Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-20
ECLI:NL:RBZWB:2025:4162
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,214 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Bergen op Zoom
zaaknummer : 10857482 \ MB VERZ 23-471
CJIB-nummer : 4062 5422 5366 9283
uitspraakdatum : 20 februari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. B. de Jong (Adviesbureau Skandara)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 20 februari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 27 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom op de Borchwerf te Roosendaal op
7 november 2022 om 20.33 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de deugdelijkheid van de bebording niet is komen vast te staan. Betrokkene betwist de H1-bebording te zijn gepasseerd. De verbalisant was ter plekke aanwezig, maar weet niet via welke route betrokkene de bebouwde kom is binnen gereden en daarom kan de verbalisant de bebording niet voorafgaand aan de verweten gedraging hebben gecontroleerd. Gemachtigde verwijst hiervoor naar uitspaken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tot slot verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding. Gemachtigde heeft als aanvulling op het beroepschrift aangegeven welke route betrokkene heeft gereden.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De aanvullende informatie over de bebording is niet tijdig ontvangen. Hierdoor kan de gedraging niet worden vastgesteld. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt geen procespunt toe te kennen voor het verschijnen ter zitting op 12 december 2024 omdat gemachtigde op dat moment niet gemachtigd was om beroep in te stellen. De juiste machtiging is pas getekend na de vorige zitting, namelijk op
22 december 2024.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
Betrokkene heeft de gevolgde route aangegeven, maar de officier van justitie heeft geen (nadere) stukken overgelegd waaruit de aanwezigheid van de bebording blijkt.
Hierdoor kan de kantonrechter niet vaststellen of er sprake was van deugdelijke bebording ten tijde van de vermeende gedraging. Dit betekent dat niet met voldoende zekerheid vast staat dat de gedraging is verricht. Het beroep is dan ook gegrond.
De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen, die als volgt is berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 647,- = € 323,50
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
totaal € 777,00
De kantonrechter is met de zittingsvertegenwoordiger van oordeel dat geen punt wordt toegekend voor het verschijnen van gemachtigde ter zitting van 12 december 2024. Gemachtigde was op de zittingsdatum niet gemachtigd om op te treden namens betrokkene. De geldige machtiging is pas op 22 december 2024 ondertekend.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 315,-, dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 777,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: