Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-20
ECLI:NL:RBZWB:2025:3866
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,632 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/3014
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2025 op het verzet van
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 april 2023 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 april 2023 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende daartegen ongegrond heeft verklaard. Verder heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard voor zover het beroep was gericht tegen de door de inspecteur genomen ambtshalve beslissing. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting met aanslagnummer [bsn] .Y.9.7 en bij beschikking opgelegde boete.
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 7 april 2023 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van belanghebbende
4. Het beroep van belanghebbende was gericht tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur 20 augustus 2021. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig was ingediend.
De uitspraak van 7 april 2023
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het verzet van belanghebbende
6. Belanghebbende is in verzet gekomen en is van mening dat zijn belang dient te prevaleren boven het formele standpunt dat het bezwaar te laat is ingediend.
7. Niet in geschil is dat het bezwaar te laat is ingediend. De termijn waarbinnen bezwaar moet worden gemaakt is van openbare orde. Dit betekent dat bij een termijnoverschrijding een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. Daarvan kan niet worden afgeweken, ook al heeft iemand er belang bij dat het bezwaar inhoudelijk wordt behandeld. Dat is alleen anders indien “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest” en de termijnoverschrijding niet aan hem kan worden toegerekend, of te wel indien de termijnoverschrijding “verschoonbaar” is.
8. De rechtbank constateert dat de inspecteur belanghebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De door de inspecteur in acht te nemen zorgvuldigheid brengt mee dat hij dit wel had moeten doen, voordat hij het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. Dit doet er echter niet aan af dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende heeft zowel in beroep als in verzet geen redenen aangevoerd op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Conclusie
9. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 7 april 2023. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 20 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:11 van de Awb.
Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1595.