Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-20
ECLI:NL:RBZWB:2025:3860
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,358 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3555
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2025 op het verzet van
[belanghebbende], uit [plaats] ([land]), belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2024 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2024 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en bij beschikking opgelegde boete met [aanslagnummer].
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 oktober 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de beroepstermijn is overschreden. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3. Belanghebbende voert in verzet aan dat zij niet in staat is te bewijzen dat de eigenaar van de auto – haar voormalige partner, alles heeft gedaan om haar de schuld te geven. Belanghebbende verzoekt om de betaling van de boete uit te stellen, of de boete te matigen.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Belanghebbende heeft in verzet inhoudelijke gronden aangevoerd. Belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd tegen de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft belanghebbende er bij brief van 28 oktober 2024 op gewezen dat in verzet alleen wordt beoordeeld of het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dus niet of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Ten overvloede: behandeling als verzoek om ambtshalve vermindering?
6. De inspecteur heeft in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat de verzuimboete gematigd dient te worden tot 50%, gelet op wijziging van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. De rechtbank draagt de inspecteur op om het beroepschrift in behandeling te nemen als verzoek om ambtshalve vermindering. De rechtbank laat fysieke doorzending van het beroepschrift achterwege, omdat de inspecteur hierover al beschikt.
Conclusie
7. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank niet juist is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 1 oktober 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
draagt de inspecteur op het verzoek om ambtshalve vermindering in behandeling te nemen;
verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 20 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).