Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:4091
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,162 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
zaaknummer : 11162006 \ MB VERZ 24-501
CJIB-nummer : 9062 5422 5142 9967
uitspraakdatum : 5 maart 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 5 maart 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Grote Abele te Oost-Souburg op 21 juli 2022 om 15.23 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Er is zonder identificatie een boete uitgeschreven op naam van betrokkene. Volgens de verklaring van de verbalisant was er sprake van een jongeman die op de scooter zou hebben gereden. Betrokkene is een vrouw. Betrokkene was ook niet aanwezig in Oost-Souburg ten tijde van constatering van de verweten gedraging.
Betrokkene zou graag bewijs willen zien dat de gedraging is verricht met haar scooter.
Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd niet meer te weten of haar broertje of haar ex-vriend op de scooter heeft gereden en dat dit ook niet meer te achterhalen is.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verbalisant had de bestuurder van het voertuig staande moeten houden. In sommige gevallen is een staandehouding niet mogelijk maar dan moet dit duidelijk genoteerd worden. De verbalisant had geen stopmiddelen voorhanden en was in burgerkleding. Deze verklaring is te summier om te kunnen vaststellen of de verbalisant in zijn vrije tijd was en/of de verbalisant in een dienstvoertuig reed. Ook tijdens de hoorzitting heeft betrokkene hetzelfde verweer aangevoerd. De officier van justitie had hierop een aanvullend proces-verbaal op moeten vragen bij de verbalisant. Nu dit niet is gedaan, is niet vast te stellen dat de gedraging is verricht.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Volgens het zaakoverzicht heeft de verbalisant afgezien van staandehouding omdat
hij niet beschikte over middelen tot staandehouding, zoals een stoptransparant of optische- en geluidssignalen en in burgerkleding was.
Naar het oordeel van de kantonrechter is dit geen gegronde reden om van staandehouding af te zien. De boete is dan ook ten onrechte opgelegd aan de kentekenhouder.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 234,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: