juni 2025 om 11.15 uur.
2.3.
Ter beoordeling ligt nu dan ook voor het verzoek van de GI om een (reguliere) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.4.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat zij het om meerdere redenen niet eens is met de beschikking van 2 juni 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI desgevraagd medegedeeld dat er geen sprake is van gewijzigde feiten en/of omstandigheden ten opzichte van de feiten en omstandigheden die de kinderrechter oorspronkelijk ten grondslag heeft gelegd aan de beslissing van 2 juni 2025.
2.5.
De kinderrechter constateert derhalve dat de GI op 5 juni 2025 opnieuw een beslissing vraagt op een verzoek waarover een aantal dagen eerder, namelijk op 2 juni 2025, al een beslissing door de kinderrechter is gegeven. Dit is in strijd met de goede procesorde en het systeem van de wet. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen maakt dat de procedure niet opnieuw kan worden overgedaan in eerste aanleg. Indien de GI het niet eens is met de beslissing van 2 juni 2025 dient zij daartegen hoger beroep in te stellen.
2.6.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de GI niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek, zodat aan een inhoudelijke beoordeling niet wordt toegekomen.
2.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
3.1.
verklaart de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pellikaan, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2025, in aanwezigheid van Baremans, als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.