Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:4132
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,294 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 10104893 \ MB VERZ 22-837
CJIB-nummer : 9062 5422 3806 8984
uitspraakdatum : 11 februari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [naam]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. N.G.A. Voorbach (Verkeersboete.nl)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep gegrond verklaard en bij het toekennen van de proceskostenvergoeding onderhavige zaak als samenhangend met 22 andere zaken aangemerkt en wegingsfactor 0,25 toegekend. Tegen die beslissing is door gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 11 februari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Mr. J. Piet van Verkeersboete.nl is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de officier van justitie ten onrechte beroepschriften als samenhangend heeft aangemerkt bij het vergoeden van de proceskosten. Van een extra inspanning moet geen sprake zijn bij het aanmerken van samenhangende zaken en er moet sprake zijn van nagenoeg identieke werkzaamheden. Hier gaat het om 23 zaken in allerlei verschillende feitencomplexen. In de beroepen is op de betreffende situaties ingegaan middels verweren die relevant zijn voor de betreffende situaties. Verzocht wordt om wegingsfactor licht toe te passen in plaats van zeer licht. Gemachtigde verzoekt één proceskostenvergoeding toe te kennen voor het administratief beroep, één punt voor het beroepschrift in de kantonfase, en eventueel één punt voor het bijwonen van de zitting.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat de drie zaken die op deze zitting worden behandeld niet als samenhangend aangemerkt kunnen worden bij de proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren. De zaken zijn ten onrechte als samenhangend aangemerkt. Voor de behandeling bij de kantonrechter is wel sprake van samenhang met de zaak met CJIB-nummer 3062 5422 3839 4256.
Overwegingen
De kantonrechter is met de gemachtigde en de zittingsvertegenwoordiger van oordeel dat er geen sprake is van samenhangende zaken bij het administratief beroep. De officier van justitie heeft dan ook ten onrechte samenhang van deze zaak met 22 andere zaken aangenomen. Het beroep is gelet hierop gegrond.
Dit betekent dat het bestreden besluit, waarbij een proceskostenvergoeding is toegekend op basis van samenhangende zaken, moet worden vernietigd en dat er een aangepaste proceskostenvergoeding moet worden toegekend.
De proceskostenvergoeding voor het administratief beroep is als volgt berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 647,- = € 323,50
Bij de uitbetaling mag de officier van justitie het aan deze zaak toe te rekenen deel van de eerder toegekende proceskostenvergoeding in mindering brengen, te weten € 200,25 / 23 = € 8,71, zodat de nabetaling € 314,79 bedraagt.
De kantonrechter overweegt dat voor de fase bij de kantonrechter wegingsfactor 0,25 zal worden toegepast, nu in deze fase alleen de proceskostenvergoeding nog in geschil was.
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 907,- = € 226,75
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 907,- = € 226,75
€ 453,50
De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van samenhang in de behandeling van deze zaak en de zaak met CJIB-nummer 3062 5422 3839 4256. In beide zaken wordt hetzelfde verweer gevoerd over de proceskostenvergoeding en de zaken worden tegelijk op zitting behandeld. Daarom zal een proceskostenvergoeding voor de fase bij de kantonrechter in deze zaak worden toegekend van: € 453,50 / 2 = € 226,75.
Er zal een totale proceskostenvergoeding van € 541,54 worden toegekend.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie voor zover daarbij voor deze zaak een proceskostenvergoeding is toegekend gebaseerd op samenhangende zaken;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 541,54 (na) te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: