Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-07-02
ECLI:NL:RBZWB:2025:4191
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,633 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/5898
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. Voor het procesverloop tot aan de tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van 20 maart 2025.
1.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat belanghebbende tijdig beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar met dagtekening 20 september 2022.
1.2.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar vervolgens in de gelegenheid gesteld om een (inhoudelijk) verweerschrift in te dienen. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift en ook niet de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft partijen – vanwege het ontbreken van de op de zaak betrekking hebbende stukken – gevraagd om aan te geven of belanghebbende de schending van de opbrengstlimiet al in bezwaar naar voren heeft gebracht. In dezelfde brief is partijen gevraagd om aan te geven als zij op een zitting willen worden gehoord. Partijen hebben niet gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Verdere beoordeling van het geschil
2. De gronden van het beroep richten zich alleen tegen de beslissing van de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar om geen kostenvergoeding toe te kennen. Voor het overige is de uitspraak op bezwaar niet in geschil. In deze uitspraak zal de rechtbank daarom een oordeel geven of het verzoek om een vergoeding van de kosten in bezwaar terecht is afgewezen.
2.1.
De heffingsambtenaar heeft het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen, omdat de vernietiging van de naheffingsaanslag volgens hem niet aan hem te wijten is. Belanghebbende had een verkeerd kenteken ingevoerd. Belanghebbende heeft in beroep aangevoerd dat de vernietiging van de naheffingsaanslag wel aan de heffingsambtenaar te wijten is, omdat de naheffingsaanslag (ook) had moeten worden vernietigd vanwege schending van de opbrengstlimiet.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd en ook niet gereageerd op de vraag of belanghebbende de schending van de opbrengstlimiet al in bezwaar naar voren heeft gebracht. Verder heeft de heffingsambtenaar niet aan zijn verplichting voldaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen.
2.3.
De rechtbank kan bij gebrek aan de op de zaak betrekking hebbende stukken de juistheid van de gronden van belanghebbende niet beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico en rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. Aangezien de heffingsambtenaar de standpunten van belanghebbende niet heeft weersproken, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan. De rechtbank is daarom van oordeel dat ten onrechte geen kostenvergoeding voor het bezwaarschrift is toegekend. De rechtbank kent alsnog een vergoeding van de kosten in bezwaar voor de door een derde verleende rechtsbijstand toe van € 323,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 647,- en een wegingsfactor 0,5).
Conclusie
3. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
3.1.
De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase wordt op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld. De rechtbank stelt de vergoeding van de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid ter zitting met een waarde per punt van € 907,-). De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een lichte zaak en kent daarom een wegingsfactor 0,5 toe voor de bezwaar- en beroepsprocedure.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 20 september 2022 voor wat betreft de beslissing over de kostenvergoeding;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende voor de bezwaarfase tot een bedrag van € 323,50;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor de beroepsfase tot een bedrag van € 907,-;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50,- aan belanghebbende moet vergoeden;
beslist dat voor zover de vergoeding van het griffierecht en de toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 2 juli 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 maart 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1543.
Dit volgt uit artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315 (rechtsoverweging 1.2.3).