Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-03
ECLI:NL:RBZWB:2025:44
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,742 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/430405 / JE RK 25-7
Datum uitspraak: 3 januari 2025
Beschikking spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE SCHOUWEN-DUIVELAND, zetelende te Zierikzee,
hierna te noemen: het college,
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] , Oekraïne,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. Van Acker te Sint Jansteen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het mondelinge spoedverzoek van het college van 3 januari 2025;
1.2.
Aan [minderjarige] is als advocaat toegevoegd mr. Van Acker te Sint Jansteen.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Volgens de informatie van het college is er met de vader ( [naam 1] ) geen contact (mogelijk). Hij zou zich hebben aangesloten bij een Russisch regiment en onbekend is waar hij verblijft. Zo de vader al gezag zou hebben, oefent de moeder krachtens artikel 1:253r jo. artikel 1:253q van het Burgerlijk Wetboek op dit moment alleen het gezag uit.
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder, maar verblijft sinds 20 december 2024 feitelijk op een [crisislocatie] , te weten [jeugdzorginstelling] te [plaats] .
3Het verzoek
3.1.
Het college heeft mondeling verzocht een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van zes maanden. Het college verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
Nadat de kinderrechter heeft gewezen op artikel 6.1.12 lid 2 van de Jeugdwet, waarin staat dat een spoedmachtiging voor ten hoogste vier weken geldt, heeft het college aangegeven dat zal worden overwogen om voor de mondelinge behandeling ook een regulier verzoek gesloten plaatsing (artikel 6.1.2 Jeugdwet) in te dienen.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Volgens de mondelinge informatie van het college hebben [minderjarige] en haar vader de Oekraïense nationaliteit en heeft de moeder de Russische nationaliteit. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
4.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] ten tijde van het verzoek van het college in Nederland was, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe.
4.3.
Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Beoordeling
4.4.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet dient onmiddellijke verlening van jeugdzorg noodzakelijk te zijn indien naar het oordeel van de kinderrechter:
jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;
de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en
er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
4.5.
Uit de mondeling toelichting van het college blijkt dat er ernstige zorgen zijn over de situatie van de [minderjarige] . Volgens de informatie van het college is [minderjarige] , na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne bij haar moeder in Nederland gaan wonen. In de thuissituatie bij de moeder is het vervolgens volledig uit de hand gelopen. Er is sprake van fysiek geweld tussen [minderjarige] en de moeder, zodanig dat er door een eerder betrokken forensisch verpleegkundige blauwe plekken en letsel bij [minderjarige] zijn geconstateerd. Ook zou [minderjarige] haar jongere broertje bijten. Daarnaast vertoont [minderjarige] wegloopgedrag en is er sprake van schoolverzuim. [minderjarige] is vermoedelijk belast met trauma’s en hechtingsproblematiek. Vanwege deze situatie is [minderjarige] inmiddels drie keer een periode op [jeugdzorginstelling] verbleven, namelijk in september 2024, in november 2024, en recent opnieuw, sinds 20 december 2024. Sinds november 2024 is MST-Can ingezet in de thuissituatie, maar dit kan niet goed opstarten, omdat [minderjarige] daar niet aan meewerkt.
4.6.
Inmiddels is ook de situatie op [jeugdzorginstelling] onhoudbaar geworden. Volgens de informatie van het college, is gebleken dat [minderjarige] zich via internet seksueel en mogelijk in ruil voor drank en drugs aan (Russische) mannen aanbiedt, zonder dat [minderjarige] de ernst daarvan lijkt in te zien. Daarnaast is [minderjarige] meermaals van [jeugdzorginstelling] weggelopen. Dit heeft zij onder andere gedaan met een jongen die ook op [jeugdzorginstelling] verblijft en met wie zij seksueel actief is. Toen [minderjarige] met deze jongen terugkwam op [jeugdzorginstelling] , hebben zij zich in een kamer opgesloten en een deur gebarricadeerd. De situatie is vervolgens verder geëscaleerd waarbij [minderjarige] een begeleider tussen de deur heeft gezet en geprobeerd heeft deze dicht te doen. Ook heeft [minderjarige] aangegeven dat zij haar moeder zal neersteken zodra zij haar ziet. [jeugdzorginstelling] heeft op 3 januari 2025 aangegeven [minderjarige] niet meer te kunnen opvangen.
4.7.
De onafhankelijke gedragswetenschapper, de heer [naam 2] heeft de [minderjarige] op 3 januari 2025 om 20:00 uur in persoon onderzocht en heeft op basis daarvan en op basis van de beschikbare schriftelijke informatie in het dossier mondeling ingestemd met het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp ten behoeve van [minderjarige] . De gedragswetenschapper heeft toegezegd zijn instemmende verklaring op schrift te stellen en [minderjarige] nogmaals te bezoeken.
4.8.
Het college heeft een door de moeder ondertekende verklaring overgelegd, waaruit blijkt dat de moeder instemt met het verzoek.
4.9.
Op basis van de hiervoor beschreven mondelinge informatie is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
4.10.
De kinderrechter is gelet op de ernst van de situatie en het wegloopgedrag van [minderjarige] verder van oordeel dat de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Daarom zal de kinderrechter het spoedverzoek toewijzen in die zin dat zij een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] zal verlenen voor de duur van twee weken, met ingang van 3 januari 2025 en tot 17 januari 2025. Het resterende deel van het spoedverzoek zal worden aangehouden tot de hierna te noemen mondelinge behandeling. Verdere beslissingen zal de kinderrechter pas nemen nadat zij partijen in de gelegenheid heeft gesteld om hierover te worden gehoord.
4.11.
De kinderrechter verzoekt het college de schriftelijke verklaring van de gedragswetenschapper uiterlijk op 10 januari 2025 bij de rechtbank in te dienen en naar de belanghebbenden te sturen.
4.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
5.1.
verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken, met ingang van 3 januari 2025 en tot 17 januari 2025;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat het college, [minderjarige] en haar advocaat en de moeder zullen worden gehoord tijdens de mondelinge behandeling op [datum] 2025 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg, ten overstaan van de kinderrechter, mr. De Beer, voor de duur van ongeveer 45 minuten;
5.3.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor het college, [minderjarige] , haar advocaat en de moeder;
5.4.
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2025 door mr. Haesen, kinderrechter, en is op schrift gesteld op 6 januari 2025 in aanwezigheid van mr. De Haas.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.