Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:4123
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,335 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11040667 \ MB VERZ 24-438
CJIB-nummer : 1062 5422 5641 7440
uitspraakdatum : 11 februari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 11 februari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12 op de Houtmarkt (richting Oude Vest) te Breda op 16 februari 2023 om 13:49 uur.
Betrokkene heeft in het administratief beroepschrift samengevat aangevoerd dat het bord over het hoofd is gezien. Toen duidelijk werd dat het niet de bedoeling is om de geslotenverklaring in te rijden was betrokkene al geflitst.
De gemachtigde stelt dat de officier van justitie op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet handelen overeenkomstig de beleidsregels die zijn neergelegd in de Beleidsregels en het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden (hierna: Beleidskader). Het Beleidskader schrijft onder meer voor dat er een plattegrond dient te worden overgelegd, met daarop alle borden en vooraankondigingen. Daarnaast bepaalt het Beleidskader dat er geen sprake mag zijn van een fuik. Voorkomen moet worden dat bestuurders bijna gedwongen worden de geslotenverklaring te negeren. Een fuik kan voorkomen worden met vooraankondigingen. Daarbij moet een bestuurder kunnen keren bij of na de vooraankondiging. Aanvullend stelt gemachtigde dat op grond van het Beleidskader er eerst een waarschuwingsperiode dient te volgen. Als in die periode een overtreding wordt begaan, dient er een waarschuwingsbrief naar de kentekenhouder te worden verzonden. De beginperiode dient in een algemeen proces-verbaal, voordat de digitale handhaving wordt gestart, te worden vastgesteld door de gemeente. Uit het dossier blijkt niet dat de Gemeente in de eerste periode is overgegaan tot het opsturen van waarschuwingsbrieven naar kentekenhouders. Hierdoor is er in strijd gehandeld met de beleidsregel in de zin van artikel 3 lid 3 Wahv, waardoor de sanctie vernietigt dient te worden. Gemachtigde voert aan dat de officier van justitie een bewijslast heeft om aan te tonen dat de gedraging is verricht. Voorts verzoekt gemachtigde om een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De waarschuwingsperiode die de gemeente Breda heeft gehanteerd was verlopen op de pleegdatum.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de foto’s van de gedraging - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
Dit wordt feitelijk ook niet betwist.
De gemachtigde heeft aangevoerd dat, in strijd met het ‘Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden’ ten onrechte geen waarschuwingsbrief is gestuurd. De kantonrechter verwerpt dit verweer. De gemeente Breda heeft voor de geslotenverklaring op de Houtmarkt een beginperiode gehanteerd van 4 december 2019 tot 1 maart 2020. In die periode werd volstaan met een waarschuwing. Na deze periode is overgegaan tot het opleggen van boetes. In deze zaak is de pleegdatum – 16 februari 2023 - gelegen na de beginperiode. Er hoefde dus geen waarschuwingsbrief te worden verzonden (zie ook ECLI:NL:GHARL:2024:4060). Er is ook geen sprake van een fuik omdat er voldoende vooraankondigingsborden staan en er bovendien ter plaatse voldoende ruimte is om te keren.
De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
Dictum
De kantonrechter:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: