Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:4138
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,714 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11164750 \ MB VERZ 24-797
CJIB-nummer: 0062 5422 5145 5814
uitspraakdatum: 11 februari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 11 februari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bromfietser niet de rijbaan gebruiken als er geen verplicht fiets/bromfietspad aanwezig is (bord G12a) op de Sint Janstraat [nr.] te Breda op 24 juli 2022 om 19:35 uur.
Betrokkene heeft in het administratief beroepschrift samengevat aangevoerd dat hij drie keer een sanctiebeschikking heeft ontvangen met dezelfde pleegdatum, maar wel op andere tijdstippen. Daarnaast is het slecht aangegeven waar je wel en niet mag rijden en zijn er voor bepaalde bedrijven uitzonderingen waar zij zich wel in de stad mogen bevinden.
Aanvullend stelt de gemachtigde dat de foto in het zaakoverzicht onvoldoende duidelijk is. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Op de foto is de kentekenplaat niet te zien. Er is enkel een foto van een vergrote kentekenplaat; onduidelijk is of deze behoort bij het voertuig van betrokkene. Gemachtigde stelt verder dat de opsporingsambtenaar niet bevoegd is nu er gehandhaafd wordt voor de verkeersveiligheid. Gemachtigde voert aan dat de officier van justitie een bewijslast heeft om aan te tonen dat de gedraging is verricht. Voorts verzoekt gemachtigde om een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ter zitting heeft de zittingsvertegenwoordiger een algemeen proces-verbaal en een aanvullend proces-verbaal overgelegd. Het algemeen proces-verbaal ziet op de handhaving op de pleeglocatie. Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat het niet gaat om de verkeersveiligheid, maar om leefbaarheid. De foto van de gedraging is voldoende duidelijk evenals het kenteken van het voertuig. De zittingsvertegenwoordiger ziet geen reden te twijfelen dat op het juiste kenteken is beboet. Betrokkene heeft diezelfde dag meerdere boetes opgelegd gekregen maar het gaat daarbij om verschillende plaatsen, tijden en kentekens. Betrokkene had de geplaatste bebording kunnen waarnemen en een andere route kunnen nemen.
De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het boetebedrag te matigen met 25% omdat de redelijke termijn is overschreden. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het beroep voor het overige ongegrond te verklaren.
Overwegingen
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de foto’s van de gedraging - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
De foto’s van de gedragingen zijn voldoende duidelijk om de gedraging vast te stellen. Het kenteken is uitgelicht en goed te lezen. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de constatering van de gedraging.
De gemachtigde voert aan dat de opsporingsambtenaar niet bevoegd is nu er gehandhaafd wordt voor de verkeersveiligheid. Dit verweer volgt de kantonrechter niet. Uit het algemeen proces-verbaal blijkt dat het voetgangersgebied (mede) is ingesteld met het oog op de leefbaarheid, zodat boa’s bevoegd zijn op te treden.
Betrokkene heeft aangevoerd meerdere boetes te hebben ontvangen in het centrum van Breda, dit zijn echter losstaande gedragingen verricht met verschillende voertuigen op een verschillende tijdstippen.
De boete is dus terecht opgelegd.
Overschrijding redelijke termijn
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 16 augustus 2022 en is de redelijke termijn dus met
bijna 6 maanden overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter, te weten 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50.
Dictum
De kantonrechter:
verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 75,-, plus € 9,- administratiekosten;
draagt de officier van justitie op het bedrag van € 25,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: