Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-18
ECLI:NL:RBZWB:2025:4276
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
13,220 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11445207 \ CV EXPL 24-6170
Vonnis van 18 juni 2025
in de zaak van
STICHTING WOONZORG NEDERLAND,
te Amstelveen,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonzorg,
gemachtigde: mr. C.J.P. Schellekens,
tegen
[de bewindvoerder] B.V. IN DE HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER ALLE (TOEKOMSTIGE) GOEDEREN DIE TOEBEHOREN OF ZULLEN TOEBEHOREN AAN MEVROUW [gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
gemachtigde: mr. J. Pearson.
1De zaak in het kort
Woonzorg vordert ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde] en ontruiming van de woning. Volgens Woonzorg veroorzaakt [gedaagde] op verschillende manieren overlast en gedraagt zij zich agressief en bedreigend naar medewerkers van Woonzorg en door Woonzorg ingeschakelde partijen. Op grond van alle omstandigheden bij elkaar, waarbij ook meeweegt dat [gedaagde] niet aanspreekbaar is op haar gedrag, wijst de kantonrechter de vorderingen van Woonzorg toe.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 februari 2025
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
- Woonzorg verhuurt met ingang van 11 oktober 2021 aan [gedaagde] de zelfstandige sociale huurwoning aan het [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). Op de overeenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden (verder: AHV) van toepassing.
- In de AHV zijn onder andere de volgende bepalingen opgenomen:
“7.3 U moet alle aanwijzingen door of namens de verhuurder, overheid en
nutsbedrijven meteen opvolgen. Dat geldt voor mondelinge én schriftelijke
aanwijzingen die te maken hebben met het goed en veilig gebruiken van de
woning. Of overige ruimten, installaties en voorzieningen van het gebouw of
complex waarvan de woning deel uitmaakt.
7.5
Maakt de woning die u huurt deel uit van een gebouw of complex, met
gemeenschappelijke ruimten en terreinen? Dan mag u hiervan gebruikmaken.
Elke huurder moet het gebruiksrecht van andere huurders respecteren.
U moet ervoor zorgen dat deze ruimten en terreinen niet worden vervuild.
En niet worden gebruikt voor andere doelen. […] U mag […] scootmobiels of andere voorwerpen opslaan of plaatsen op plekken waar dat is toegestaan.
7.9
U moet er voor zorgen dat andere huurders geen overlast of hinder hebben van u, uw huisgenoten of uw dieren. Dat geldt ook voor mensen die bij u op bezoek komen. En in gemeenschappelijke ruimten. Alle aanspraken van derden op de verhuurder zijn voor uw rekening. Bij een conflict kan de bewonersconsulent helpen.”
7.12
Het is de huurder verboden:
[…]
• Het gehuurde en/of de gemeenschappelijke ruimten te vervuilen en/of als opslagplaats te gebruiken. […]
• In de gemeenschappelijke ruimten goederen te plaatsen, zoals zitjes,
kerstbomen, huisvuil, kinderwagens, fietsen, scootmobielen, rollators en bloembakken.
[…]
• Medewerkers van Woonzorg Nederland of personen die namens de verhuurder in of rond de woning aanwezig zijn uit te schelden, te bedreigen of fysiek te belagen. Dit gedrag zal leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst.
- Op 15 en 23 december 2021 heeft Woonzorg [gedaagde] per brief verzocht om haar eigendommen, waaronder een scootmobiel, te verwijderen uit de gemeenschappelijke ruimte.
- Op 3 januari 2022 heeft Woonzorg geprobeerd een afspraak in te plannen met [gedaagde] , met betrekking tot de eigendommen die op dat moment in de algemene ruimten. [gedaagde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.
- In februari en maart 2022 ontving Woonzorg klachten van beide directe buren van [gedaagde] over onder andere vervuiling op de galerij.
- In het jaar 2022 zijn er meerdere klachten ontvangen in verband met overlast veroorzaakt door de zoon van [gedaagde] , variërend van blowen tot luidruchtigheid en bedreiging van de directe buurman van [gedaagde] , waarbij ook de politie heeft opgetreden.
- Op 30 mei 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Woonzorg, [gedaagde] , de vriend van [gedaagde] en haar begeleider vanuit het RIBW over de door [gedaagde] veroorzaakte overlast en het onbevoegd opladen van de scootmobiel op plekken waar dit niet is toegestaan. Hierna werd een eigen opberghokje voor de scootmobiel door [gedaagde] aangevraagd en door Woonzorg geregeld.
- Op 10 juli 2022 heeft [gedaagde] op de muur van de gemeenschappelijke ruimte met stift geschreven “Met vingertjes afbljjven” [emoji]“vandalisme!??”.
- Woonzorg heeft [gedaagde] per e-mailberichten van 3 oktober 2022 en 10 januari 2023 aangeschreven om géén (geluids-)overlast meer te veroorzaken.
- Daarna heeft Woonzorg een gedragsaanwijzing gestuurd aan [gedaagde] . Samengevat stond in deze gedragsaanwijzing opgenomen, dat het voor [gedaagde] verboden is om geluidsoverlast te veroorzaken, medebewoners te intimideren, vernieling te veroorzaken, afval op de galerij/algemene ruimtes te laten rondslingeren, haar scootmobiel te parkeren op een niet aangewezen plek en medewerkers van Woonzorg Nederland verbaal te intimideren. Ook was opgenomen het verbod dat namens [gedaagde] aanwezige personen in het gehuurde zich overlastgevend en intimiderend gedragen en dat zij gehouden is dit te voorkomen, anders kan Woonzorg de overeenkomst ontbinden.
- In april en mei 2023 heeft Woonzorg [gedaagde] opnieuw aangeschreven met het verzoek haar eigendommen uit de algemene ruimten te verwijderen.
- In augustus 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Woonzorg en de gemeente Tilburg in verband met de inwoning van de zoon van [gedaagde] en de overlast. Daarna is de zoon uit de woning vertrokken.
- Ook zijn er in de daarop volgende maanden nog enkele klachten over overlast ontvangen door Woonzorg.
- In januari 2024 heeft Woonzorg een tweede gedragsaanwijzing aan [gedaagde] gestuurd, vergelijkbaar met de eerste. Daarbij werd gewaarschuwd voor een procedure waarbij beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal worden gevorderd.
- In juli 2024 heeft Woonzorg zowel schriftelijk als telefonisch [gedaagde] nogmaals aangesproken op het plaatsen van haar scootmobiel in de algemene ruimten.
- In januari en april 2025 heeft Woonzorg [gedaagde] erop aangesproken dat zij het scootmobielhok gebruikt als opberghok, waardoor de deur niet dicht kan. In verband met de brandveiligheid heeft Woonzorg haar verzocht de spullen te verwijderen.
- In de periode van 28 februari tot en met 4 april 2025 moest [gedaagde] het gehuurde tijdelijk verlaten in verband met dringende werkzaamheden die in het gehuurde uitgevoerd moesten worden. [gedaagde] kon toen tijdelijk naar een wisselwoning waarvoor een bruikleenovereenkomst werd gesloten. Door het schoonmaakbedrijf is een klacht ingediend over agressief gedrag van [gedaagde] tegen een van haar medewerkers.
Geschil
4.1.
Woonzorg vordert - samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de tussen partijen bestaande huurovereenkomst te ontbinden en de bewindvoerder te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de proceskosten.
4.2.
Woonzorg legt - samengevat - aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekortgeschoten is in haar verplichtingen als huurder. Zij veroorzaakt namelijk al geruime tijd ernstige overlast aan omwonenden en parkeert haar scootmobiel waar dat niet is toegestaan, wat bovendien brandonveiligheid met zich brengt. Daarnaast veroorzaakt [gedaagde] overlast door voortdurend te schreeuwen, gillen en ruzie te maken met en tegen haar kinderen, die eveneens voor overlast in het wooncomplex zorgen. Dit, ondanks talloze waarschuwingen, afspraken, sommaties, aansturing op buurtbemiddeling én het maar liefst tweemaal eenzijdig opgelegd krijgen van een gedragsaanwijzing. Daar komt nog bij dat [gedaagde] zich zeer intimiderend opstelt jegens medewerkers van Woonzorg. Deze tekortkoming rechtvaardigt volgens Woonzorg de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
4.3.
De bewindvoerder voert verweer. De bewindvoerder concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Woonzorg, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Woonzorg, met veroordeling van Woonzorg in de kosten van deze procedure.
4.4.
De bewindvoerder voert daarbij aan dat de overlastmeldingen voornamelijk zijn te kwalificeren als woongeluiden die normaal zijn in een woning zoals het gehuurde. Er is geen sprake van structurele overlast. Bovendien zijn de meeste meldingen afkomstig van de directe buurman van [gedaagde] . Het is geen geheim dat hij en [gedaagde] geen vrienden zijn en er lijkt sprake van een hetze tegen [gedaagde] . Bemiddeling of mediation lijkt hiervoor een logischere stap dan een gerechtelijke procedure.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
5.1.
De kantonrechter stelt voorop dat een eventuele veroordeling van [de bewindvoerder] B.V. tot ontruiming van het gehuurde ook door [gedaagde] moet worden nageleefd. Voor zover [de bewindvoerder] B.V. in deze procedure wordt veroordeeld, is dat uit hoofde van haar taak als bewindvoerder en treft de veroordeling haar niet persoonlijk.
Het toetsingskader voor de ontbinding
5.2.
Woonzorg vordert ontbinding op grond van artikel 6:265 lid 1 BW. Uit dat artikel volgt dat de rechter de vordering tot ontbinding moet toewijzen als de huurder tekortschiet in de nakoming van één van zijn verplichtingen op grond van de huurovereenkomst, tenzij de tekortkoming vanwege zijn aard of geringe betekenis de ontbinding niet rechtvaardigt. De huurder zal moeten motiveren waarom de tekortkoming niet voldoende ernstig is om de ontbinding te rechtvaardigen. De rechter moet bij de beoordeling daarvan rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder ook het (woon)belang van de huurder.
Er is sprake van een tekortkoming
5.3.
Het uitgangspunt is dat [gedaagde] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat zij zich moet houden aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst, de huurvoorwaarden en de wet. Doet zij dan niet, dan is sprake van een tekortkoming. De kantonrechter is in deze zaak van oordeel dat dat het geval is op grond van de volgende overwegingen.
5.4.
Ten eerste stelt Woonzorg dat [gedaagde] zich niet als goed huurder gedraagt, omdat zij haar scootmobiel regelmatig stalt en oplaadt op plaatsen in de algemene ruimtes waar dat niet is toegestaan (artikel 7.5 AHV). Uit de door Woonzorg overgelegde foto’s blijkt dat dit inderdaad het geval is. [gedaagde] heeft dit ook niet tegengesproken. Weliswaar heeft [gedaagde] aangevoerd dat ze bij het begin van de huur dacht dat dit mocht, omdat anderen dat ook deden, maar in de loop van de tijd heeft Woonzorg haar herhaaldelijk erop gewezen dat dit niet is toegestaan. Ondanks deze herhaalde waarschuwing, blijft [gedaagde] nog steeds haar scootmobiel plaatsen waar dat niet mag.
5.5.
Ten tweede stelt Woonzorg dat [gedaagde] een brandgevaarlijke situatie veroorzaakt, niet alleen doordat zij de scootmobiel en andere spullen in de algemene ruimte zet, maar ook doordat zij spullen zo in de scootmobielruimte plaatst, dat de deur daarvan niet meer dicht kan. Woonzorg beroept zich daarbij naast het verbod uit artikel 7.5 AHV op artikel 6.15a lid 1onder b van het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarin in het kader van brandveiligheid expliciet het verbod is neergelegd om (onder meer) scootmobiels in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen. Uit berichten die Woonzorg heeft overgelegd, blijkt dat zij [gedaagde] hierop meerdere keren heeft aangesproken. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [gedaagde] echter ook recent nog spullen in de algemene ruimte heeft gezet. Daarbij heeft zij aangevoerd dat zij nog geen tijd heeft gehad om deze spullen weg te (laten) halen of af te (laten) voeren. Dat neemt naar het oordeel van de kantonrechter echter niet weg dat [gedaagde] hiermee handelt in strijd met haar verplichtingen.
5.6.
Ten derde stelt Woonzorg dat sprake is van (geluids-)overlast door [gedaagde] en haar zoons. In verband daarmee heeft Woonzorg meerdere meldingen van meerdere omwonenden overgelegd. Dit betreft onder andere een melding van 1 maart 2022 waarin wordt aangegeven “Ik heb ook laat in de avond last van getimmer en meubels verschuiven”, waarbij bij de vraag of de melder een gesprek heeft gehad met de overlastveroorzaker is vermeld “Nee, want ze is niet voor reden vatbaar”. Op een overlastformulier van 11 april 2022 wordt gemeld “Blowen en luidruchtig door de zoon (en andere jongeman) van mevrouw [gedaagde] ” […] Hoe verliep het gesprek? “Ik werd genegeerd (...)” Op 4 juli 2022 wordt melding gemaakt van gekrijs en op 1 oktober 2022 “Ook lijkt het alsof er soms midden in de nacht een naaimachine gebruikt wordt oid (geen wasmachine). […] zijn er momenteel meerdere jongens in het appartement aanwezig, die lekker op het balkon zitten, waarbij er naar beneden gespuugd wordt,” Ook wordt melding gemaakt van het naar beneden gooien van spullen. [gedaagde] heeft niet betwist dat in november 2022 sprake was van een ruzie tussen [gedaagde] , haar zoon en de directe buurman, waarbij de zoon van [gedaagde] de buurman met de dood heeft bedreigd, waarvoor haar zoon ook strafrechtelijk is veroordeeld. In een melding van januari 2023 wordt geklaagd over gegil, op deuren bonken en trappen. Ook later dat jaar zijn er nog vergelijkbare meldingen, over meerdere ruzies per week met geschreeuw en gekrijs tussen [gedaagde] en haar zoon(s), waarbij ook de politie is betrokken.
De kantonechter constateert dat deze overlastmeldingen met name zijn gedaan in de periode dat de zoon van [gedaagde] bij haar in de woning woonde. Nadat deze uit de woning was vertrokken, zijn er slechts enkele meldingen ontvangen. Daaruit blijkt niet dat (nog) structureel sprake is van deze ernstige (geluids-)overlast, wel dat de directe buren nog af en toe (geluids-)overlast ervaren van [gedaagde] zelf.
5.7.
Tot slot stelt Woonzorg dat [gedaagde] omwonenden en medewerkers van Woonzorg en door haar ingeschakelde partijen intimideert en bedreigt. Zij heeft in verband daarmee van meerdere omwonenden verklaringen overgelegd. Ook geven melders aan dat ze zich niet meer veilig voelen. Daarnaast heeft Woonzorg een e-mailbericht van 18 december 2023 overgelegd van een van haar bewonersconsulenten (verder: de bewonersconsulent). Zij schrijft daarin “Ze begon tegen mij tekeer te gaan over de geluidsoverlast van de brandveiligheidswerkzaamheden die in het complex verricht worden. Ook over de galerij waar mos op zit en dat wij dat moeten schoonmaken. Opnieuw kon ik er bijna geen woord ertussen krijgen. Toen ik zei dat de werkzaamheden niet worden gestaakt en dat ze zelf haar galerijgedeelte moet schoonhouden, begon zo nog harder te schreeuwen. Ik heb haar gezegd dat als ze zo het gesprek wil voeren dat ze voortaan maar moet mailen en niet meer bellen.” In een brief van 25 juli 2024 van Woonzorg schrijft de bewonersconsulent onder andere aan [gedaagde] “Daarnaast wil ik melden dat ik op 25 juli 2024 een telefoongesprek met u had waarin u aangaf dat iemand de stekker van uw scootmobiel had uitgetrokken. Helaas verliep dit gesprek met veel getier van uw kant, waardoor ik niet in staat was om u te woord te staan. Toen ik u op uw toon aansprak, verbrak u de verbinding.”
Ook heeft Woonzorg een e-mailbericht van 18 september 2024 overgelegd waarin een collega-medewerker van Woonzorg aan de bewonersconsulent schrijft “Vanochtend had ik mevrouw [gedaagde] aan de lijn. Ik schrok enorm op de toon hoe zij mij te woord stond. Ondanks ik meerdere keren vriendelijk heb verzocht om niet te keer te gaan, bleef ze doorgaan. De reden dat ik het telefoongesprek heb beëindig met haar is als volgt; “als ik [naam] [de bewonersconsulent] zie hierop het complex, zorg ik ervoor dat ik haar op d’r bek sla, haar moet hier niet zien.” De bewonersconsulent heeft Woonzorg laten weten “[…] Hierdoor kan ik niet veilig in mijn eentje naar het complex voor het wekelijkse spreekuur. Vooral omdat zij al eerder de buurman fysiek heeft aangevallen.” Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] betwist dat zij dit tegen de bewonersconsulent heeft gezegd. Volgens haar zou ze wel iets gezegd kunnen hebben als “dat ik haar wel wat doe als ik haar tegenkom”. De bewonersconsulent heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij door dit gedrag een maand niet in het wooncomplex durfde te komen en daardoor haar werk in het wooncomplex niet kon doen.
Dictum
De kantonrechter
6.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de met betrekking tot de woning te [plaats] aan het [adres] ,
6.2.
veroordeelt de bewindvoerder om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Woonzorg zijn en de sleutels af te geven aan Woonzorg,
6.3.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 946,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11445207 \ CV EXPL 24-6170
Vonnis van 18 juni 2025
in de zaak van
STICHTING WOONZORG NEDERLAND,
te Amstelveen,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonzorg,
gemachtigde: mr. C.J.P. Schellekens,
tegen
[de bewindvoerder] B.V. IN DE HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER ALLE (TOEKOMSTIGE) GOEDEREN DIE TOEBEHOREN OF ZULLEN TOEBEHOREN AAN MEVROUW [gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
gemachtigde: mr. J. Pearson.
1De zaak in het kort
Woonzorg vordert ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde] en ontruiming van de woning. Volgens Woonzorg veroorzaakt [gedaagde] op verschillende manieren overlast en gedraagt zij zich agressief en bedreigend naar medewerkers van Woonzorg en door Woonzorg ingeschakelde partijen. Op grond van alle omstandigheden bij elkaar, waarbij ook meeweegt dat [gedaagde] niet aanspreekbaar is op haar gedrag, wijst de kantonrechter de vorderingen van Woonzorg toe.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 februari 2025
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
- Woonzorg verhuurt met ingang van 11 oktober 2021 aan [gedaagde] de zelfstandige sociale huurwoning aan het [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). Op de overeenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden (verder: AHV) van toepassing.
- In de AHV zijn onder andere de volgende bepalingen opgenomen:
“7.3 U moet alle aanwijzingen door of namens de verhuurder, overheid en
nutsbedrijven meteen opvolgen. Dat geldt voor mondelinge én schriftelijke
aanwijzingen die te maken hebben met het goed en veilig gebruiken van de
woning. Of overige ruimten, installaties en voorzieningen van het gebouw of
complex waarvan de woning deel uitmaakt.
7.5
Maakt de woning die u huurt deel uit van een gebouw of complex, met
gemeenschappelijke ruimten en terreinen? Dan mag u hiervan gebruikmaken.
Elke huurder moet het gebruiksrecht van andere huurders respecteren.
U moet ervoor zorgen dat deze ruimten en terreinen niet worden vervuild.
En niet worden gebruikt voor andere doelen. […] U mag […] scootmobiels of andere voorwerpen opslaan of plaatsen op plekken waar dat is toegestaan.
7.9
U moet er voor zorgen dat andere huurders geen overlast of hinder hebben van u, uw huisgenoten of uw dieren. Dat geldt ook voor mensen die bij u op bezoek komen. En in gemeenschappelijke ruimten. Alle aanspraken van derden op de verhuurder zijn voor uw rekening. Bij een conflict kan de bewonersconsulent helpen.”
7.12
Het is de huurder verboden:
[…]
• Het gehuurde en/of de gemeenschappelijke ruimten te vervuilen en/of als opslagplaats te gebruiken. […]
• In de gemeenschappelijke ruimten goederen te plaatsen, zoals zitjes,
kerstbomen, huisvuil, kinderwagens, fietsen, scootmobielen, rollators en bloembakken.
[…]
• Medewerkers van Woonzorg Nederland of personen die namens de verhuurder in of rond de woning aanwezig zijn uit te schelden, te bedreigen of fysiek te belagen. Dit gedrag zal leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst.
- Op 15 en 23 december 2021 heeft Woonzorg [gedaagde] per brief verzocht om haar eigendommen, waaronder een scootmobiel, te verwijderen uit de gemeenschappelijke ruimte.
- Op 3 januari 2022 heeft Woonzorg geprobeerd een afspraak in te plannen met [gedaagde] , met betrekking tot de eigendommen die op dat moment in de algemene ruimten. [gedaagde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.
- In februari en maart 2022 ontving Woonzorg klachten van beide directe buren van [gedaagde] over onder andere vervuiling op de galerij.
- In het jaar 2022 zijn er meerdere klachten ontvangen in verband met overlast veroorzaakt door de zoon van [gedaagde] , variërend van blowen tot luidruchtigheid en bedreiging van de directe buurman van [gedaagde] , waarbij ook de politie heeft opgetreden.
- Op 30 mei 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Woonzorg, [gedaagde] , de vriend van [gedaagde] en haar begeleider vanuit het RIBW over de door [gedaagde] veroorzaakte overlast en het onbevoegd opladen van de scootmobiel op plekken waar dit niet is toegestaan. Hierna werd een eigen opberghokje voor de scootmobiel door [gedaagde] aangevraagd en door Woonzorg geregeld.
- Op 10 juli 2022 heeft [gedaagde] op de muur van de gemeenschappelijke ruimte met stift geschreven “Met vingertjes afbljjven” [emoji]“vandalisme!??”.
- Woonzorg heeft [gedaagde] per e-mailberichten van 3 oktober 2022 en 10 januari 2023 aangeschreven om géén (geluids-)overlast meer te veroorzaken.
- Daarna heeft Woonzorg een gedragsaanwijzing gestuurd aan [gedaagde] . Samengevat stond in deze gedragsaanwijzing opgenomen, dat het voor [gedaagde] verboden is om geluidsoverlast te veroorzaken, medebewoners te intimideren, vernieling te veroorzaken, afval op de galerij/algemene ruimtes te laten rondslingeren, haar scootmobiel te parkeren op een niet aangewezen plek en medewerkers van Woonzorg Nederland verbaal te intimideren. Ook was opgenomen het verbod dat namens [gedaagde] aanwezige personen in het gehuurde zich overlastgevend en intimiderend gedragen en dat zij gehouden is dit te voorkomen, anders kan Woonzorg de overeenkomst ontbinden.
- In april en mei 2023 heeft Woonzorg [gedaagde] opnieuw aangeschreven met het verzoek haar eigendommen uit de algemene ruimten te verwijderen.
- In augustus 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Woonzorg en de gemeente Tilburg in verband met de inwoning van de zoon van [gedaagde] en de overlast. Daarna is de zoon uit de woning vertrokken.
- Ook zijn er in de daarop volgende maanden nog enkele klachten over overlast ontvangen door Woonzorg.
- In januari 2024 heeft Woonzorg een tweede gedragsaanwijzing aan [gedaagde] gestuurd, vergelijkbaar met de eerste. Daarbij werd gewaarschuwd voor een procedure waarbij beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal worden gevorderd.
- In juli 2024 heeft Woonzorg zowel schriftelijk als telefonisch [gedaagde] nogmaals aangesproken op het plaatsen van haar scootmobiel in de algemene ruimten.
- In januari en april 2025 heeft Woonzorg [gedaagde] erop aangesproken dat zij het scootmobielhok gebruikt als opberghok, waardoor de deur niet dicht kan. In verband met de brandveiligheid heeft Woonzorg haar verzocht de spullen te verwijderen.
- In de periode van 28 februari tot en met 4 april 2025 moest [gedaagde] het gehuurde tijdelijk verlaten in verband met dringende werkzaamheden die in het gehuurde uitgevoerd moesten worden. [gedaagde] kon toen tijdelijk naar een wisselwoning waarvoor een bruikleenovereenkomst werd gesloten. Door het schoonmaakbedrijf is een klacht ingediend over agressief gedrag van [gedaagde] tegen een van haar medewerkers.
Geschil
4.1.
Woonzorg vordert - samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de tussen partijen bestaande huurovereenkomst te ontbinden en de bewindvoerder te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de proceskosten.
4.2.
Woonzorg legt - samengevat - aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekortgeschoten is in haar verplichtingen als huurder. Zij veroorzaakt namelijk al geruime tijd ernstige overlast aan omwonenden en parkeert haar scootmobiel waar dat niet is toegestaan, wat bovendien brandonveiligheid met zich brengt. Daarnaast veroorzaakt [gedaagde] overlast door voortdurend te schreeuwen, gillen en ruzie te maken met en tegen haar kinderen, die eveneens voor overlast in het wooncomplex zorgen. Dit, ondanks talloze waarschuwingen, afspraken, sommaties, aansturing op buurtbemiddeling én het maar liefst tweemaal eenzijdig opgelegd krijgen van een gedragsaanwijzing. Daar komt nog bij dat [gedaagde] zich zeer intimiderend opstelt jegens medewerkers van Woonzorg. Deze tekortkoming rechtvaardigt volgens Woonzorg de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
4.3.
De bewindvoerder voert verweer. De bewindvoerder concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Woonzorg, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Woonzorg, met veroordeling van Woonzorg in de kosten van deze procedure.
4.4.
De bewindvoerder voert daarbij aan dat de overlastmeldingen voornamelijk zijn te kwalificeren als woongeluiden die normaal zijn in een woning zoals het gehuurde. Er is geen sprake van structurele overlast. Bovendien zijn de meeste meldingen afkomstig van de directe buurman van [gedaagde] . Het is geen geheim dat hij en [gedaagde] geen vrienden zijn en er lijkt sprake van een hetze tegen [gedaagde] . Bemiddeling of mediation lijkt hiervoor een logischere stap dan een gerechtelijke procedure.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
5.1.
De kantonrechter stelt voorop dat een eventuele veroordeling van [de bewindvoerder] B.V. tot ontruiming van het gehuurde ook door [gedaagde] moet worden nageleefd. Voor zover [de bewindvoerder] B.V. in deze procedure wordt veroordeeld, is dat uit hoofde van haar taak als bewindvoerder en treft de veroordeling haar niet persoonlijk.
Het toetsingskader voor de ontbinding
5.2.
Woonzorg vordert ontbinding op grond van artikel 6:265 lid 1 BW. Uit dat artikel volgt dat de rechter de vordering tot ontbinding moet toewijzen als de huurder tekortschiet in de nakoming van één van zijn verplichtingen op grond van de huurovereenkomst, tenzij de tekortkoming vanwege zijn aard of geringe betekenis de ontbinding niet rechtvaardigt. De huurder zal moeten motiveren waarom de tekortkoming niet voldoende ernstig is om de ontbinding te rechtvaardigen. De rechter moet bij de beoordeling daarvan rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder ook het (woon)belang van de huurder.
Er is sprake van een tekortkoming
5.3.
Het uitgangspunt is dat [gedaagde] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat zij zich moet houden aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst, de huurvoorwaarden en de wet. Doet zij dan niet, dan is sprake van een tekortkoming. De kantonrechter is in deze zaak van oordeel dat dat het geval is op grond van de volgende overwegingen.
5.4.
Ten eerste stelt Woonzorg dat [gedaagde] zich niet als goed huurder gedraagt, omdat zij haar scootmobiel regelmatig stalt en oplaadt op plaatsen in de algemene ruimtes waar dat niet is toegestaan (artikel 7.5 AHV). Uit de door Woonzorg overgelegde foto’s blijkt dat dit inderdaad het geval is. [gedaagde] heeft dit ook niet tegengesproken. Weliswaar heeft [gedaagde] aangevoerd dat ze bij het begin van de huur dacht dat dit mocht, omdat anderen dat ook deden, maar in de loop van de tijd heeft Woonzorg haar herhaaldelijk erop gewezen dat dit niet is toegestaan. Ondanks deze herhaalde waarschuwing, blijft [gedaagde] nog steeds haar scootmobiel plaatsen waar dat niet mag.
5.5.
Ten tweede stelt Woonzorg dat [gedaagde] een brandgevaarlijke situatie veroorzaakt, niet alleen doordat zij de scootmobiel en andere spullen in de algemene ruimte zet, maar ook doordat zij spullen zo in de scootmobielruimte plaatst, dat de deur daarvan niet meer dicht kan. Woonzorg beroept zich daarbij naast het verbod uit artikel 7.5 AHV op artikel 6.15a lid 1onder b van het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarin in het kader van brandveiligheid expliciet het verbod is neergelegd om (onder meer) scootmobiels in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen. Uit berichten die Woonzorg heeft overgelegd, blijkt dat zij [gedaagde] hierop meerdere keren heeft aangesproken. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [gedaagde] echter ook recent nog spullen in de algemene ruimte heeft gezet. Daarbij heeft zij aangevoerd dat zij nog geen tijd heeft gehad om deze spullen weg te (laten) halen of af te (laten) voeren. Dat neemt naar het oordeel van de kantonrechter echter niet weg dat [gedaagde] hiermee handelt in strijd met haar verplichtingen.
5.6.
Ten derde stelt Woonzorg dat sprake is van (geluids-)overlast door [gedaagde] en haar zoons. In verband daarmee heeft Woonzorg meerdere meldingen van meerdere omwonenden overgelegd. Dit betreft onder andere een melding van 1 maart 2022 waarin wordt aangegeven “Ik heb ook laat in de avond last van getimmer en meubels verschuiven”, waarbij bij de vraag of de melder een gesprek heeft gehad met de overlastveroorzaker is vermeld “Nee, want ze is niet voor reden vatbaar”. Op een overlastformulier van 11 april 2022 wordt gemeld “Blowen en luidruchtig door de zoon (en andere jongeman) van mevrouw [gedaagde] ” […] Hoe verliep het gesprek? “Ik werd genegeerd (...)” Op 4 juli 2022 wordt melding gemaakt van gekrijs en op 1 oktober 2022 “Ook lijkt het alsof er soms midden in de nacht een naaimachine gebruikt wordt oid (geen wasmachine). […] zijn er momenteel meerdere jongens in het appartement aanwezig, die lekker op het balkon zitten, waarbij er naar beneden gespuugd wordt,” Ook wordt melding gemaakt van het naar beneden gooien van spullen. [gedaagde] heeft niet betwist dat in november 2022 sprake was van een ruzie tussen [gedaagde] , haar zoon en de directe buurman, waarbij de zoon van [gedaagde] de buurman met de dood heeft bedreigd, waarvoor haar zoon ook strafrechtelijk is veroordeeld. In een melding van januari 2023 wordt geklaagd over gegil, op deuren bonken en trappen. Ook later dat jaar zijn er nog vergelijkbare meldingen, over meerdere ruzies per week met geschreeuw en gekrijs tussen [gedaagde] en haar zoon(s), waarbij ook de politie is betrokken.
De kantonechter constateert dat deze overlastmeldingen met name zijn gedaan in de periode dat de zoon van [gedaagde] bij haar in de woning woonde. Nadat deze uit de woning was vertrokken, zijn er slechts enkele meldingen ontvangen. Daaruit blijkt niet dat (nog) structureel sprake is van deze ernstige (geluids-)overlast, wel dat de directe buren nog af en toe (geluids-)overlast ervaren van [gedaagde] zelf.
5.7.
Tot slot stelt Woonzorg dat [gedaagde] omwonenden en medewerkers van Woonzorg en door haar ingeschakelde partijen intimideert en bedreigt. Zij heeft in verband daarmee van meerdere omwonenden verklaringen overgelegd. Ook geven melders aan dat ze zich niet meer veilig voelen. Daarnaast heeft Woonzorg een e-mailbericht van 18 december 2023 overgelegd van een van haar bewonersconsulenten (verder: de bewonersconsulent). Zij schrijft daarin “Ze begon tegen mij tekeer te gaan over de geluidsoverlast van de brandveiligheidswerkzaamheden die in het complex verricht worden. Ook over de galerij waar mos op zit en dat wij dat moeten schoonmaken. Opnieuw kon ik er bijna geen woord ertussen krijgen. Toen ik zei dat de werkzaamheden niet worden gestaakt en dat ze zelf haar galerijgedeelte moet schoonhouden, begon zo nog harder te schreeuwen. Ik heb haar gezegd dat als ze zo het gesprek wil voeren dat ze voortaan maar moet mailen en niet meer bellen.” In een brief van 25 juli 2024 van Woonzorg schrijft de bewonersconsulent onder andere aan [gedaagde] “Daarnaast wil ik melden dat ik op 25 juli 2024 een telefoongesprek met u had waarin u aangaf dat iemand de stekker van uw scootmobiel had uitgetrokken. Helaas verliep dit gesprek met veel getier van uw kant, waardoor ik niet in staat was om u te woord te staan. Toen ik u op uw toon aansprak, verbrak u de verbinding.”
Ook heeft Woonzorg een e-mailbericht van 18 september 2024 overgelegd waarin een collega-medewerker van Woonzorg aan de bewonersconsulent schrijft “Vanochtend had ik mevrouw [gedaagde] aan de lijn. Ik schrok enorm op de toon hoe zij mij te woord stond. Ondanks ik meerdere keren vriendelijk heb verzocht om niet te keer te gaan, bleef ze doorgaan. De reden dat ik het telefoongesprek heb beëindig met haar is als volgt; “als ik [naam] [de bewonersconsulent] zie hierop het complex, zorg ik ervoor dat ik haar op d’r bek sla, haar moet hier niet zien.” De bewonersconsulent heeft Woonzorg laten weten “[…] Hierdoor kan ik niet veilig in mijn eentje naar het complex voor het wekelijkse spreekuur. Vooral omdat zij al eerder de buurman fysiek heeft aangevallen.” Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] betwist dat zij dit tegen de bewonersconsulent heeft gezegd. Volgens haar zou ze wel iets gezegd kunnen hebben als “dat ik haar wel wat doe als ik haar tegenkom”. De bewonersconsulent heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij door dit gedrag een maand niet in het wooncomplex durfde te komen en daardoor haar werk in het wooncomplex niet kon doen.
Dictum
De kantonrechter
6.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de met betrekking tot de woning te [plaats] aan het [adres] ,
6.2.
veroordeelt de bewindvoerder om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Woonzorg zijn en de sleutels af te geven aan Woonzorg,
6.3.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 946,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.
Beoordeling
Woonzorg heeft ook een verklaring overgelegd van het schoonmaakbedrijf dat op 7 april 2025 in de wisselwoning van [gedaagde] was om deze woning schoon te maken en op te leveren.
In deze verklaring staat “[…]De vrouw was zichtbaar overstuur, toonde agressief gedrag en gebruikte vanaf het begin beledigende taal richting onze medewerkers. Aangezien haar persoonlijke eigendommen zich nog in het appartement bevonden, kon het team niet direct
met de schoonmaak beginnen. De situatie escaleerde verder toen een van onze medewerkers aanstalten maakte om de keuken te reinigen. De betreffende vrouw kwam plotseling de ruimte binnen, begon onze medewerker verbaal te mishandelen, greep haar stevig bij de elleboog en trok haar ruw de keuken uit, terwijl ze bleef schreeuwen en schelden. Onze medewerker raakte zodanig overstuur dat zij in tranen het pand verliet en buiten verbleef, zichtbaar geschrokken en bevend. […] Na dit voorval is de schoonmaak alsnog uitgevoerd en is het team omstreeks 15.30 uur teruggekeerd naar kantoor. De betrokken medewerker was bij aankomst op kantoor nog duidelijk emotioneel aangedaan.” Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] toegelicht dat ze in de keuken nog wat laatste spullen aan het opruimen was toen de schoonmaakploeg kwam en vroeg of zij daarom in een andere ruimte konden beginnen. De schoonmaakster maakte foto’s, ook toen [gedaagde] haar vroeg om weg te blijven uit de keuken, aldus [gedaagde] . Ze heeft niet betwist dat zij de schoonmaakster bij de elleboog heeft gepakt en de keuken uit heeft geduwd. Wel was daar, aldus [gedaagde] , een hele hoop aan voorafgegaan.
