Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:3636
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
15,884 tokens
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/427899 / HA ZA 24-590
Vonnis van 11 juni 2025
in de zaak van
NEBAPO HOLDING B.V.,
te Oosterhout,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: NeBaPo,
advocaat: mr. S. Lagidse,
tegen
[persoon]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon] ,
advocaat: mr. K.G.A.P. Boemaars.
1De zaak in het kort
NeBaPo heeft een geldlening verstrekt aan [bedrijf] B.V., waarvoor [persoon] zich borg heeft gesteld. Omdat [bedrijf] B.V. de geldlening en de daarover verschuldigde rente niet volledig heeft (terug)betaald, spreekt NeBaPo [persoon] aan op grond van de borgtocht. [persoon] is het daar niet mee eens. Onder meer vindt [persoon] dat NeBaPo eerst andere zekerheden moet uitwinnen voordat zij hem als borg kan aanspreken. De rechtbank oordeelt in deze zaak dat NeBaPo [persoon] wel kan aanspreken op grond van de borgtocht. Hierna licht de rechtbank dit oordeel toe. Daarbij gaat zij eerst in op het verloop van de procedure, de relevante feiten en de vorderingen. Vervolgens motiveert de rechtbank haar oordeel onder het kopje ‘De beoordeling’. Tot slot volgt de beslissing van de rechtbank.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 januari 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie;- het bericht van 8 mei 2025 met productie 12 van NeBaPo;- de mondelinge behandeling van 19 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van mr. Van Beek, zoals hij die tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen
2.2.
Vervolgens heeft de rechtbank besloten om in deze zaak uitspraak te doen.
Feiten
3.1.
NeBaPo houdt zich bezig met het verkrijgen, houden en beheren van aandelen of certificaten in andere vennootschappen en het verstrekken van geldleningen.
3.2.
[persoon] is de bestuurder en de enig aandeelhouder van [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ).
3.3.
Op 25 juli 2018 is tussen NeBaPo en [bedrijf] (op dat moment nog in oprichting) een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen (hierna: de overeenkomst). Op grond van deze overeenkomst heeft NeBaPo op 20 augustus 2018 een geldlening van € 490.000,- aan [bedrijf] verstrekt (hierna: de geldlening). Deze geldlening zou [bedrijf] uitsluitend gebruiken voor de financiering van (het verkrijgen van) de aandelen in de besloten vennootschap Patel Machine Tool Services B.V. (hierna: Patel).
3.4.
Artikel 3 van de overeenkomst bepaalt, voor zover van belang:
“(…)
3.1.
De looptijd van de lening is 6 jaar, te rekenen vanaf verstrekkingsdatum.
3.2.
Vanaf datum verstrekking is Schuldenaar over de Hoofdsom, of het restant daarvan, een rente verschuldigd van 6% per jaar. (…)
3.3.
De Schuldenaar is verplicht op lineaire basis met de hiervoor onder 3.2 vermelde rente van 6% per jaar maandelijks een gelijk bedrag van € 6.805,55 aan aflossing te betalen.
(…)”
3.5.
Tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de geldlening heeft [bedrijf] ten behoeve van NeBaPo een eerste pandrecht gevestigd op de aandelen van [bedrijf] in Patel.
3.6.
[persoon] heeft zich tegenover NeBaPo als borg verbonden als zekerheid voor de betaling van al hetgeen NeBaPo van [bedrijf] te vorderen heeft of zal krijgen uit hoofde van de geldlening. In de overeenkomst hebben partijen over de borgstelling onder meer het volgende afgesproken:
“(…)
9.1.
De heer [persoon] verbindt zich middels deze overeenkomst jegens Schuldeiser, als borg (of hoofdelijk medeschuldenaar) voor de Schuldenaar, zulks tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen Schuldeiser van de Schuldenaar te vorderen heeft of zal krijgen uit hoofde van deze overeenkomst. De heer [persoon] is niet gehouden tot nakoming voordat de Schuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis is tekortgeschoten.
(…)
9.3
De Schuldeiser is bevoegd om ter zake van de overeenkomst met de Schuldenaar bestaande of nog te verstrekken zekerheden geheel of gedeeltelijk prijs te geven, zonder dat de borg daaraan enig recht kan ontlenen om zich van zijn borgtocht geheel of gedeeltelijk ontslagen te achten.
9.4
De Schuldeiser zal volledig vrij zijn om ter zake van de overeenkomst met de Schuldenaar bestaande of nog te verstrekken zekerheden in de eerste plaats aan te wenden voor de betaling van die schulden van de Schuldenaar, welke niet door deze borgtocht zijn gedekt. Voor het overige is de Schuldeiser wel verplicht dergelijke zekerheden eerst uit te winnen, alvorens de borg aan te spreken.
(…)”
3.7.
In de periode van augustus 2021 tot en met juni 2023 heeft [bedrijf] geen aflossings- en rentebetalingen verricht aan NeBaPo.
3.8.
Op 21 augustus 2024 is de looptijd van de geldlening verstreken.
3.9.
Bij e-mail van 23 augustus 2024 heeft de adviseur van NeBaPo aan [persoon] bericht dat de geldlening vanaf 21 augustus 2024 opeisbaar is geworden met het verzoek het openstaande bedrag van op dat moment € 271.773,26 per omgaande aan NeBaPo te betalen.
3.10.
Bij brief van 11 september 2024 heeft de advocaat van NeBaPo – kortweg – [persoon] als borg aangesproken tot nakoming van hetgeen NeBaPo uit hoofde van de overeenkomst van [bedrijf] te vorderen heeft.
3.11.
Per 1 september 2024 bedraagt het (restant)bedrag van de geldlening € 265.457,52, inclusief de over de geldlening verschuldigde contractuele rente.
3.12.
Op 1 oktober 2024 heeft NeBaPo conservatoir beslag laten leggen op het onverdeelde aandeel van [persoon] in de onroerende zaak gelegen aan het [adres] (hierna: de woning).
3.13.
Bij e-mail van 18 februari 2025 heeft de advocaat van NeBaPo de advocaat van [persoon] (onder meer) bericht dat NeBaPo zich op het standpunt stelt dat het pandrecht op de aandelen in Patel als zekerheidsrecht illusoir is vanwege de financiële toestand van Patel. In deze e-mail staat, voor zover van belang, verder het volgende:
“(…) Indien en voor zover uw cliënt hier anders over mocht denken, verzoek en voor zover nodig sommeer ik uw cliënt om mij binnen één week na heden de volledige jaarrekeningen van Patel Machine Tool Services B.V. van 2021, 2022 en 2023 toe te zenden, voorzien van in ieder geval een specificatie van de posten op de activazijde van de balans, alsmede de conceptjaarrekening van 2024 dan wel, indien die er nog niet is, de proef- en saldibalans van 2024 (…)”
Geschil
De vorderingen van NeBaPo (conventie)
4.1.
NeBaPo vordert in conventie - samengevat - veroordeling van [persoon] tot betaling van € 265.457,52, vermeerderd met de contractuele of wettelijke rente vanaf 1 september 2024, de buitengerechtelijke kosten en de beslag- en proceskosten. NeBaPo vordert dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat NeBaPo de mogelijkheid wil krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als [persoon] in hoger beroep gaat.
4.2.
[persoon] voert verweer. [persoon] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van NeBaPo, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van NeBaPo, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van NeBaPo in de kosten van deze procedure.
De tegenvorderingen van [persoon] (reconventie)
4.3.
[persoon] vordert in reconventie - samengevat - NeBaPo te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis het conservatoir beslag op het onverdeelde aandeel van [persoon] in de woning op te heffen, op straffe van een dwangsom.
4.4.
NeBaPo voert verweer. NeBaPo concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon] in de kosten van deze procedure.
4.5.
Hierna beoordeelt de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie. Daarbij gaat de rechtbank waar nodig nader in op de stellingen van partijen.
Beoordeling
in conventie
5.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat het (restant)bedrag van de door NeBaPo aan [bedrijf] verstrekte geldlening (inclusief de daarover verschuldigde rente) € 265.457,52 bedraagt. De rechtbank moet in deze zaak kortweg beoordelen of [persoon] verplicht is dit bedrag aan NeBaPo te betalen, vermeerderd met de gevorderde rente en kosten.
Borgtocht
5.2.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat de rechtsverhouding tussen NeBaPo en [persoon] geldt als een overeenkomst van borgtocht. [persoon] heeft zich namelijk verbonden tot nakoming van verplichtingen die [bedrijf] uit hoofde van de overeenkomst tegenover NeBaPo heeft of zal krijgen. Met andere woorden, [persoon] heeft zich verbonden voor een schuld van een ander ( [bedrijf] ). Daarmee voldoet de rechtsverhouding aan de wettelijke omschrijving van borgtocht (artikel 7:850 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Ook de afspraak dat [persoon] niet gehouden is tot nakoming voordat [bedrijf] zelf is tekortgeschoten tegenover NeBaPo komt overeen met het (subsidiaire) karakter van een borgtocht (artikel 7:855 lid 1 BW). NeBaPo heeft tijdens de mondeling behandeling nog het standpunt ingenomen dat [persoon] zich (ook) hoofdelijk heeft verbonden voor de geldlening (als eigen schuld). NeBaPo heeft daarbij verwezen naar de inhoud van artikel 9.1 van de overeenkomst. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank daar echter aan voorbij. Dit standpunt van NeBaPo strookt namelijk niet met (het karakter van) de borgtocht die is aangegaan.
Geen particuliere borgtocht
5.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon] voor het eerst het standpunt ingenomen dat sprake zou zijn van een particuliere borgtocht in plaats van een zakelijke borgtocht. Daarbij heeft [persoon] betoogd dat de particuliere borgtocht ongeldig zou zijn vanwege het ontbreken van een in geld uitgedrukt overeengekomen maximumbedrag. Na haar aanvankelijke bezwaar hiertegen, heeft de advocaat van NeBaPo aan het einde van de mondelinge behandeling bevestigd dat zij afdoende op dit nieuwe standpunt van [persoon] heeft kunnen reageren. De rechtbank zal dit standpunt dan ook inhoudelijk beoordelen.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een particuliere borgtocht. [persoon] is de borgtocht aangegaan als (beoogd) bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf] (destijds nog in oprichting). De geldlening waarvoor [persoon] zich borg heeft gesteld had een puur zakelijk karakter, namelijk het verkrijgen door [bedrijf] van de aandelen in Patel. Patel is de werkmaatschappij van [bedrijf] en daarmee indirect de feitelijke onderneming van [persoon] . Zoals NeBaPo tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft toegelicht, was de borgstelling voor NeBaPo een voorwaarde voor het verstrekken van de geldlening. De borgtocht is ook opgenomen in dezelfde overeenkomst als de geldlening. Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [persoon] de borgtocht is aangegaan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, althans ten behoeve van [bedrijf] waarvan hij bestuurder en enig aandeelhouder is. Daarmee voldoet de borgtocht niet aan de vereisten voor een particuliere borgtocht (artikel 7:857 BW).
5.5.
Overigens (en ten overvloede) geldt het vereiste van een maximumbedrag bij een particuliere borgtocht alleen maar indien het bedrag van de verbintenis van de hoofdschuldenaar op het tijdstip van het aangaan van de borgtocht niet vaststaat (artikel 7:858 lid 1 BW). In dit geval stond het bedrag van de verbintenis van [bedrijf] echter vast toen [persoon] de borgtocht aanging, namelijk de geldlening van € 490.000,- en de verschuldigde rente.
5.6.
Kortom, de rechtbank is van oordeel dat sprake is van een geldige borgtocht.
Verzuim [bedrijf]
5.7.
[persoon] voert verder aan dat hij niet als borg kan worden aangesproken, omdat [bedrijf] niet in verzuim zou verkeren. Volgens [persoon] had [bedrijf] eerst in gebreke moeten worden gesteld door NeBaPo en is dat niet gebeurd. NeBaPo betwist dit en voert onder meer aan dat [bedrijf] van rechtswege in verzuim is komen te verkeren vanwege het verstrijken van de looptijd van de geldlening. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf] wel in verzuim is. Daarbij kan in het midden blijven of [bedrijf] al dan niet in gebreke is gesteld. Het verzuim treedt namelijk zonder ingebrekestelling in wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen (artikel 6:83 sub a BW). Die situatie doet zich in dit geval voor. Uit de overeenkomst volgt dat de geldlening een looptijd had van zes jaar vanaf de datum van verstrekking en dat [bedrijf] de geldlening in die zes jaar lineair zou aflossen met maandelijkse betalingen van € 6.805,55. Daarmee hebben NeBaPo en [bedrijf] van tevoren een termijn bepaald voor het aflossen van de geldlening. Anders dan de advocaat van [persoon] tijdens de mondelinge behandeling heeft bepleit, heeft een dergelijke termijn tot gevolg dat de schuldenaar (bij niet-nakoming) door het enkele verstrijken van die termijn in verzuim komt. Tussen partijen staat vast dat de looptijd van de geldlening van zes jaar op 21 augustus 2024 is verstreken. Ook staat vast dat [bedrijf] de geldlening (en de rente) op dat moment niet volledig had (terug)betaald. Daarmee is [bedrijf] op 21 augustus 2024 in verzuim geraakt.
5.9.
[persoon] heeft tijdens de mondelinge behandeling verder nog aangevoerd dat hij zelf niet in verzuim zou verkeren. Dit standpunt gaat niet op. NeBaPo vordert namelijk voornamelijk nakoming van de overeenkomst van borgtocht en voor het vorderen van nakoming is verzuim geen vereiste. Dit is anders voor de gevorderde rente. Daar gaat de rechtbank in overweging 5.19 op in.
Pandrecht aandelen Patel
5.10.
[persoon] beroept zich verder op artikel 9.4 van de overeenkomst, waaruit volgens [persoon] volgt dat NeBaPo verplicht is eerst het pandrecht op de aandelen in Patel (kortweg: het pandrecht) uit te winnen voordat zij [persoon] als borg kan aanspreken. NeBaPo voert hier verweer tegen. Als dit uit de overeenkomst volgt, is NeBaPo (primair) van mening dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van haar te verlangen eerst het pandrecht uit te winnen. Volgens NeBaPo zou dit zinloos zijn vanwege de slechte financiële positie van Patel. Verder wijst NeBaPo er (subsidiair) op dat zij het pandrecht kan opzeggen of prijsgeven zonder dat [persoon] daar als borg rechten aan kan ontlenen. In dat kader verwijst NeBaPo naar artikel 9.3 van de overeenkomst.
5.11.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 9.4 van de overeenkomst bepaalt dat NeBaPo de vrijheid heeft om andere zekerheden al dan niet eerst aan te wenden als het gaat om de betaling van schulden die niet door de borgtocht zijn gedekt. Voor het overige is NeBaPo volgens ditzelfde artikel wel verplicht andere zekerheden eerst uit te winnen voordat zij de borg kan aanspreken. De rechtbank leidt hieruit af dat NeBaPo voor schulden die wel door de borgtocht zijn gedekt, waaronder de geldlening, in beginsel verplicht is om eerst haar pandrecht uit te winnen voordat zij [persoon] kan aanspreken als borg. NeBaPo heeft dit ook niet of onvoldoende weersproken, zodat de rechtbank hiervan uitgaat.
Dictum
De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [persoon] om aan NeBaPo te betalen een bedrag van € 265.457,52, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [persoon] om aan NeBaPo te betalen een bedrag van € 3.102,29 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [persoon] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.717,36,
6.4.
veroordeelt [persoon] in de proceskosten van € 11.647,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.7.
wijst de vorderingen van [persoon] af,
6.8.
veroordeelt [persoon] in de proceskosten van € 485,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Vlieger en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025.
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/427899 / HA ZA 24-590
Vonnis van 11 juni 2025
in de zaak van
NEBAPO HOLDING B.V.,
te Oosterhout,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: NeBaPo,
advocaat: mr. S. Lagidse,
tegen
[persoon]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon] ,
advocaat: mr. K.G.A.P. Boemaars.
1De zaak in het kort
NeBaPo heeft een geldlening verstrekt aan [bedrijf] B.V., waarvoor [persoon] zich borg heeft gesteld. Omdat [bedrijf] B.V. de geldlening en de daarover verschuldigde rente niet volledig heeft (terug)betaald, spreekt NeBaPo [persoon] aan op grond van de borgtocht. [persoon] is het daar niet mee eens. Onder meer vindt [persoon] dat NeBaPo eerst andere zekerheden moet uitwinnen voordat zij hem als borg kan aanspreken. De rechtbank oordeelt in deze zaak dat NeBaPo [persoon] wel kan aanspreken op grond van de borgtocht. Hierna licht de rechtbank dit oordeel toe. Daarbij gaat zij eerst in op het verloop van de procedure, de relevante feiten en de vorderingen. Vervolgens motiveert de rechtbank haar oordeel onder het kopje ‘De beoordeling’. Tot slot volgt de beslissing van de rechtbank.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 januari 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie;- het bericht van 8 mei 2025 met productie 12 van NeBaPo;- de mondelinge behandeling van 19 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van mr. Van Beek, zoals hij die tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen
2.2.
Vervolgens heeft de rechtbank besloten om in deze zaak uitspraak te doen.
Feiten
3.1.
NeBaPo houdt zich bezig met het verkrijgen, houden en beheren van aandelen of certificaten in andere vennootschappen en het verstrekken van geldleningen.
3.2.
[persoon] is de bestuurder en de enig aandeelhouder van [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ).
3.3.
