Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-25
ECLI:NL:RBZWB:2025:4058
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Beschikking
4,370 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11384780 \ CV EXPL 24-3743
Vonnis van 25 juni 2025
in de zaak van
[de verhuurder]
,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de verhuurder,
gemachtigde: mr. E.P.E. Fluit,
tegen
[de huurder]
,
wonende te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de huurder,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 december 2024 en de daarin genoemde stukken,
- de mondelinge behandeling van 8 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op de mondelinge behandeling zijn verschenen: namens [de verhuurder] de heer [naam 1] , vergezeld van haar gemachtigde mr. E.P.E. Fluit, en aan de zijde van [de huurder] de heer [de huurder] zelf, vergezeld van zijn vriendin, mevrouw [naam 2] .
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[de huurder] huurde vanaf oktober 2019 tot 23 november 2020 een woning aan [adres] te [plaats 2] . In de huurovereenkomst is een huurprijs van € 720,00 bepaald.
2.2.
Bij vonnis van 23 november 2020 bepaalde de voorzieningenrechter dat [de huurder] de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis moet ontruimen en verlaten.
2.3.
Op 23 december 2020 is de woning ontruimd en door [de huurder] verlaten.
Geschil
3.1.
[de verhuurder] vordert - samengevat - veroordeling van de huurder tot betaling van € 8.452,80 aan huurachterstand, € 797,64 aan buitengerechtelijke incassokosten, en de wettelijke rente daarover tot de datum van de dagvaarding, wat resulteert in een totaal te vorderen bedrage van € 10.348,90, welk bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding.
3.2.
[de verhuurder] legt aan de vordering ten grondslag dat [de huurder] verzuimt de huurachterstand à € 8.452,80 te betalen, zodat hij eveneens de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd.
3.3.
[de huurder] betwist dat hij een huurachterstand heeft. Hij stelt dat partijen zijn overeengekomen dat hij geen huur hoefde te betalen zolang sprake was van gebreken aan de woning die zijn woongenot aantastten.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
De huurachterstand
4.1.
[de huurder] stelt dat hij met [de verhuurder] is overeengekomen dat hij geen huur hoefde te betalen zolang de gebreken aan het gehuurde niet waren verholpen. Dit standpunt wordt door de kantonrechter verworpen. [de huurder] heeft onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die het bestaan van een dergelijke afspraak aantoont. De overgelegde WhatsApp-correspondentie biedt daarvoor evenmin voldoende aanknopingspunten. Hoewel daaruit blijkt dat partijen frequent appcontact hadden, blijkt nergens dat [de verhuurder] (ondubbelzinnig) heeft ingestemd om de huurbetaling op te schorten. [de huurder] heeft zijn stelling dan ook onvoldoende onderbouwd.
Hoewel tijdens de zitting door [de huurder] nog summier is aangevoerd dat sprake is van dwaling, is daaraan geen gevolg verbonden en onvoldoende onderbouwing gegeven, waardoor de rechter hieraan voorbij gaat.
4.2.
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter tot het oordeel komt dat [de huurder] gehouden is tot betaling van de huurachterstand van € 8.452,80 aan [de verhuurder] , en de kantonrechter zal hem daartoe veroordelen.
De nevenvorderingen
4.3.
Gelet op het bovenstaande staat vast dat [de huurder] de huurachterstand aan [de verhuurder] is verschuldigd en derhalve in verzuim verkeert. Het gevorderde bedrag (€ 1.098,46) aan wettelijke rente tot 30 april 2024 is daardoor toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de wettelijke rente over € 8.452,80 vanaf 30 april 2024 totdat de vordering volledig is voldaan.
4.4.
[de verhuurder] maakt daarnaast aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Daartoe heeft zij een brief, gedateerd 18 september 2024, verzonden zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 5 BW. Deze brief is op 23 september 2024 bij exploot aan [de huurder] betekend. [de huurder] heeft op de zitting betwist dat hij deze brief heeft ontvangen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij, nadat hij de woning moest ontruimen, is verhuisd naar het zogeheten ‘ [huis] ’ in [plaats 2] . Hij heeft daar nooit een brief ontvangen.
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. [de huurder] heeft de woning in 2020 moeten ontruimen en verlaten. In zijn conclusie van antwoord heeft hij verklaard dat hij ongeveer dertien maanden in het [huis] heeft verbleven. Uitgaande van die verklaring woonde [de huurder] op 23 september 2024, de datum waarop het exploot is betekend, niet meer in het [huis] . Daarbij merkt de kantonrechter op dat het exploot is betekend op hetzelfde adres als waar ook de dagvaarding is betekend. Voorts verklaart [de huurder] in zijn antwoord dat hij tot aan de sommatie niets van [de verhuurder] had vernomen. Hieruit leidt de kantonrechter af dat hij de sommatie wel degelijk heeft ontvangen. De kantonrechter stelt daarom vast dat [de huurder] conform de wet in gebreke is gesteld. Nu het gevorderde bedrag overeenkomt met het bedrag waarop volgens de staffel van het Besluit buitengerechtelijke incassokosten aanspraak bestaat, zal dit bedrag (€ 797,64) worden toegewezen.
4.6.
[de huurder] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de verhuurder] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,38
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.332,38
4.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [de huurder] om aan [de verhuurder] betalen een bedrag van € 10.348,90, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 8.452,80 met ingang van 30 april 2024, totdat de vordering volledig is betaald,
5.2.
veroordeelt [de huurder] in de proceskosten, aan de zijde van [de verhuurder] begroot op € 1.332,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de huurder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [de huurder] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bosters en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11384780 \ CV EXPL 24-3743
Vonnis van 25 juni 2025
in de zaak van
[de verhuurder]
,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de verhuurder,
gemachtigde: mr. E.P.E. Fluit,
tegen
[de huurder]
,
wonende te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de huurder,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 december 2024 en de daarin genoemde stukken,
- de mondelinge behandeling van 8 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op de mondelinge behandeling zijn verschenen: namens [de verhuurder] de heer [naam 1] , vergezeld van haar gemachtigde mr. E.P.E. Fluit, en aan de zijde van [de huurder] de heer [de huurder] zelf, vergezeld van zijn vriendin, mevrouw [naam 2] .
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[de huurder] huurde vanaf oktober 2019 tot 23 november 2020 een woning aan [adres] te [plaats 2] . In de huurovereenkomst is een huurprijs van € 720,00 bepaald.
2.2.
Bij vonnis van 23 november 2020 bepaalde de voorzieningenrechter dat [de huurder] de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis moet ontruimen en verlaten.
2.3.
Op 23 december 2020 is de woning ontruimd en door [de huurder] verlaten.
Geschil
3.1.
[de verhuurder] vordert - samengevat - veroordeling van de huurder tot betaling van € 8.452,80 aan huurachterstand, € 797,64 aan buitengerechtelijke incassokosten, en de wettelijke rente daarover tot de datum van de dagvaarding, wat resulteert in een totaal te vorderen bedrage van € 10.348,90, welk bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding.
3.2.
[de verhuurder] legt aan de vordering ten grondslag dat [de huurder] verzuimt de huurachterstand à € 8.452,80 te betalen, zodat hij eveneens de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd.
3.3.
[de huurder] betwist dat hij een huurachterstand heeft. Hij stelt dat partijen zijn overeengekomen dat hij geen huur hoefde te betalen zolang sprake was van gebreken aan de woning die zijn woongenot aantastten.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
De huurachterstand
4.1.
[de huurder] stelt dat hij met [de verhuurder] is overeengekomen dat hij geen huur hoefde te betalen zolang de gebreken aan het gehuurde niet waren verholpen. Dit standpunt wordt door de kantonrechter verworpen. [de huurder] heeft onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die het bestaan van een dergelijke afspraak aantoont. De overgelegde WhatsApp-correspondentie biedt daarvoor evenmin voldoende aanknopingspunten. Hoewel daaruit blijkt dat partijen frequent appcontact hadden, blijkt nergens dat [de verhuurder] (ondubbelzinnig) heeft ingestemd om de huurbetaling op te schorten. [de huurder] heeft zijn stelling dan ook onvoldoende onderbouwd.
Hoewel tijdens de zitting door [de huurder] nog summier is aangevoerd dat sprake is van dwaling, is daaraan geen gevolg verbonden en onvoldoende onderbouwing gegeven, waardoor de rechter hieraan voorbij gaat.
4.2.
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter tot het oordeel komt dat [de huurder] gehouden is tot betaling van de huurachterstand van € 8.452,80 aan [de verhuurder] , en de kantonrechter zal hem daartoe veroordelen.
De nevenvorderingen
4.3.
Gelet op het bovenstaande staat vast dat [de huurder] de huurachterstand aan [de verhuurder] is verschuldigd en derhalve in verzuim verkeert. Het gevorderde bedrag (€ 1.098,46) aan wettelijke rente tot 30 april 2024 is daardoor toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de wettelijke rente over € 8.452,80 vanaf 30 april 2024 totdat de vordering volledig is voldaan.
4.4.
[de verhuurder] maakt daarnaast aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Daartoe heeft zij een brief, gedateerd 18 september 2024, verzonden zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 5 BW. Deze brief is op 23 september 2024 bij exploot aan [de huurder] betekend. [de huurder] heeft op de zitting betwist dat hij deze brief heeft ontvangen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij, nadat hij de woning moest ontruimen, is verhuisd naar het zogeheten ‘ [huis] ’ in [plaats 2] . Hij heeft daar nooit een brief ontvangen.
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. [de huurder] heeft de woning in 2020 moeten ontruimen en verlaten. In zijn conclusie van antwoord heeft hij verklaard dat hij ongeveer dertien maanden in het [huis] heeft verbleven. Uitgaande van die verklaring woonde [de huurder] op 23 september 2024, de datum waarop het exploot is betekend, niet meer in het [huis] . Daarbij merkt de kantonrechter op dat het exploot is betekend op hetzelfde adres als waar ook de dagvaarding is betekend. Voorts verklaart [de huurder] in zijn antwoord dat hij tot aan de sommatie niets van [de verhuurder] had vernomen. Hieruit leidt de kantonrechter af dat hij de sommatie wel degelijk heeft ontvangen. De kantonrechter stelt daarom vast dat [de huurder] conform de wet in gebreke is gesteld. Nu het gevorderde bedrag overeenkomt met het bedrag waarop volgens de staffel van het Besluit buitengerechtelijke incassokosten aanspraak bestaat, zal dit bedrag (€ 797,64) worden toegewezen.
4.6.
[de huurder] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de verhuurder] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,38
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.332,38
4.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [de huurder] om aan [de verhuurder] betalen een bedrag van € 10.348,90, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 8.452,80 met ingang van 30 april 2024, totdat de vordering volledig is betaald,
5.2.
veroordeelt [de huurder] in de proceskosten, aan de zijde van [de verhuurder] begroot op € 1.332,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de huurder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [de huurder] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bosters en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.