Op grond van de overgelegde verklaringen en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van in ieder geval verbaal agressief en intimiderend gedrag van [gedaagde] . Dat dit bedreigend overkomt, lijkt [gedaagde] niet te beseffen, waar zij enkel aanvoert dat zij een gevoelsmens is en een harde stem heeft. Dit, terwijl Woonzorg haar meerdere keren op dit gedrag heeft aangesproken, zowel via e-mailberichten, brieven en telefonisch als tweemaal in een gedragsaanwijzing.
5.8.
Met [gedaagde] valt het de kantonrechter wel op dat het overgrote deel van de meldingen van omwonenden van de directe buurman van [gedaagde] komt. [gedaagde] heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij het gevoel heeft dat hij ‘er constant bovenop zit’. Het is volgens de kantonrechter ook voorstelbaar dat het gedrag van deze buurman voor [gedaagde] mede een trigger kan zijn voor haar gedrag. Dat neemt echter niet weg dat er meerdere situaties zijn, zoals in de wisselwoning met de schoonmaker, waarbij niet blijkt van enige betrokkenheid van de buurman. Bovendien hebben ook andere omwonenden klachten ingediend en blijkt uit meerdere foto’s die door de jaren heen genomen zijn, ook door Woonzorg zelf, dat [gedaagde] herhaaldelijk tegen de regels in haar scootmobiel en spullen zet op plaatsen waar dat - ook in verband met brandveiligheid - niet mag.
5.9.
De kantonrechter weegt tot slot in de beoordeling mee dat [gedaagde] ondanks de herhaalde waarschuwingen en pogingen van Woonzorg om tot een oplossing te komen geen verbetering in haar gedrag laat zien. Niet blijkt dat zij op haar gedrag aan te spreken is. Daarbij heeft [gedaagde] ook niet aangevoerd dat zij hulp heeft ingeschakeld of het nodig vindt om dat te doen.
5.10.
Uit deze overwegingen volgt dat de door Woonzorg gestelde gedragingen, in samenhang gezien, een tekortkoming opleveren. In combinatie met het feit dat [gedaagde] niet op haar gedrag is aan te spreken en geen verbetering in haar gedrag laat zien en ook niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd dat dit op korte termijn en structureel zal verbeteren, is de kantonrechter van oordeel dat van Woonzorg niet kan worden verlangd dat zij de overeenkomst nog langer handhaaft. Dat betekent dat de ontbinding van de huurovereenkomst kan worden toegewezen.
5.11.
Woonzorg heeft aangevoerd dat zij belang heeft bij ontbinding en ontruiming, omdat zij moet waken voor het rustig en veilig woongenot van haar (overige) huurders. De kantonrechter is van oordeel dat de leefbaarheid en veiligheid van de omwonenden door de gedragingen van [gedaagde] ernstig onder druk staan. Dat geldt ook voor het veilig werkklimaat van haar medewerkers. Daartegenover heeft [gedaagde] niet, althans onvoldoende gesteld welk specifiek belang zij heeft bij behoud van haar woning. Weliswaar heeft zij aangevoerd dat zij leidt aan fybromyalgie, maar zij heeft dit niet nader onderbouwd en ook blijkt niet op grond waarvan behoud van haar woning in verband daarmee noodzakelijk is. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het belang van Woonzorg bij de ontbinding en ontruiming zwaarder weegt dat het belang van [gedaagde] bij behoud van haar woning.
5.12.
Op grond van deze overwegingen wijst de kantonrechter de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst toe.
5.13.
De kantonrechter zal daarom ook de gevorderde ontruiming toewijzen. Daarbij wijst de kantonrechter de gevraagde termijn van veertien dagen toe, omdat deze termijn over het algemeen gebruikelijk en redelijk is en de bewindvoerder niet gemotiveerd heeft dat [gedaagde]
belang heeft bij een ruimere termijn.
De kantonrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad
5.14.
Woonzorg heeft verzocht om het vonnis gemotiveerd uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De verklaring ‘uitvoerbaar bij voorraad’ betekent dat de bewindvoerder direct aan het vonnis moet voldoen, ook wanneer in hoger beroep zou worden gegaan. De bewindvoerder heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Hoewel deze vordering alleen daarom al toegewezen kan worden, zal de kantonrechter op verzoek van Woonzorg de gevorderde uitvoerbaarverklaring nadrukkelijk motiveren en wel als volgt.
5.15.
Bij de beoordeling van een vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad moeten de belangen van partijen worden afgewogen, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het belang van Woonzorg om het vonnis onmiddellijk te kunnen executeren ondanks een eventueel hoger beroep, weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] om tijdens een eventueel hoger beroep in de woning te kunnen blijven (of terugkeren). Woonzorg heeft zoals hiervoor overwogen groot belang bij het tegengaan van inbreuken op de leefbaarheid en veiligheid van de woonomgeving van haar huurders en haar medewerkers of door haar ingeschakelde dienstverleners en daarmee groot belang om op te treden tegen [gedaagde] vanwege de overlast die zij veroorzaakt, haar agressieve en intimiderende gedrag richting omwonenden en werknemers van Woonzorg en de brandonveilige situatie die zij veroorzaakt door haar spullen en scootmobiel stelselmatig daar te stallen waar dat die niet is toegestaan. Het gestelde woonbelang van [gedaagde] weegt daartegen niet op, zeker niet nu er geen enkel perspectief is op verbetering.
5.16.
De bewindvoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Beoordeling
Woonzorg heeft ook een verklaring overgelegd van het schoonmaakbedrijf dat op 7 april 2025 in de wisselwoning van [gedaagde] was om deze woning schoon te maken en op te leveren.
In deze verklaring staat “[…]De vrouw was zichtbaar overstuur, toonde agressief gedrag en gebruikte vanaf het begin beledigende taal richting onze medewerkers. Aangezien haar persoonlijke eigendommen zich nog in het appartement bevonden, kon het team niet direct
met de schoonmaak beginnen. De situatie escaleerde verder toen een van onze medewerkers aanstalten maakte om de keuken te reinigen. De betreffende vrouw kwam plotseling de ruimte binnen, begon onze medewerker verbaal te mishandelen, greep haar stevig bij de elleboog en trok haar ruw de keuken uit, terwijl ze bleef schreeuwen en schelden. Onze medewerker raakte zodanig overstuur dat zij in tranen het pand verliet en buiten verbleef, zichtbaar geschrokken en bevend. […] Na dit voorval is de schoonmaak alsnog uitgevoerd en is het team omstreeks 15.30 uur teruggekeerd naar kantoor. De betrokken medewerker was bij aankomst op kantoor nog duidelijk emotioneel aangedaan.” Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] toegelicht dat ze in de keuken nog wat laatste spullen aan het opruimen was toen de schoonmaakploeg kwam en vroeg of zij daarom in een andere ruimte konden beginnen. De schoonmaakster maakte foto’s, ook toen [gedaagde] haar vroeg om weg te blijven uit de keuken, aldus [gedaagde] . Ze heeft niet betwist dat zij de schoonmaakster bij de elleboog heeft gepakt en de keuken uit heeft geduwd. Wel was daar, aldus [gedaagde] , een hele hoop aan voorafgegaan.
Op grond van de overgelegde verklaringen en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van in ieder geval verbaal agressief en intimiderend gedrag van [gedaagde] . Dat dit bedreigend overkomt, lijkt [gedaagde] niet te beseffen, waar zij enkel aanvoert dat zij een gevoelsmens is en een harde stem heeft. Dit, terwijl Woonzorg haar meerdere keren op dit gedrag heeft aangesproken, zowel via e-mailberichten, brieven en telefonisch als tweemaal in een gedragsaanwijzing.
5.8.
Met [gedaagde] valt het de kantonrechter wel op dat het overgrote deel van de meldingen van omwonenden van de directe buurman van [gedaagde] komt. [gedaagde] heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij het gevoel heeft dat hij ‘er constant bovenop zit’. Het is volgens de kantonrechter ook voorstelbaar dat het gedrag van deze buurman voor [gedaagde] mede een trigger kan zijn voor haar gedrag. Dat neemt echter niet weg dat er meerdere situaties zijn, zoals in de wisselwoning met de schoonmaker, waarbij niet blijkt van enige betrokkenheid van de buurman. Bovendien hebben ook andere omwonenden klachten ingediend en blijkt uit meerdere foto’s die door de jaren heen genomen zijn, ook door Woonzorg zelf, dat [gedaagde] herhaaldelijk tegen de regels in haar scootmobiel en spullen zet op plaatsen waar dat - ook in verband met brandveiligheid - niet mag.
5.9.
De kantonrechter weegt tot slot in de beoordeling mee dat [gedaagde] ondanks de herhaalde waarschuwingen en pogingen van Woonzorg om tot een oplossing te komen geen verbetering in haar gedrag laat zien. Niet blijkt dat zij op haar gedrag aan te spreken is. Daarbij heeft [gedaagde] ook niet aangevoerd dat zij hulp heeft ingeschakeld of het nodig vindt om dat te doen.
5.10.
Uit deze overwegingen volgt dat de door Woonzorg gestelde gedragingen, in samenhang gezien, een tekortkoming opleveren. In combinatie met het feit dat [gedaagde] niet op haar gedrag is aan te spreken en geen verbetering in haar gedrag laat zien en ook niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd dat dit op korte termijn en structureel zal verbeteren, is de kantonrechter van oordeel dat van Woonzorg niet kan worden verlangd dat zij de overeenkomst nog langer handhaaft. Dat betekent dat de ontbinding van de huurovereenkomst kan worden toegewezen.
5.11.
Woonzorg heeft aangevoerd dat zij belang heeft bij ontbinding en ontruiming, omdat zij moet waken voor het rustig en veilig woongenot van haar (overige) huurders. De kantonrechter is van oordeel dat de leefbaarheid en veiligheid van de omwonenden door de gedragingen van [gedaagde] ernstig onder druk staan. Dat geldt ook voor het veilig werkklimaat van haar medewerkers. Daartegenover heeft [gedaagde] niet, althans onvoldoende gesteld welk specifiek belang zij heeft bij behoud van haar woning. Weliswaar heeft zij aangevoerd dat zij leidt aan fybromyalgie, maar zij heeft dit niet nader onderbouwd en ook blijkt niet op grond waarvan behoud van haar woning in verband daarmee noodzakelijk is. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het belang van Woonzorg bij de ontbinding en ontruiming zwaarder weegt dat het belang van [gedaagde] bij behoud van haar woning.
5.12.
Op grond van deze overwegingen wijst de kantonrechter de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst toe.
5.13.
De kantonrechter zal daarom ook de gevorderde ontruiming toewijzen. Daarbij wijst de kantonrechter de gevraagde termijn van veertien dagen toe, omdat deze termijn over het algemeen gebruikelijk en redelijk is en de bewindvoerder niet gemotiveerd heeft dat [gedaagde]
belang heeft bij een ruimere termijn.
De kantonrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad
5.14.
Woonzorg heeft verzocht om het vonnis gemotiveerd uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De verklaring ‘uitvoerbaar bij voorraad’ betekent dat de bewindvoerder direct aan het vonnis moet voldoen, ook wanneer in hoger beroep zou worden gegaan. De bewindvoerder heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Hoewel deze vordering alleen daarom al toegewezen kan worden, zal de kantonrechter op verzoek van Woonzorg de gevorderde uitvoerbaarverklaring nadrukkelijk motiveren en wel als volgt.
5.15.
Bij de beoordeling van een vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad moeten de belangen van partijen worden afgewogen, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het belang van Woonzorg om het vonnis onmiddellijk te kunnen executeren ondanks een eventueel hoger beroep, weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] om tijdens een eventueel hoger beroep in de woning te kunnen blijven (of terugkeren). Woonzorg heeft zoals hiervoor overwogen groot belang bij het tegengaan van inbreuken op de leefbaarheid en veiligheid van de woonomgeving van haar huurders en haar medewerkers of door haar ingeschakelde dienstverleners en daarmee groot belang om op te treden tegen [gedaagde] vanwege de overlast die zij veroorzaakt, haar agressieve en intimiderende gedrag richting omwonenden en werknemers van Woonzorg en de brandonveilige situatie die zij veroorzaakt door haar spullen en scootmobiel stelselmatig daar te stallen waar dat die niet is toegestaan. Het gestelde woonbelang van [gedaagde] weegt daartegen niet op, zeker niet nu er geen enkel perspectief is op verbetering.
5.16.
De bewindvoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.