Op 25 juli 2018 is tussen NeBaPo en [bedrijf] (op dat moment nog in oprichting) een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen (hierna: de overeenkomst). Op grond van deze overeenkomst heeft NeBaPo op 20 augustus 2018 een geldlening van € 490.000,- aan [bedrijf] verstrekt (hierna: de geldlening). Deze geldlening zou [bedrijf] uitsluitend gebruiken voor de financiering van (het verkrijgen van) de aandelen in de besloten vennootschap Patel Machine Tool Services B.V. (hierna: Patel).
3.4.
Artikel 3 van de overeenkomst bepaalt, voor zover van belang:
“(…)
3.1.
De looptijd van de lening is 6 jaar, te rekenen vanaf verstrekkingsdatum.
3.2.
Vanaf datum verstrekking is Schuldenaar over de Hoofdsom, of het restant daarvan, een rente verschuldigd van 6% per jaar. (…)
3.3.
De Schuldenaar is verplicht op lineaire basis met de hiervoor onder 3.2 vermelde rente van 6% per jaar maandelijks een gelijk bedrag van € 6.805,55 aan aflossing te betalen.
(…)”
3.5.
Tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de geldlening heeft [bedrijf] ten behoeve van NeBaPo een eerste pandrecht gevestigd op de aandelen van [bedrijf] in Patel.
3.6.
[persoon] heeft zich tegenover NeBaPo als borg verbonden als zekerheid voor de betaling van al hetgeen NeBaPo van [bedrijf] te vorderen heeft of zal krijgen uit hoofde van de geldlening. In de overeenkomst hebben partijen over de borgstelling onder meer het volgende afgesproken:
“(…)
9.1.
De heer [persoon] verbindt zich middels deze overeenkomst jegens Schuldeiser, als borg (of hoofdelijk medeschuldenaar) voor de Schuldenaar, zulks tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen Schuldeiser van de Schuldenaar te vorderen heeft of zal krijgen uit hoofde van deze overeenkomst. De heer [persoon] is niet gehouden tot nakoming voordat de Schuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis is tekortgeschoten.
(…)
9.3
De Schuldeiser is bevoegd om ter zake van de overeenkomst met de Schuldenaar bestaande of nog te verstrekken zekerheden geheel of gedeeltelijk prijs te geven, zonder dat de borg daaraan enig recht kan ontlenen om zich van zijn borgtocht geheel of gedeeltelijk ontslagen te achten.
9.4
De Schuldeiser zal volledig vrij zijn om ter zake van de overeenkomst met de Schuldenaar bestaande of nog te verstrekken zekerheden in de eerste plaats aan te wenden voor de betaling van die schulden van de Schuldenaar, welke niet door deze borgtocht zijn gedekt. Voor het overige is de Schuldeiser wel verplicht dergelijke zekerheden eerst uit te winnen, alvorens de borg aan te spreken.
(…)”
3.7.
In de periode van augustus 2021 tot en met juni 2023 heeft [bedrijf] geen aflossings- en rentebetalingen verricht aan NeBaPo.
3.8.
Op 21 augustus 2024 is de looptijd van de geldlening verstreken.
3.9.
Bij e-mail van 23 augustus 2024 heeft de adviseur van NeBaPo aan [persoon] bericht dat de geldlening vanaf 21 augustus 2024 opeisbaar is geworden met het verzoek het openstaande bedrag van op dat moment € 271.773,26 per omgaande aan NeBaPo te betalen.
3.10.
Bij brief van 11 september 2024 heeft de advocaat van NeBaPo – kortweg – [persoon] als borg aangesproken tot nakoming van hetgeen NeBaPo uit hoofde van de overeenkomst van [bedrijf] te vorderen heeft.
3.11.
Per 1 september 2024 bedraagt het (restant)bedrag van de geldlening € 265.457,52, inclusief de over de geldlening verschuldigde contractuele rente.
3.12.
Op 1 oktober 2024 heeft NeBaPo conservatoir beslag laten leggen op het onverdeelde aandeel van [persoon] in de onroerende zaak gelegen aan het [adres] (hierna: de woning).
3.13.
