Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-20
ECLI:NL:RBZWB:2025:3868
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,366 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/1690 en 25/1691
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die belanghebbende heeft ingesteld, omdat de inspecteur volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen met aanslagnummers [bsn 1] .H.76.01 en [bsn 2] .H.86.01.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Zijn de beroepen ontvankelijk?
3. Belanghebbende heeft op 11 juni 2024 verzocht om vermindering van de aanslagen. De inspecteur moet binnen acht weken beslissen op de aanvraag. De inspecteur had dus uiterlijk 6 augustus 2024 moeten beslissen. Belanghebbende heeft de inspecteur op 28 februari 2025 in gebreke gesteld en op 19 maart 2025 beroep ingesteld.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur na het instellen van de beroepen alsnog de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering heeft genomen op 26 maart 2025. Ook heeft de inspecteur op 2 april 2025 een dwangsombeschikking genomen. Nu de inspecteur alsnog op de verzoeken heeft beslist, is het procesbelang aan de beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit komen te vervallen. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
3.2.
Op grond van de wet ziet het beroep ook op de alsnog genomen beslissingen. De rechtbank heeft belanghebbende gevraagd of hij het eens is met de genomen beslissingen. Belanghebbende heeft te kennen gegeven dat hij dat pas weet nadat hij over alle stukken beschikt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de beroepen ook zien op de alsnog genomen beslissingen.
3.3.
Omdat de bezwaarfase nog niet is doorlopen, zal de rechtbank de zaken verwijzen naar de inspecteur voor een inhoudelijke behandeling. De rechtbank zal de inspecteur daarom opdragen om de beroepen als bezwaarschrift in behandeling te nemen en te beoordelen of terecht geen ambtshalve verminderingen en geen dwangsom zijn toegekend. Omdat de inspecteur in de bezwaarprocedure mede moet beslissen over de dwangsom, kan de rechtbank in deze procedure geen dwangsom toekennen.
3.4.
De rechtbank laat doorzending van de beroepen en de overige nadere stukken van belanghebbende achterwege, omdat de inspecteur hierover al beschikt.
Conclusie
4. De beroepen wegens niet tijdig beslissen zijn niet-ontvankelijk, omdat het procesbelang bij die beroepen is komen te vervallen. De rechtbank draagt de inspecteur op om de beroepen in behandeling te nemen als bezwaarschriften tegen de beslissingen van 26 maart 2025 en de dwangsombeschikking van 2 april 2025.
4.1.
Omdat terecht beroepen zijn ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op de verzoeken van belanghebbende, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft voor de beroepsfase geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
draagt de inspecteur op om de beroepen in behandeling te nemen als bezwaarschriften tegen de beslissingen van 26 maart 2025 en de dwangsombeschikking van 2 april 2025;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 20 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Dit staat in artikel 4:13, tweede lid van de Awb.
Dit staat in artikel 6:20, derde lid van de Awb.
Op grond van artikel 6:20, vierde lid van de Awb.
Dit volgt uit artikel 4:19 van de Awb.