Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-20
ECLI:NL:RBZWB:2025:3773
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,264 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1058
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I.A.C. Cools)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Lipman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de uitkering.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het UWV de aanvraag mocht afwijzen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het UWV heeft met het besluit van 1 november 2023 geweigerd per 5 mei 2023 aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 januari 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is het UWV dus bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling
3. De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Zowel de primaire verzekeringsarts als de (verzekerings-)arts bezwaar en beroep (hierna: arts b&b) hebben eiseres medisch onderzocht en de arts b&b heeft medische informatie opgevraagd.
3.1.
De onderzoeksbevindingen vormen voldoende onderbouwing voor de door de arts b&b vastgestelde belastbaarheid. Er zijn op basis van het (medische) dossier geen aanwijzingen dat eiseres meer beperkingen heeft dan dat door de arts b&b is aangenomen. Bij de opstelling van de Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden.
3.2.
Het standpunt van eiseres dat zij niet in staat is de geduide functies te verrichten is in feite gericht tegen de FML. De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat er geen reden is om aan die vaststelling te twijfelen. Gelet hierop mochten de door het UWV gehanteerde functies worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres. Op basis van de inkomsten die zij met deze functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 28,12%. Omdat eiseres tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid. Nu pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35% of meer, mocht het UWV bepalen dat eiseres vanaf 5 mei 2023 geen recht heeft op een WIA-uitkering.
3.3.
De rechtbank heeft begrip voor de situatie van eiseres, dat zij vindt dat haar medische beperkingen onvoldoende tot uitdrukking zijn gebracht in de FML, maar aan haar (subjectieve) beleving kan in het wettelijke systeem van de WIA geen doorslaggevende betekenis worden gegeven.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 20 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.