Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:4171
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,629 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
zaaknummer: 11161766 \ MB VERZ 24-486
CJIB-nummer: 1062 5422 5525 7335
uitspraakdatum: 5 maart 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 5 maart 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). [naam] is namens Appjection B.V. verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op de
Lange Noordstraat te Middelburg op 12 januari 2023 om 14.59 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Vanwege het noodweer werd betrokkene door de dienstdoende ambtenaar/marktmeester geadviseerd het marktterrein te verlaten. Dit ging alleen over de stoep in plaats via de normale route.
De gemachtigde heeft aangevoerd dat sprake is geweest van digitale handhaving van een geslotenverklaring. Hierop is het “Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden’ van toepassing. Uit stukken moet de aanpak van de gemeente en een verklaring van instemming blijken. Er is geen bewijs van het laatste schouwmoment. Het niet tegelijk fotograferen van het voertuig en het bord brengt met zich mee dat de verbalisant op andere wijze dient te bewijzen dat de bebording daadwerkelijk goed en wel zichtbaar was.
Gemachtigde verzoekt een proceskostenvergoeding.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat de schouwrapporten ontbreken en zijn opgevraagd maar niet zijn ontvangen. De redelijke termijn is overschreden.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De schouwrapporten ontbreken maar zijn opgevraagd. Nu de bebording op de foto van de gedraging is te zien, is geen schouwrapport nodig. Er staat duidelijk een bord met voetgangerszone geplaatst en dat bij doorrijden een boete opgelegd kan worden. Het verweer van betrokkene dat sprake was van een noodweer, is onvoldoende onderbouwd. De gedraging staat vast.
De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het boetebedrag te matigen met 25% omdat de redelijke termijn is overschreden. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het beroep voor het overige ongegrond te verklaren.
Overwegingen
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Dat er sprake zou zijn van een noodsituatie is onvoldoende onderbouwd. Ook het verweer dat er geen schouwrapport is, treft geen doel. Op de foto van de gedraging is duidelijk het geplaatste verkeersbord van de voetgangerszone waar te nemen.
De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat betrokkene voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake was van dwang om het marktterrein te verlaten en dat alleen door het voetgangersgebied gereden kon worden. De boete zal worden gematigd met 25%.
Overschrijding redelijke termijn
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 31 januari 2023 en is de redelijke termijn dus met ruim een maand overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter, te weten 2 punten x gewicht 0,5 x € 907,- = € 907,-.
Dictum
De kantonrechter:
verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 84,37, plus € 9,- administratiekosten;
draagt de officier van justitie op het bedrag van € 65,63, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: