Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:4122
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,077 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11282285 \ MB VERZ 24-1160
CJIB-nummer : 6062 5422 5760 1779
uitspraakdatum : 11 februari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [naam]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 11 februari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: een voertuig parkeren waar dat niet mag (bod E1, parkeerverbod(szone)), op 26 april 2023 om 17:26 uur op de Oude Vest in Breda.
Betrokkene voert aan dat hij via een derde partij in bezwaar is gegaan, maar die heeft zijn gegevens niet goed doorgezet aan de officier van justitie. Hij wil graag in beroep om zijn parkeerboete aan te vechten.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren nu de officier van justitie ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren. De verbalisant heeft in het zaakoverzicht verklaard dat op de pleeglocatie niet mag worden geparkeerd. Betrokkene heeft geen gronden aangevoerd.
Overwegingen
Ontvankelijkheid beroep bij de officier van justitie
De kantonrechter is van oordeel dat de officier van justitie ten onrechte het beroep van gemachtigde niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit de stukken in het dossier blijkt dat een geldige machtiging is overgelegd bij het beroepschrift met dagtekening 12 mei 2023. De beslissing om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van een juiste machtiging is dan ook onjuist.
Dit betekent dat het beroep tegen die beslissing gegrond is en dat die beslissing moet worden vernietigd.
Inhoudelijk
De kantonrechter zal vervolgens het beroep tegen de boete inhoudelijk beoordelen. De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken. Betrokkene heeft echter niets aangevoerd. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant.
De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet ook geen reden om de boete te matigen.
Het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd wordt daarom ongegrond verklaard.
Dictum
De kantonrechter:
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: