Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-07-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:4527
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,820 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2425
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 30 december 2024 tegen de verleende omgevingsvergunning van 25 november 2024 voor het realiseren van een mestbassin c.q. waterbassin op het adres [adres] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 30 december 2024. Het college had tot 1 april 2025 om op het bezwaar te beslissen. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft het college op 14 april 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
4. Omdat het college nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Het college geeft in het verweerschrift van 13 juni 2025 aan dat het besluit omgevingsvergunning gebreken bevat en bij de beoordeling van de aanvraag onjuistheden over het hoofd zijn gezien. Deze gebreken kunnen niet hersteld worden bij de beslissing op bezwaar zonder de grondslag van de aanvraag te verlaten. Na minnelijk overleg met de aanvrager/vergunninghouder is gebleken dat toch meer onderzoek noodzakelijk is vanwege de gewijzigde wetgeving. De primaire aanvraag was ingediend op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), terwijl nu een nieuwe aanvraag getoetst dient te worden aan de Omgevingswet (Ow) en haar vergunningplichten.
4.3.
Er is verzocht om instemming met aanhouding van de beslistermijn vanwege het minnelijk overleg. Eiser heeft hier niet mee ingestemd, waarna ingebrekestelling is gevolgd.
Het college heeft vergunninghouder verzocht voor 18 juni 2025 te laten weten of de omgevingsvergunning moet worden ingetrokken en daarmee het bezwaarschrift komt te vervallen, of dat vergunninghouder een hoorzitting bij de commissie bezwaarschriften wenst. In het laatste geval zal besluitvorming op het bezwaarschrift zeker nog twaalf weken duren.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een langere termijn dan twee weken wenselijk. De rechtbank acht het in dit geval redelijk dat het college een nadere beslistermijn van twaalf weken krijgt om alsnog te beslissen op het bezwaar.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
6. Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Het college heeft de hoogte van de dwangsom met de beslissing van 5 juni 2025 reeds vastgesteld. De rechtbank zal de dwangsom dus niet vaststellen nu het college dit zelf al gedaan heeft.
Conclusie
7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het college de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt het college op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van J. Stevens, griffier, op 14 juli 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.