Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:4137
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,538 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummers: 11236965 \ MB VERZ 24-1001 - 11236998 \ MB VERZ 24-1002 - 11237051 \ MB VERZ 24-1003
CJIB-nummers: 3062 5422 5353 4659
7062 5422 5353 4518
8062 5422 5353 4862
uitspraakdatum: 11 februari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op beroepen op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaken van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]
Procesverloop
Aan betrokkene zijn drie administratieve sancties (hierna: boetes) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft de beroepen ongegrond verklaard. Tegen die beslissingen is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaken zijn behandeld op de zitting van 11 februari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). De gemachtigde (echtgenote van betrokkene) is ook verschenen met de heer [persoon] , hun schoonzoon. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedragingen waarvoor boetes zijn opgelegd luiden, kort omschreven:
parkeren op parkeerplaats vergunninghouders (bord E9) zonder vergunning voor dat voertuig op de Dr. Van Mierlostraat [nr.] te Breda
op 22 oktober 2022 om 10:22 uur;
op 18 oktober 2022 om 17:38 uur;
op 23 oktober 2022 om 15:28 uur.
Betrokkene heeft in de beroepschriften samengevat aangevoerd dat de boetes niet redelijk zijn gelet op de omstandigheden waaronder de gedragingen hebben plaatsgevonden. Betrokkene heeft drie keer een boete ontvangen voor het parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders. Betrokkene beschikte over een parkeervergunning voor de periode van 1 maart 2022 tot en met 28 februari 2023. In april 2022 is betrokkene plotseling en blijvend opgenomen in een verzorgingstehuis. Bij gemachtigde (zijn echtgenote) was niet bekend dat door de verhuizing van haar echtgenoot de vergunning behorende bij de auto niet meer geldig zou zijn. De informatie op de website is hier niet eenduidig in. De brief hierover aan betrokkene in het verzorgingstehuis, is nooit ontvangen. Gemachtigde zag deze voor het eerst als bijlage bij de beslissingen van de officier van justitie. De dochter van betrokkene heeft de auto in april 2022 meegenomen naar Prinsenbeek, hier heeft de auto tot medio oktober 2022 gestaan. In verband met de verkoop van de auto heeft deze, zonder onderbreking, meerdere dagen in de Dr. Van Mierlostraat gestaan. Gemachtigde ging er in deze periode van uit dat de vergunning nog geldig was. Alle drie de boetes hebben betrekking op dezelfde korte periode.
Ter zitting is namens betrokkene hieraan toegevoegd dat niet zelf de vergunning is ingetrokken.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep met CJIB-nummer 3062 5422 5353 4659 deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de stukken bij het aanvullend proces-verbaal blijkt dat de parkeervergunning op verzoek van betrokkene was ingetrokken. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het boetebedrag te matigen met 25% omdat betrokkene niet is gehoord of hierop is gewezen door de officier van justitie én te matigen met 25% omdat de redelijke termijn is overschreden. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het beroep voor het overige ongegrond te verklaren.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht de beroepen met CJIB-nummers 7062 5422 5353 4518 en 8062 5422 5353 4862 deels gegrond te verklaren en te matigen tot nihil.
De zittingsvertegenwoordiger wil aannemen dat de brief aan betrokkene niet is ontvangen in het verzorgingstehuis en dat daarom geen actie is ondernomen.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in de dossiers - met name uit de verklaringen van de verbalisant en de foto’s van de gedraging - voldoende blijkt dat de gedragingen waarvoor de boetes zijn opgelegd, zijn verricht. Namens betrokkene wordt ook niet betwist dat op de pleeglocatie is geparkeerd, maar gesteld dat zij in de veronderstelling was (nog steeds) in het bezit te zijn van een geldige parkeervergunning.
De kantonrechter heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de gemachtigde dat zij niet zelf om intrekking van de vergunning heeft gevraagd. Hij gaat er, net als de zittingsvertegenwoordiger, van uit dat de brief van de gemeente Breda over het intrekken van de vergunning niet door betrokkene is ontvangen. Hierdoor was de gemachtigde niet op de hoogte dat de vergunning was ingetrokken en dat niet meer mocht worden geparkeerd op de pleeglocatie.
Gezien deze omstandigheden is het niet billijk hiervoor boetes op te leggen. De boetes zijn dan ook ten onrechte opgelegd.
De beroepen zijn daarom gegrond. De beschikkingen waarbij de boetes zijn opgelegd en de beslissingen van de officier van justitie zullen worden vernietigd. De bedragen die betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moeten door de officier van justitie worden terugbetaald.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart de beroepen gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissingen van de officier van justitie en de beschikkingen waarbij de boetes zijn opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het totaalbedrag van € 327,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: