Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-06
ECLI:NL:RBZWB:2025:3933
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
893 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2233
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juni 2025 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats 1] , verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [b.v.] . uit [plaats 2] ( [b.v.] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan voor de bouw van twee woningen op het perceel [straat] ongenummerd in [plaats 1] .
1.1.
Het college heeft de vergunning met het besluit van 14 maart 2025, verzonden 18 maart 2025, verleend. Verzoekers hebben hiertegen, samen met anderen, beroep ingesteld. Daarnaast hebben zij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
1.2.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op dit verzoek. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
Verzoekers willen dat er een voorlopige voorziening wordt getroffen, om te voorkomen dat er gebouwd wordt.
Het college heeft aangegeven dat op basis van de verleende vergunning nog niet gebouwd mag worden. De vergunning ziet alleen op het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel. Voor het bouwen is eerst nog een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit nodig. Die is nog niet aangevraagd of verleend. Dit staat ook zo vermeld in bijlage 1 bij de vergunning.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betekent dit dat [b.v.] , in tegenstelling tot wat verzoekers stellen, voorlopig nog niet mag bouwen. Er gebeurt dus nog niets onomkeerbaars. Zolang er nog geen vergunning is verleend voor de bouwactiviteit, is er daarom geen spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst, krijgen verzoekers hun griffierecht niet terug en krijgen zij ook geen vergoeding van proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier op 6 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.