Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-19
ECLI:NL:RBZWB:2025:4338
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
15,842 tokens
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/435575 / KG ZA 25-236
Vonnis in kort geding van 19 juni 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.P. van Someren Gréve,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. F. Sanders.
1De zaak in het kort
1.1.
[gedaagde] heeft [eiser] als onderaannemer ingeschakeld voor het realiseren van ongeveer 83.000 m² dakbedekking van een distributiecentrum. De door [eiser] gebruikte (van een derde afkomstige) isolatieplaten zijn op enig moment krom gaan trekken. Dit heeft tot gevolg dat de gehele dakbedekking moet worden verwijderd en opnieuw moet worden gelegd. [gedaagde] heeft de overeenkomst met [eiser] op 12 mei 2025 ontbonden. Deze zaak gaat met name over de vraag of deze ontbinding terecht was.
1.2.
[eiser] vindt van niet en vordert primair om toegelaten te worden om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Subsidiair wil [eiser] toegang tot de werkplaats en plaatsing van een verklaring op de website van [gedaagde] . In alle gevallen wil [eiser] betaling van de restant aanneemsom van bijna 6 ton en een verbod op het doen van negatieve uitlatingen. Volgens [gedaagde] is de ontbinding rechtsgeldig en moeten alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
1.3.
De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat [gedaagde] de ontbinding van de overeenkomst terecht heeft ingeroepen. De vorderingen die verband houden met ontbinding van de overeenkomst worden afgewezen. Ook de overige vorderingen van [eiser] worden afgewezen, bij gebrek aan grondslag of spoedeisend belang.
2Het verloop van de procedure
2.1.
[eiser] heeft [gedaagde] op 28 mei 2025 in kort geding gedagvaard. [gedaagde] heeft op de inhoud van de dagvaarding gereageerd in haar conclusie van antwoord in kort geding. Van de kant van [eiser] zijn in totaal 44 producties ontvangen en van de kant van de [gedaagde] in totaal 13 producties. De zaak is besproken tijdens de zitting van 5 juni 2025. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat besproken is. De advocaten van beide partijen hebben tijdens de zitting gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.
2.2.
Partijen hebben na afloop van de zitting een poging gedaan om tot een onderlinge regeling te komen. Partijen hebben de voorzieningenrechter op 11 juni 2025 geïnformeerd dat zij daar niet in zijn geslaagd en hebben gevraagd om een vonnis.
Feiten
3.1.
[eiser] is een dakbedekkingsbedrijf. [eiser] is gespecialiseerd in dakbedekking voor industriële gebouwen.
3.2.
[gedaagde] is een bouwbedrijf dat gespecialiseerd is in de bouw van grote projecten.
3.3.
[gedaagde] heeft van [naam] de opdracht gekregen om een distributiecentrum te bouwen in [plaats 2] . [gedaagde] heeft [eiser] in onderaanneming gecontracteerd voor het leveren en monteren van de dampremmende laag, isolatieplaten en de daarboven aan te brengen laag dakbedekking over het volledige dakoppervlak van het distributiecentrum. Het gaat om ongeveer 83.000 m². De overeenkomst van onderaanneming (hierna: de overeenkomst) is op 15 oktober 2024 ondertekend.
3.4.
In de overeenkomst is bepaald dat [eiser] onder de afgesloten CAR-verzekering van [gedaagde] of haar opdrachtgever valt voor wat betreft de in de CAR-polis vermelde schadeveroorzakende gebeurtenissen.
3.5.
[eiser] is in het najaar van 2024 gestart met haar werkzaamheden. Op 4 december 2024 heeft [eiser] voor het eerst gezien dat de door haar verwerkte isolatieplaten op het dak kromtrokken. [eiser] heeft deze isolatieplaten ingekocht bij een derde partij. Rond 15 februari 2025 waren alle geleverde isolatieplaten volledig verwerkt. Partijen zijn het erover eens dat de gebruikte isolatieplaten en dat die platen (en vervolgens ook de bovenliggende dakbedekking) volledig moeten worden vervangen.
3.6.
[gedaagde] heeft [eiser] per e-mail van 28 januari 2025 in gebreke gesteld:
“Op 7 januari hebben wij gebreken geconstateerd aan het dak dat u conform de met ons gesloten aannemingsovereenkomst aanbrengt in het werk intergamma [plaats 2] . De dakisolatie trekt krom en tekent af in de dakbedekking. Op 14 januari jl. heeft u samen met de leverancier en producent een opname ter plaatse gedaan. Hierbij is een forse krimp van de dakisolatie geconstateerd. De producent heeft een isolatieplaat meengenomen voor nader onderzoek. U hebt aangegeven hier deze week een reactie op te verwachten.
Los van de oorzaak van de krimp en het kromtrekken staat nu al vast dat de gerealiseerde dakbedekking niet voldoet aan gesloten overeenkomst en de eisen van goed en deugdelijk werk. Om die reden zijn wij dan ook genoodzaakt u in gebreke te stellen en te verzoeken de gebreken aan het dak volledig herstellen (en ook alle overige werkzaamheden aan het dak te hebben afgerond) op uiterlijk 16 mei 2025. Dit zodat wij het pand tijdig kunnen opleveren aan onze opdrachtgever.
Graag ontvangen wij uiterlijk woensdag 5 februari a.s. per mail van uw bevestiging dat u over zult gaan tot herstel van de gebreken binnen de genoemde termijn. Indien voornoemde bevestiging achterwege blijft verkeert u in verzuim en behouden wij ons onze rechten voor om een derde opdracht te geven voor de uitvoering van de werkzaamheden en de kosten daarvan alsmede de overige schade op u te verhalen. (…)”
3.7.
De advocaat van [eiser] heeft in een reactie van 6 februari 2025 aangegeven dat de gestelde gebreken in overleg met de leverancier en producent grondig worden onderzocht. Zolang dit onderzoek loopt kan [eiser] geen aansprakelijkheid erkennen voor de gestelde gebreken en kan niet bevestigd worden dat [eiser] zal overgaan tot herstel voor 16 mei 2025, aldus [eiser] .
3.8.
[gedaagde] heeft in reactie daarop per e-mail van 12 februari 2025 opnieuw gevraagd om de bevestiging dat [eiser] tot het gevraagde tijdig herstel zal overgaan. “Immers, of een gebrek nu wel of niet onder de CAR-verzekering valt, het zal tijdig – dus ruim voor de door [gedaagde] met haar Opdrachtgever overeengekomen opleverdatum – verholpen dienen te worden”, aldus [gedaagde] .
3.9.
In een brief van 2 april 2025 aan [gedaagde] beschrijft de advocaat van [eiser] dat partijen in een impasse zijn beland, omdat geen van de betrokken verzekeraars verantwoordelijkheid neemt voor de situatie. [eiser] heeft een offerte opgesteld voor de verwijdering en afvoering van het complete dakpakket en de opbouw van een compleet nieuw dakpakket. “ is bereid deze werkzaamheden met de grootst mogelijke spoed uit te voeren, maar daarvoor is wel nodig dat zij als schade lijdende partij een beroep kan doen op de CAR-verzekering. [eiser] vertrouwt er dan ook op dat u dat succesvol onder de aandacht van uw tussenpersoon en verzekeraar kunt brengen”, aldus [eiser] .
3.10.
De in de brief genoemde offerte is op 7 april 2025 aan [gedaagde] toegezonden. [gedaagde] heeft op dezelfde dag in een reactie aangegeven dat er al een overeenkomst bestaat op basis waarvan de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. [gedaagde] heeft haar reactie afgesloten met de toezegging dat zij zich weer zou melden zodra er meer duidelijkheid vanuit de CAR-verzekeraar zou zijn. “In de tussentijd gaan wij er van uit dat [eiser] – ook gelet op de beperking van verdere vertragingsschade zoals je zelf al aangeeft – alvast een aanvang gemaakt met het vervangen van het dakbedekkingspakket,” aldus [gedaagde] .
3.11.
Bij brief van 22 april 2025 heeft [gedaagde] [eiser] verzocht om uiterlijk vrijdag 25 april 2025 voor 12:00 uur schriftelijk onvoorwaardelijk te bevestigen dat [eiser] het gebrek zal herstellen en zal overgaan tot een (alsnog) deugdelijke nakoming van de verplichtingen uit de gesloten overeenkomst.
3.12.
[eiser] is in haar reactie van 25 april 2025 ingegaan op deze brief van [gedaagde] en overige correspondentie met de verzekeraars. [eiser] stelt in de brief dat de CAR-verzekeraars zich op het standpunt stellen dat projecten stil zullen blijven liggen zolang [eiser] de inhoud van een door SGS opgestelde rapportage niet met hen deelt. [eiser] formuleert in de brief een voorstel waaronder zij bereid is de betreffende rapportage te delen. Als voorwaarden noemt zij onder meer ontvangst van de bevestiging vanuit de CAR-verzekeraar dat de kosten van herstel direct aan [eiser] zullen worden betaald en de bevestiging vanuit [gedaagde] dat de resterende bedragen die zijn verschuldigd op grond van de overeenkomst zullen worden betaald. [eiser] staat klaar om te beginnen en is bereid daarvoor ruimte vrij te maken, aldus [eiser] ter afsluiting van haar brief.
3.13.
Bij brief gedateerd 7 mei 2025 heeft [gedaagde] geconstateerd dat [eiser] de gevraagde onvoorwaardelijke toezegging om tot herstel van het dak over te gaan niet heeft ontvangen. [gedaagde] heeft [eiser] gesommeerd om uiterlijk 9 mei 2025 om 12:00 uur schriftelijk te bevestigen dat zij onvoorwaardelijk zal overgaan tot herstel. [gedaagde] heeft aangegeven rechtsmiddelen en/of ontbinding van de overeenkomst te overwegen indien de bevestiging niet of niet tijdig zou worden gegeven.
3.14.
Per e-mail van 12 mei 2025 heeft de advocaat van [eiser] aangegeven de betreffende brief op vrijdag 9 mei 2025 te hebben ontvangen en zo spoedig mogelijk op de inhoud terug te zullen komen.
3.15.
In reactie daarop heeft [gedaagde] bij brief van 12 mei 2025 de overeenkomst per direct ontbonden en aanspraak gemaakt op terugbetaling van de reeds betaalde delen van de aanneemsom, in totaal een bedrag van € 1.620.926,75 exclusief btw.
3.16.
[eiser] heeft zich op 14 mei 2025 middels een uitgebreide brief van haar advocaat verzet tegen ontbinding van de overeenkomst. Zij heeft [gedaagde] gesommeerd om uiterlijk donderdag 15 mei 2025 om 17:00 uur te bevestigen dat zij de ontbindingsverklaring van de overeenkomst herroept.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair:
I. [gedaagde] gebiedt om haar verplichtingen uit de overeenkomst na te komen en [eiser] toe te laten over te gaan tot de uitvoering van herstelwerkzaamheden totdat de overeenkomst rechtsgeldig eindigt, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de dwangsom vanaf het moment dat deze verschuldigd wordt tot het moment van volledige betaling,
II. [gedaagde] gebiedt ervoor te zorgen dat de voor herstel ingeschakelde derde per direct de herstelwerkzaamheden staakt en gestaakt houdt, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dagdeel met een maximum van € 500.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de dwangsom vanaf het moment dat deze verschuldigd wordt tot het moment van volledige betaling,
subsidiair, voor zover de primaire vorderingen geheel of gedeeltelijk worden afgewezen:
III. [gedaagde] gebiedt om [eiser] per direct onvoorwaardelijk dan wel twee keer per dag twee uur toegang te verlenen tot de werkplaats of op een andere manier toe te staan de herstelwerkzaamheden te bekijken en haar bewijspositie te verzekeren, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de dwangsom vanaf het moment dat deze verschuldigd wordt tot het moment van volledige betaling,
IV. [gedaagde] gebiedt om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis (1) op een duidelijk zichtbare plaats op haar website de volgende verklaring te plaatsen en geplaatst te houden en (2) diezelfde verklaring op officieel briefpapier te laten opstellen door haar directie, ondertekend door haar statutair bestuurders:“Beste lezer,
Wij willen u graag informeren over de situatie rondom het herstel van de dakbedekking voor het project lntergamma te [plaats 2] . U heeft wellicht gehoord dat het herstel niet door [eiser] , maar door een andere partij wordt uitgevoerd.
Graag informeren wij u dat deze keuze niets te maken heeft met de kwaliteit van het werk dat [eiser] eerder heeft geleverd. Er zijn geen tekortkomingen vastgesteld in de werkzaamheden van [eiser] die aanleiding zijn geweest om het herstel aan een andere partij toe te vertrouwen. De geconstateerde problemen ten aanzien van de dakbedekking zijn het gevolg van een product dat door een derde partij is geleverd en staat los van de uitvoering door [eiser] .
Daarnaast willen wij benadrukken dat de keuze voor een andere partij voor het herstel op geen enkele wijze verband houdt met de financiële positie van [eiser] ; er is geen enkel bewijs dat deze niet in orde zou zijn. Hierover moeten geen misverstanden bestaan.”,
op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 500.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de dwangsom vanaf het moment dat deze verschuldigd wordt tot het moment van volledige betaling,
zowel primair als subsidiair:
V. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] een bedrag van € 599.175,75 (exclusief btw) te betalen als voorschot op de verschuldigde restant aanneemsom, althans als voorschot op de schadevergoeding wegens onrechtmatige ontbinding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente of de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot de dag van volledige betaling,
VI. [gedaagde] gebiedt om zich niet negatief of nadelig uit te laten over [eiser] en/of de door haar verrichte werkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt met een maximum van € 500.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de dwangsom vanaf het moment dat deze verschuldigd wordt tot het moment van volledige betaling,
VII. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de derde dag na betekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
De voorzieningenrechter gaat hierna in op de relevante standpunten die partijen ter onderbouwing van hun vorderingen en het verweer daartegen hebben ingenomen.
Beoordeling
Aard van de procedure
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Hiervan is sprake als er onmiddellijke maatregelen nodig zijn en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Als er sprake is van een spoedeisend belang komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling.
5.2.
In een kort geding beoordeelt de voorzieningenrechter of het waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure een beslissing zal worden genomen die in het voordeel van de eisende partij zal zijn. Als dat voldoende waarschijnlijk is, kan de maatregel die daarop vooruit loopt in een kort geding worden toegewezen. De beoordeling in dit kort geding is dus een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. De rechter die in een bodemprocedure oordeelt over de vorderingen is niet gebonden aan het voorlopig oordeel in kort geding. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is vanwege het spoedeisende karakter van een kort geding als uitgangspunt geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure.
Spoedeisend belang
5.3.
Vaststaat dat een derde partij momenteel bezig is met het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan het dak. [eiser] vordert om in plaats van deze derde toegelaten te worden tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden of om toegang te krijgen tot de bouwplaats om de herstelwerkzaamheden door de derde te bekijken. Een bodemprocedure zou wat betreft deze vorderingen als mosterd na de maaltijd komen. [eiser] heeft dan ook een spoedeisend belang bij deze vorderingen. Dit is ook niet weersproken door [gedaagde] .
5.4.
Dit ligt anders voor wat betreft de gevorderde restant aanneemsom. De voorzieningenrechter komt daarop terug bij de bespreking van die betreffende vordering.
De ontbinding van de overeenkomst
De maatstaf
5.5.
Bij de beoordeling van de vorderingen van [eiser] staat centraal of [gedaagde] de overeenkomst terecht heeft ontbonden of niet.
5.6.
De wet geeft een partij het recht om een overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden indien de wederpartij in de nakoming van die overeenkomst tekortschiet. Uitzondering geldt in het geval de tekortkoming een ontbinding van de overeenkomst gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis niet rechtvaardigt (de tenzij clausule in het wetsartikel). Indien nakoming van de overeenkomst onmogelijk is kan direct worden ontbonden. Is nakoming van de overeenkomst nog wel mogelijk, dan mag pas worden ontbonden op het moment dat de tekortschietende partij in verzuim is.
Tekortkoming
5.7.
[eiser] stelt dat de overeenkomst geen fatale termijn voor oplevering of herstel bevat. Zolang haar verplichting tot het opleveren van een deugdelijke dakbedekking nog niet opeisbaar is geworden, kan van een tekortkoming aan de kant van [eiser] geen sprake zijn, aldus [eiser] .
5.8.
Volgens [gedaagde] zijn partijen overeengekomen dat [eiser] zich aan de planning van [gedaagde] als hoofdaannemer moest houden. Er is volgens haar wel degelijk sprake van een gebrek: de isolatieplaten zoals die zijn verwerkt in het gehele dak zijn kromgetrokken.
5.9.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is duidelijk dat er sprake is van een tekortkoming door [eiser] in de nakoming van de overeenkomst. De opdracht was immers om het dak deugdelijk te bedekken. Doordat de verwerkte isolatieplaten krom zijn gaan trekken is daar geen sprake van. [eiser] erkent ook dat de kromgetrokken isolatieplaten niet voldoen. [gedaagde] heeft [eiser] meerdere malen gevraagd om te bevestigen dat zij tot herstel van het gebrek zou overgaan. Deze bevestiging is niet zonder voorwaarden door [eiser] gegeven. Of er al dan niet een fatale termijn voor oplevering is afgesproken (partijen zijn het daar niet over eens) staat niet aan het aannemen van een tekortkoming in de weg (artikel 6:80 lid 1 sub c BW).
5.10.
Partijen zijn het er over eens dat de tekortkoming moet worden hersteld door de dakbedekking volledig te vervangen. Omdat herstel van de tekortkoming mogelijk is, moet worden beoordeeld of [eiser] in verzuim is geraakt. De zaak concentreert zich op dit onderwerp.
Uitzondering (tenzij clausule)
5.11.
Nu voor herstel nodig is dat de dakbedekking volledig wordt vervangen, wordt ook meteen duidelijk dat de uitzondering op de bevoegdheid om te ontbinden niet opgaat. Het gaat om ongeveer 83.000 m² dakbedekking. Van een geringe betekenis van de tekortkoming is geen sprake. Ook van een bijzondere aard van de tekortkoming blijkt niet. [eiser] heeft dat ook niet gesteld. Haar beroep op de uitzondering onderbouwt zij door te stellen dat de vertraging in de uitvoering van herstelwerkzaamheden niet aan haar ligt, maar aan de onduidelijke en trage besluitvorming van de CAR-verzekeraars. Dat is echter niet relevant in het kader van een beroep op de uitzondering. De CAR-verzekeraar is geen partij bij de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] .
Verzuim
5.12.
[gedaagde] voert aan vier keer een zogenaamde getrapte ingebrekestelling te hebben verstuurd. Zij wijst op de brieven van 28 januari, 12 februari, 22 april en tot slot 7 mei 2025. [gedaagde] heeft [eiser] gesommeerd te bevestigen dat zij onvoorwaardelijk het herstel van het dak zou uitvoeren. Een dergelijke onvoorwaardelijke toezegging is nooit ontvangen van [eiser] . Zij kwam telkens met voorwaarden, met name op het punt van (voor) financiering/dekking door de verzekeraar van de kosten van de herstelwerkzaamheden.
5.13.
[eiser] betwist in verzuim te zijn geraakt. Zij stelt dat zij zich vanaf het begin af aan uitdrukkelijk bereid heeft getoond om het kromtrekken van de dakbedekking te herstellen en dat ze klaarstond om dit te doen. Voor verzuim is nodig dat de prestatie opeisbaar is geworden. Dat is alleen anders als één van de uitzonderingen van artikel 6:80 BW van toepassing is. Ook voert [eiser] aan dat zij en [gedaagde] continu in overleg waren en in gezamenlijk overleg de koers bepaalden. Niet voor niets gaf [gedaagde] nooit gevolg aan de vier brieven die zij aanhaalt. De inhoud ervan strookt totaal niet met de inhoud van het overleg tussen partijen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] er alles aan gedaan om de stekker eruit te kunnen trekken op het moment dat de herstelmethodiek door de CAR-verzekeraars zou worden bevestigd. [eiser] heeft daardoor nooit de kans gekregen tot herstel over te gaan. [gedaagde] heeft [eiser] voor haar karretje gespannen, aldus [eiser] .
5.14.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er sprake van verzuim aan de kant van [eiser] . [eiser] is op 28 januari 2025 gevraagd om binnen een termijn van acht dagen te bevestigen dat zij (onvoorwaardelijk) tot herstel zou overgaan. Voor dit herstel heeft [gedaagde] vervolgens tot 16 mei 2025 gelegenheid geboden. Deze termijn was ingegeven door de opleverdatum die [gedaagde] met [naam] had afgesproken. Noch naar aanleiding van deze brief, noch naar aanleiding van de daaropvolgende ingebrekestellingen, heeft [eiser] zonder mitsen en maren gezegd het herstel te zullen uitvoeren. [eiser] is ook nooit begonnen met herstelwerkzaamheden. Daar is wel om gevraagd door [gedaagde] .
Dictum
De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.553,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Fleskens en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.
Een getrapte ingebrekestelling houdt in dat enerzijds een termijn wordt gesteld waarbinnen de wederpartij moet toezeggen de gebreken te zullen herstellen en anderzijds een termijn waarbinnen de gebreken daadwerkelijk moeten zijn hersteld.
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/435575 / KG ZA 25-236
Vonnis in kort geding van 19 juni 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.P. van Someren Gréve,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. F. Sanders.
1De zaak in het kort
1.1.
[gedaagde] heeft [eiser] als onderaannemer ingeschakeld voor het realiseren van ongeveer 83.000 m² dakbedekking van een distributiecentrum. De door [eiser] gebruikte (van een derde afkomstige) isolatieplaten zijn op enig moment krom gaan trekken. Dit heeft tot gevolg dat de gehele dakbedekking moet worden verwijderd en opnieuw moet worden gelegd. [gedaagde] heeft de overeenkomst met [eiser] op 12 mei 2025 ontbonden. Deze zaak gaat met name over de vraag of deze ontbinding terecht was.
1.2.
[eiser] vindt van niet en vordert primair om toegelaten te worden om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Subsidiair wil [eiser] toegang tot de werkplaats en plaatsing van een verklaring op de website van [gedaagde] . In alle gevallen wil [eiser] betaling van de restant aanneemsom van bijna 6 ton en een verbod op het doen van negatieve uitlatingen. Volgens [gedaagde] is de ontbinding rechtsgeldig en moeten alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
1.3.
De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat [gedaagde] de ontbinding van de overeenkomst terecht heeft ingeroepen. De vorderingen die verband houden met ontbinding van de overeenkomst worden afgewezen. Ook de overige vorderingen van [eiser] worden afgewezen, bij gebrek aan grondslag of spoedeisend belang.
2Het verloop van de procedure
2.1.
[eiser] heeft [gedaagde] op 28 mei 2025 in kort geding gedagvaard. [gedaagde] heeft op de inhoud van de dagvaarding gereageerd in haar conclusie van antwoord in kort geding. Van de kant van [eiser] zijn in totaal 44 producties ontvangen en van de kant van de [gedaagde] in totaal 13 producties. De zaak is besproken tijdens de zitting van 5 juni 2025. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat besproken is. De advocaten van beide partijen hebben tijdens de zitting gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.
2.2.
Partijen hebben na afloop van de zitting een poging gedaan om tot een onderlinge regeling te komen. Partijen hebben de voorzieningenrechter op 11 juni 2025 geïnformeerd dat zij daar niet in zijn geslaagd en hebben gevraagd om een vonnis.
Feiten
3.1.
[eiser] is een dakbedekkingsbedrijf. [eiser] is gespecialiseerd in dakbedekking voor industriële gebouwen.
3.2.
[gedaagde] is een bouwbedrijf dat gespecialiseerd is in de bouw van grote projecten.
3.3.
[gedaagde] heeft van [naam] de opdracht gekregen om een distributiecentrum te bouwen in [plaats 2] . [gedaagde] heeft [eiser] in onderaanneming gecontracteerd voor het leveren en monteren van de dampremmende laag, isolatieplaten en de daarboven aan te brengen laag dakbedekking over het volledige dakoppervlak van het distributiecentrum. Het gaat om ongeveer 83.000 m². De overeenkomst van onderaanneming (hierna: de overeenkomst) is op 15 oktober 2024 ondertekend.
3.4.
In de overeenkomst is bepaald dat [eiser] onder de afgesloten CAR-verzekering van [gedaagde] of haar opdrachtgever valt voor wat betreft de in de CAR-polis vermelde schadeveroorzakende gebeurtenissen.
3.5.
[eiser] is in het najaar van 2024 gestart met haar werkzaamheden. Op 4 december 2024 heeft [eiser] voor het eerst gezien dat de door haar verwerkte isolatieplaten op het dak kromtrokken. [eiser] heeft deze isolatieplaten ingekocht bij een derde partij. Rond 15 februari 2025 waren alle geleverde isolatieplaten volledig verwerkt. Partijen zijn het erover eens dat de gebruikte isolatieplaten en dat die platen (en vervolgens ook de bovenliggende dakbedekking) volledig moeten worden vervangen.
3.6.
[gedaagde] heeft [eiser] per e-mail van 28 januari 2025 in gebreke gesteld:
“Op 7 januari hebben wij gebreken geconstateerd aan het dak dat u conform de met ons gesloten aannemingsovereenkomst aanbrengt in het werk intergamma [plaats 2] . De dakisolatie trekt krom en tekent af in de dakbedekking. Op 14 januari jl. heeft u samen met de leverancier en producent een opname ter plaatse gedaan. Hierbij is een forse krimp van de dakisolatie geconstateerd. De producent heeft een isolatieplaat meengenomen voor nader onderzoek. U hebt aangegeven hier deze week een reactie op te verwachten.
Los van de oorzaak van de krimp en het kromtrekken staat nu al vast dat de gerealiseerde dakbedekking niet voldoet aan gesloten overeenkomst en de eisen van goed en deugdelijk werk. Om die reden zijn wij dan ook genoodzaakt u in gebreke te stellen en te verzoeken de gebreken aan het dak volledig herstellen (en ook alle overige werkzaamheden aan het dak te hebben afgerond) op uiterlijk 16 mei 2025. Dit zodat wij het pand tijdig kunnen opleveren aan onze opdrachtgever.
Graag ontvangen wij uiterlijk woensdag 5 februari a.s. per mail van uw bevestiging dat u over zult gaan tot herstel van de gebreken binnen de genoemde termijn. Indien voornoemde bevestiging achterwege blijft verkeert u in verzuim en behouden wij ons onze rechten voor om een derde opdracht te geven voor de uitvoering van de werkzaamheden en de kosten daarvan alsmede de overige schade op u te verhalen. (…)”
3.7.
De advocaat van [eiser] heeft in een reactie van 6 februari 2025 aangegeven dat de gestelde gebreken in overleg met de leverancier en producent grondig worden onderzocht. Zolang dit onderzoek loopt kan [eiser] geen aansprakelijkheid erkennen voor de gestelde gebreken en kan niet bevestigd worden dat [eiser] zal overgaan tot herstel voor 16 mei 2025, aldus [eiser] .
3.8.
[gedaagde] heeft in reactie daarop per e-mail van 12 februari 2025 opnieuw gevraagd om de bevestiging dat [eiser] tot het gevraagde tijdig herstel zal overgaan. “Immers, of een gebrek nu wel of niet onder de CAR-verzekering valt, het zal tijdig – dus ruim voor de door [gedaagde] met haar Opdrachtgever overeengekomen opleverdatum – verholpen dienen te worden”, aldus [gedaagde] .
3.9.
In een brief van 2 april 2025 aan [gedaagde] beschrijft de advocaat van [eiser] dat partijen in een impasse zijn beland, omdat geen van de betrokken verzekeraars verantwoordelijkheid neemt voor de situatie. [eiser] heeft een offerte opgesteld voor de verwijdering en afvoering van het complete dakpakket en de opbouw van een compleet nieuw dakpakket. “ is bereid deze werkzaamheden met de grootst mogelijke spoed uit te voeren, maar daarvoor is wel nodig dat zij als schade lijdende partij een beroep kan doen op de CAR-verzekering. [eiser] vertrouwt er dan ook op dat u dat succesvol onder de aandacht van uw tussenpersoon en verzekeraar kunt brengen”, aldus [eiser] .
3.10.
De in de brief genoemde offerte is op 7 april 2025 aan [gedaagde] toegezonden. [gedaagde] heeft op dezelfde dag in een reactie aangegeven dat er al een overeenkomst bestaat op basis waarvan de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. [gedaagde] heeft haar reactie afgesloten met de toezegging dat zij zich weer zou melden zodra er meer duidelijkheid vanuit de CAR-verzekeraar zou zijn. “In de tussentijd gaan wij er van uit dat [eiser] – ook gelet op de beperking van verdere vertragingsschade zoals je zelf al aangeeft – alvast een aanvang gemaakt met het vervangen van het dakbedekkingspakket,” aldus [gedaagde] .
3.11.
Bij brief van 22 april 2025 heeft [gedaagde] [eiser] verzocht om uiterlijk vrijdag 25 april 2025 voor 12:00 uur schriftelijk onvoorwaardelijk te bevestigen dat [eiser] het gebrek zal herstellen en zal overgaan tot een (alsnog) deugdelijke nakoming van de verplichtingen uit de gesloten overeenkomst.
3.12.
[eiser] is in haar reactie van 25 april 2025 ingegaan op deze brief van [gedaagde] en overige correspondentie met de verzekeraars. [eiser] stelt in de brief dat de CAR-verzekeraars zich op het standpunt stellen dat projecten stil zullen blijven liggen zolang [eiser] de inhoud van een door SGS opgestelde rapportage niet met hen deelt. [eiser] formuleert in de brief een voorstel waaronder zij bereid is de betreffende rapportage te delen. Als voorwaarden noemt zij onder meer ontvangst van de bevestiging vanuit de CAR-verzekeraar dat de kosten van herstel direct aan [eiser] zullen worden betaald en de bevestiging vanuit [gedaagde] dat de resterende bedragen die zijn verschuldigd op grond van de overeenkomst zullen worden betaald. [eiser] staat klaar om te beginnen en is bereid daarvoor ruimte vrij te maken, aldus [eiser] ter afsluiting van haar brief.
3.13.
Bij brief gedateerd 7 mei 2025 heeft [gedaagde] geconstateerd dat [eiser] de gevraagde onvoorwaardelijke toezegging om tot herstel van het dak over te gaan niet heeft ontvangen. [gedaagde] heeft [eiser] gesommeerd om uiterlijk 9 mei 2025 om 12:00 uur schriftelijk te bevestigen dat zij onvoorwaardelijk zal overgaan tot herstel. [gedaagde] heeft aangegeven rechtsmiddelen en/of ontbinding van de overeenkomst te overwegen indien de bevestiging niet of niet tijdig zou worden gegeven.
3.14.
Per e-mail van 12 mei 2025 heeft de advocaat van [eiser] aangegeven de betreffende brief op vrijdag 9 mei 2025 te hebben ontvangen en zo spoedig mogelijk op de inhoud terug te zullen komen.
3.15.
In reactie daarop heeft [gedaagde] bij brief van 12 mei 2025 de overeenkomst per direct ontbonden en aanspraak gemaakt op terugbetaling van de reeds betaalde delen van de aanneemsom, in totaal een bedrag van € 1.620.926,75 exclusief btw.
3.16.
[eiser] heeft zich op 14 mei 2025 middels een uitgebreide brief van haar advocaat verzet tegen ontbinding van de overeenkomst. Zij heeft [gedaagde] gesommeerd om uiterlijk donderdag 15 mei 2025 om 17:00 uur te bevestigen dat zij de ontbindingsverklaring van de overeenkomst herroept.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair:
I. [gedaagde] gebiedt om haar verplichtingen uit de overeenkomst na te komen en [eiser] toe te laten over te gaan tot de uitvoering van herstelwerkzaamheden totdat de overeenkomst rechtsgeldig eindigt, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de dwangsom vanaf het moment dat deze verschuldigd wordt tot het moment van volledige betaling,
II. [gedaagde] gebiedt ervoor te zorgen dat de voor herstel ingeschakelde derde per direct de herstelwerkzaamheden staakt en gestaakt houdt, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dagdeel met een maximum van € 500.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de dwangsom vanaf het moment dat deze verschuldigd wordt tot het moment van volledige betaling,
subsidiair, voor zover de primaire vorderingen geheel of gedeeltelijk worden afgewezen:
III. [gedaagde] gebiedt om [eiser] per direct onvoorwaardelijk dan wel twee keer per dag twee uur toegang te verlenen tot de werkplaats of op een andere manier toe te staan de herstelwerkzaamheden te bekijken en haar bewijspositie te verzekeren, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de dwangsom vanaf het moment dat deze verschuldigd wordt tot het moment van volledige betaling,
IV. [gedaagde] gebiedt om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis (1) op een duidelijk zichtbare plaats op haar website de volgende verklaring te plaatsen en geplaatst te houden en (2) diezelfde verklaring op officieel briefpapier te laten opstellen door haar directie, ondertekend door haar statutair bestuurders:“Beste lezer,
Wij willen u graag informeren over de situatie rondom het herstel van de dakbedekking voor het project lntergamma te [plaats 2] . U heeft wellicht gehoord dat het herstel niet door [eiser] , maar door een andere partij wordt uitgevoerd.
Graag informeren wij u dat deze keuze niets te maken heeft met de kwaliteit van het werk dat [eiser] eerder heeft geleverd. Er zijn geen tekortkomingen vastgesteld in de werkzaamheden van [eiser] die aanleiding zijn geweest om het herstel aan een andere partij toe te vertrouwen. De geconstateerde problemen ten aanzien van de dakbedekking zijn het gevolg van een product dat door een derde partij is geleverd en staat los van de uitvoering door [eiser] .
Daarnaast willen wij benadrukken dat de keuze voor een andere partij voor het herstel op geen enkele wijze verband houdt met de financiële positie van [eiser] ; er is geen enkel bewijs dat deze niet in orde zou zijn. Hierover moeten geen misverstanden bestaan.”,
op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 500.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de dwangsom vanaf het moment dat deze verschuldigd wordt tot het moment van volledige betaling,
zowel primair als subsidiair:
V. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] een bedrag van € 599.175,75 (exclusief btw) te betalen als voorschot op de verschuldigde restant aanneemsom, althans als voorschot op de schadevergoeding wegens onrechtmatige ontbinding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente of de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot de dag van volledige betaling,
VI. [gedaagde] gebiedt om zich niet negatief of nadelig uit te laten over [eiser] en/of de door haar verrichte werkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt met een maximum van € 500.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de dwangsom vanaf het moment dat deze verschuldigd wordt tot het moment van volledige betaling,
VII. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de derde dag na betekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
De voorzieningenrechter gaat hierna in op de relevante standpunten die partijen ter onderbouwing van hun vorderingen en het verweer daartegen hebben ingenomen.
Beoordeling
Aard van de procedure
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Hiervan is sprake als er onmiddellijke maatregelen nodig zijn en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Als er sprake is van een spoedeisend belang komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling.
5.2.
In een kort geding beoordeelt de voorzieningenrechter of het waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure een beslissing zal worden genomen die in het voordeel van de eisende partij zal zijn. Als dat voldoende waarschijnlijk is, kan de maatregel die daarop vooruit loopt in een kort geding worden toegewezen. De beoordeling in dit kort geding is dus een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. De rechter die in een bodemprocedure oordeelt over de vorderingen is niet gebonden aan het voorlopig oordeel in kort geding. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is vanwege het spoedeisende karakter van een kort geding als uitgangspunt geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure.
Spoedeisend belang
5.3.
Vaststaat dat een derde partij momenteel bezig is met het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan het dak. [eiser] vordert om in plaats van deze derde toegelaten te worden tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden of om toegang te krijgen tot de bouwplaats om de herstelwerkzaamheden door de derde te bekijken. Een bodemprocedure zou wat betreft deze vorderingen als mosterd na de maaltijd komen. [eiser] heeft dan ook een spoedeisend belang bij deze vorderingen. Dit is ook niet weersproken door [gedaagde] .
5.4.
Dit ligt anders voor wat betreft de gevorderde restant aanneemsom. De voorzieningenrechter komt daarop terug bij de bespreking van die betreffende vordering.
De ontbinding van de overeenkomst
De maatstaf
5.5.
Bij de beoordeling van de vorderingen van [eiser] staat centraal of [gedaagde] de overeenkomst terecht heeft ontbonden of niet.
5.6.
De wet geeft een partij het recht om een overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden indien de wederpartij in de nakoming van die overeenkomst tekortschiet. Uitzondering geldt in het geval de tekortkoming een ontbinding van de overeenkomst gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis niet rechtvaardigt (de tenzij clausule in het wetsartikel). Indien nakoming van de overeenkomst onmogelijk is kan direct worden ontbonden. Is nakoming van de overeenkomst nog wel mogelijk, dan mag pas worden ontbonden op het moment dat de tekortschietende partij in verzuim is.
Tekortkoming
5.7.
[eiser] stelt dat de overeenkomst geen fatale termijn voor oplevering of herstel bevat. Zolang haar verplichting tot het opleveren van een deugdelijke dakbedekking nog niet opeisbaar is geworden, kan van een tekortkoming aan de kant van [eiser] geen sprake zijn, aldus [eiser] .
5.8.
Volgens [gedaagde] zijn partijen overeengekomen dat [eiser] zich aan de planning van [gedaagde] als hoofdaannemer moest houden. Er is volgens haar wel degelijk sprake van een gebrek: de isolatieplaten zoals die zijn verwerkt in het gehele dak zijn kromgetrokken.
5.9.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is duidelijk dat er sprake is van een tekortkoming door [eiser] in de nakoming van de overeenkomst. De opdracht was immers om het dak deugdelijk te bedekken. Doordat de verwerkte isolatieplaten krom zijn gaan trekken is daar geen sprake van. [eiser] erkent ook dat de kromgetrokken isolatieplaten niet voldoen. [gedaagde] heeft [eiser] meerdere malen gevraagd om te bevestigen dat zij tot herstel van het gebrek zou overgaan. Deze bevestiging is niet zonder voorwaarden door [eiser] gegeven. Of er al dan niet een fatale termijn voor oplevering is afgesproken (partijen zijn het daar niet over eens) staat niet aan het aannemen van een tekortkoming in de weg (artikel 6:80 lid 1 sub c BW).
5.10.
Partijen zijn het er over eens dat de tekortkoming moet worden hersteld door de dakbedekking volledig te vervangen. Omdat herstel van de tekortkoming mogelijk is, moet worden beoordeeld of [eiser] in verzuim is geraakt. De zaak concentreert zich op dit onderwerp.
Uitzondering (tenzij clausule)
5.11.
Nu voor herstel nodig is dat de dakbedekking volledig wordt vervangen, wordt ook meteen duidelijk dat de uitzondering op de bevoegdheid om te ontbinden niet opgaat. Het gaat om ongeveer 83.000 m² dakbedekking. Van een geringe betekenis van de tekortkoming is geen sprake. Ook van een bijzondere aard van de tekortkoming blijkt niet. [eiser] heeft dat ook niet gesteld. Haar beroep op de uitzondering onderbouwt zij door te stellen dat de vertraging in de uitvoering van herstelwerkzaamheden niet aan haar ligt, maar aan de onduidelijke en trage besluitvorming van de CAR-verzekeraars. Dat is echter niet relevant in het kader van een beroep op de uitzondering. De CAR-verzekeraar is geen partij bij de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] .
Verzuim
5.12.
[gedaagde] voert aan vier keer een zogenaamde getrapte ingebrekestelling te hebben verstuurd. Zij wijst op de brieven van 28 januari, 12 februari, 22 april en tot slot 7 mei 2025. [gedaagde] heeft [eiser] gesommeerd te bevestigen dat zij onvoorwaardelijk het herstel van het dak zou uitvoeren. Een dergelijke onvoorwaardelijke toezegging is nooit ontvangen van [eiser] . Zij kwam telkens met voorwaarden, met name op het punt van (voor) financiering/dekking door de verzekeraar van de kosten van de herstelwerkzaamheden.
5.13.
[eiser] betwist in verzuim te zijn geraakt. Zij stelt dat zij zich vanaf het begin af aan uitdrukkelijk bereid heeft getoond om het kromtrekken van de dakbedekking te herstellen en dat ze klaarstond om dit te doen. Voor verzuim is nodig dat de prestatie opeisbaar is geworden. Dat is alleen anders als één van de uitzonderingen van artikel 6:80 BW van toepassing is. Ook voert [eiser] aan dat zij en [gedaagde] continu in overleg waren en in gezamenlijk overleg de koers bepaalden. Niet voor niets gaf [gedaagde] nooit gevolg aan de vier brieven die zij aanhaalt. De inhoud ervan strookt totaal niet met de inhoud van het overleg tussen partijen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] er alles aan gedaan om de stekker eruit te kunnen trekken op het moment dat de herstelmethodiek door de CAR-verzekeraars zou worden bevestigd. [eiser] heeft daardoor nooit de kans gekregen tot herstel over te gaan. [gedaagde] heeft [eiser] voor haar karretje gespannen, aldus [eiser] .
5.14.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er sprake van verzuim aan de kant van [eiser] . [eiser] is op 28 januari 2025 gevraagd om binnen een termijn van acht dagen te bevestigen dat zij (onvoorwaardelijk) tot herstel zou overgaan. Voor dit herstel heeft [gedaagde] vervolgens tot 16 mei 2025 gelegenheid geboden. Deze termijn was ingegeven door de opleverdatum die [gedaagde] met [naam] had afgesproken. Noch naar aanleiding van deze brief, noch naar aanleiding van de daaropvolgende ingebrekestellingen, heeft [eiser] zonder mitsen en maren gezegd het herstel te zullen uitvoeren. [eiser] is ook nooit begonnen met herstelwerkzaamheden. Daar is wel om gevraagd door [gedaagde] .
Dictum
De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.553,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Fleskens en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.
Een getrapte ingebrekestelling houdt in dat enerzijds een termijn wordt gesteld waarbinnen de wederpartij moet toezeggen de gebreken te zullen herstellen en anderzijds een termijn waarbinnen de gebreken daadwerkelijk moeten zijn hersteld.
Beoordeling
[eiser] was verantwoordelijk voor de door haar verwerkte isolatieplaten en was dus ook gehouden om voor afronding van de opdracht de isolatieplaten (desnoods op haar kosten) te vervangen. Of er nu wel of niet sprake was van dekking of uitkering vanuit de verzekering deed daar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aan af. In de schriftelijke reacties die [eiser] heeft gegeven is echter telkens een bepaald voorbehoud te lezen: er moet eerst nader onderzoek plaatsvinden of er moet dekking (en voorfinanciering) vanuit de verzekeraar of [gedaagde] komen. Dit terwijl op basis van de nu beschikbare stukken voorshands voldoende is komen vast te staan dat de opleverdatum die tussen [gedaagde] en [naam] was afgesproken, ook tussen partijen gold. Op basis van de overeenkomst was [eiser] aan deze termijn gebonden. Overigens was het herstelplan dat [eiser] had opgesteld ook gericht op het halen van de opleverdatum.
5.15.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er dan ook geen sprake geweest van een onvoorwaardelijke toezegging van [eiser] om tot herstel over te gaan terwijl dit wel van [eiser] verwacht mocht worden en de tijd drong. Op basis van de door [eiser] afgegeven planning moest op zeer korte termijn gestart worden met de herstelwerkzaamheden om de opleverdatum te halen. Nu [eiser] daar geen gehoor aan heeft gegeven, deed zich een situatie voor als genoemd in artikel 6:80 lid 1 sub c BW. Dat betekent dat [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de overeenkomst op goede gronden heeft ontbonden.
5.16.
De “papieren werkelijkheid” zoals dat tijdens de zitting is genoemd -de verzonden ingebrekestellingen door [gedaagde] -, is waar we het in kort geding mee moeten doen. Of er naast deze papieren werkelijkheid een andere werkelijkheid is, zoals [eiser] heeft aangevoerd, kan in kort geding niet worden beoordeeld. Daarvoor is nadere bewijsvoering nodig. Dit past zoals in de inleiding aangegeven niet binnen het spoedeisende karakter van een kort geding.
De vorderingen van [eiser]
Primaire vorderingen
Herstelwerkzaamheden
5.17.
Het voorgaande betekent dat de primaire vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Deze vorderingen gaan er namelijk vanuit dat er nog een overeenkomst bestaat, wat naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval is.
Subsidiaire vorderingen
Toegang tot de werkplaats
5.18.
Voor wat betreft het subsidiair gevorderde onder III – kort samengevat toegang tot de werkplaats – ziet de voorzieningenrechter geen grondslag. [eiser] voert aan dat zij belang heeft bij deze toegang omdat (1) dit noodzakelijk is om haar bewijspositie te waarborgen, (2) om direct te kunnen ingrijpen bij onjuist gebruik van haar materialen en (3) om te voorkomen dat zij aansprakelijk wordt gesteld voor situaties waar zij geen toezicht op heeft kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet geen wettelijke basis op grond waarvan [gedaagde] gehouden zou zijn om [eiser] na het eindigen van de overeenkomst nog toe te laten tot de werkplaats. Deze vordering wordt afgewezen.
Verklaring
5.19.
Ook de onder IV subsidiair gevorderde plaatsing van de verklaring wordt afgewezen. [eiser] legt aan deze vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door na te laten te voorkomen dat onjuiste en schadelijke geruchten over [eiser] in de branche worden verspreid, ofwel deze zelf te verspreiden. [eiser] heeft dit onvoldoende onderbouwd. Dat het “opmerkelijk en toevallig” is dat er op andere projecten opeens “buitensporige” eisen worden gesteld aan [eiser] , is in juridische zin onvoldoende. De vordering wordt afgewezen.
Restant aanneemsom
5.20.
[eiser] vordert een voorschotbetaling van een bedrag van € 599.165,75 exclusief btw. Toewijzing van een geldsom in kort geding is mogelijk, maar volgens vaste jurisprudentie is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter moet beoordelen (1) of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is, (2) of daarnaast sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en moet tot slot (3) een belangenafweging maken en daarbij het risico van onmogelijkheid van terugbetaling betrekken (het restitutierisico).
5.21.
In deze zaak ontbreekt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan spoedeisend belang bij toewijzing van de geldvordering. [eiser] heeft dit onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij het bedrag nodig heeft voor haar bedrijfsvoering terwijl tegelijkertijd is gesteld dat er geen restitutierisico is omdat er veel opdrachten zijn en het financieel gezien goed gaat met het bedrijf. Ook weegt voor de voorzieningenrechter mee dat de financiële gevolgen van de ontbinding zich in deze zaak moeilijk in kort geding laten beoordelen.
Negatieve of nadelige uitlatingen
5.22.
Ook deze vordering wordt afgewezen bij gebrek aan grondslag. Voor toewijzing van een dergelijk verbod is nodig dat op zijn minst aannemelijk is dat er sprake is van onrechtmatig handelen, omdat een partij onjuiste en onrechtmatige uitlatingen doet. Daarvoor heeft [eiser] onvoldoende aangevoerd.
Proceskosten
5.23.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.661,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.553,00
Beoordeling
[eiser] was verantwoordelijk voor de door haar verwerkte isolatieplaten en was dus ook gehouden om voor afronding van de opdracht de isolatieplaten (desnoods op haar kosten) te vervangen. Of er nu wel of niet sprake was van dekking of uitkering vanuit de verzekering deed daar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aan af. In de schriftelijke reacties die [eiser] heeft gegeven is echter telkens een bepaald voorbehoud te lezen: er moet eerst nader onderzoek plaatsvinden of er moet dekking (en voorfinanciering) vanuit de verzekeraar of [gedaagde] komen. Dit terwijl op basis van de nu beschikbare stukken voorshands voldoende is komen vast te staan dat de opleverdatum die tussen [gedaagde] en [naam] was afgesproken, ook tussen partijen gold. Op basis van de overeenkomst was [eiser] aan deze termijn gebonden. Overigens was het herstelplan dat [eiser] had opgesteld ook gericht op het halen van de opleverdatum.
5.15.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er dan ook geen sprake geweest van een onvoorwaardelijke toezegging van [eiser] om tot herstel over te gaan terwijl dit wel van [eiser] verwacht mocht worden en de tijd drong. Op basis van de door [eiser] afgegeven planning moest op zeer korte termijn gestart worden met de herstelwerkzaamheden om de opleverdatum te halen. Nu [eiser] daar geen gehoor aan heeft gegeven, deed zich een situatie voor als genoemd in artikel 6:80 lid 1 sub c BW. Dat betekent dat [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de overeenkomst op goede gronden heeft ontbonden.
5.16.
De “papieren werkelijkheid” zoals dat tijdens de zitting is genoemd -de verzonden ingebrekestellingen door [gedaagde] -, is waar we het in kort geding mee moeten doen. Of er naast deze papieren werkelijkheid een andere werkelijkheid is, zoals [eiser] heeft aangevoerd, kan in kort geding niet worden beoordeeld. Daarvoor is nadere bewijsvoering nodig. Dit past zoals in de inleiding aangegeven niet binnen het spoedeisende karakter van een kort geding.
De vorderingen van [eiser]
Primaire vorderingen
Herstelwerkzaamheden
5.17.
Het voorgaande betekent dat de primaire vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Deze vorderingen gaan er namelijk vanuit dat er nog een overeenkomst bestaat, wat naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval is.
Subsidiaire vorderingen
Toegang tot de werkplaats
5.18.
Voor wat betreft het subsidiair gevorderde onder III – kort samengevat toegang tot de werkplaats – ziet de voorzieningenrechter geen grondslag. [eiser] voert aan dat zij belang heeft bij deze toegang omdat (1) dit noodzakelijk is om haar bewijspositie te waarborgen, (2) om direct te kunnen ingrijpen bij onjuist gebruik van haar materialen en (3) om te voorkomen dat zij aansprakelijk wordt gesteld voor situaties waar zij geen toezicht op heeft kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet geen wettelijke basis op grond waarvan [gedaagde] gehouden zou zijn om [eiser] na het eindigen van de overeenkomst nog toe te laten tot de werkplaats. Deze vordering wordt afgewezen.
Verklaring
5.19.
Ook de onder IV subsidiair gevorderde plaatsing van de verklaring wordt afgewezen. [eiser] legt aan deze vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door na te laten te voorkomen dat onjuiste en schadelijke geruchten over [eiser] in de branche worden verspreid, ofwel deze zelf te verspreiden. [eiser] heeft dit onvoldoende onderbouwd. Dat het “opmerkelijk en toevallig” is dat er op andere projecten opeens “buitensporige” eisen worden gesteld aan [eiser] , is in juridische zin onvoldoende. De vordering wordt afgewezen.
Restant aanneemsom
5.20.
[eiser] vordert een voorschotbetaling van een bedrag van € 599.165,75 exclusief btw. Toewijzing van een geldsom in kort geding is mogelijk, maar volgens vaste jurisprudentie is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter moet beoordelen (1) of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is, (2) of daarnaast sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en moet tot slot (3) een belangenafweging maken en daarbij het risico van onmogelijkheid van terugbetaling betrekken (het restitutierisico).
5.21.
In deze zaak ontbreekt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan spoedeisend belang bij toewijzing van de geldvordering. [eiser] heeft dit onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij het bedrag nodig heeft voor haar bedrijfsvoering terwijl tegelijkertijd is gesteld dat er geen restitutierisico is omdat er veel opdrachten zijn en het financieel gezien goed gaat met het bedrijf. Ook weegt voor de voorzieningenrechter mee dat de financiële gevolgen van de ontbinding zich in deze zaak moeilijk in kort geding laten beoordelen.
Negatieve of nadelige uitlatingen
5.22.
Ook deze vordering wordt afgewezen bij gebrek aan grondslag. Voor toewijzing van een dergelijk verbod is nodig dat op zijn minst aannemelijk is dat er sprake is van onrechtmatig handelen, omdat een partij onjuiste en onrechtmatige uitlatingen doet. Daarvoor heeft [eiser] onvoldoende aangevoerd.
Proceskosten
5.23.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.661,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.553,00