Bij e-mail van 18 februari 2025 heeft de advocaat van NeBaPo de advocaat van [persoon] (onder meer) bericht dat NeBaPo zich op het standpunt stelt dat het pandrecht op de aandelen in Patel als zekerheidsrecht illusoir is vanwege de financiële toestand van Patel. In deze e-mail staat, voor zover van belang, verder het volgende:
“(…) Indien en voor zover uw cliënt hier anders over mocht denken, verzoek en voor zover nodig sommeer ik uw cliënt om mij binnen één week na heden de volledige jaarrekeningen van Patel Machine Tool Services B.V. van 2021, 2022 en 2023 toe te zenden, voorzien van in ieder geval een specificatie van de posten op de activazijde van de balans, alsmede de conceptjaarrekening van 2024 dan wel, indien die er nog niet is, de proef- en saldibalans van 2024 (…)”
Geschil
De vorderingen van NeBaPo (conventie)
4.1.
NeBaPo vordert in conventie - samengevat - veroordeling van [persoon] tot betaling van € 265.457,52, vermeerderd met de contractuele of wettelijke rente vanaf 1 september 2024, de buitengerechtelijke kosten en de beslag- en proceskosten. NeBaPo vordert dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat NeBaPo de mogelijkheid wil krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als [persoon] in hoger beroep gaat.
4.2.
[persoon] voert verweer. [persoon] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van NeBaPo, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van NeBaPo, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van NeBaPo in de kosten van deze procedure.
De tegenvorderingen van [persoon] (reconventie)
4.3.
[persoon] vordert in reconventie - samengevat - NeBaPo te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis het conservatoir beslag op het onverdeelde aandeel van [persoon] in de woning op te heffen, op straffe van een dwangsom.
4.4.
NeBaPo voert verweer. NeBaPo concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon] in de kosten van deze procedure.
4.5.
Hierna beoordeelt de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie. Daarbij gaat de rechtbank waar nodig nader in op de stellingen van partijen.
Beoordeling
in conventie
5.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat het (restant)bedrag van de door NeBaPo aan [bedrijf] verstrekte geldlening (inclusief de daarover verschuldigde rente) € 265.457,52 bedraagt. De rechtbank moet in deze zaak kortweg beoordelen of [persoon] verplicht is dit bedrag aan NeBaPo te betalen, vermeerderd met de gevorderde rente en kosten.
Borgtocht
5.2.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat de rechtsverhouding tussen NeBaPo en [persoon] geldt als een overeenkomst van borgtocht. [persoon] heeft zich namelijk verbonden tot nakoming van verplichtingen die [bedrijf] uit hoofde van de overeenkomst tegenover NeBaPo heeft of zal krijgen. Met andere woorden, [persoon] heeft zich verbonden voor een schuld van een ander ( [bedrijf] ). Daarmee voldoet de rechtsverhouding aan de wettelijke omschrijving van borgtocht (artikel 7:850 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Ook de afspraak dat [persoon] niet gehouden is tot nakoming voordat [bedrijf] zelf is tekortgeschoten tegenover NeBaPo komt overeen met het (subsidiaire) karakter van een borgtocht (artikel 7:855 lid 1 BW). NeBaPo heeft tijdens de mondeling behandeling nog het standpunt ingenomen dat [persoon] zich (ook) hoofdelijk heeft verbonden voor de geldlening (als eigen schuld). NeBaPo heeft daarbij verwezen naar de inhoud van artikel 9.1 van de overeenkomst. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank daar echter aan voorbij. Dit standpunt van NeBaPo strookt namelijk niet met (het karakter van) de borgtocht die is aangegaan.
Geen particuliere borgtocht
5.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon] voor het eerst het standpunt ingenomen dat sprake zou zijn van een particuliere borgtocht in plaats van een zakelijke borgtocht. Daarbij heeft [persoon] betoogd dat de particuliere borgtocht ongeldig zou zijn vanwege het ontbreken van een in geld uitgedrukt overeengekomen maximumbedrag. Na haar aanvankelijke bezwaar hiertegen, heeft de advocaat van NeBaPo aan het einde van de mondelinge behandeling bevestigd dat zij afdoende op dit nieuwe standpunt van [persoon] heeft kunnen reageren. De rechtbank zal dit standpunt dan ook inhoudelijk beoordelen.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een particuliere borgtocht. [persoon] is de borgtocht aangegaan als (beoogd) bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf] (destijds nog in oprichting). De geldlening waarvoor [persoon] zich borg heeft gesteld had een puur zakelijk karakter, namelijk het verkrijgen door [bedrijf] van de aandelen in Patel. Patel is de werkmaatschappij van [bedrijf] en daarmee indirect de feitelijke onderneming van [persoon] . Zoals NeBaPo tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft toegelicht, was de borgstelling voor NeBaPo een voorwaarde voor het verstrekken van de geldlening. De borgtocht is ook opgenomen in dezelfde overeenkomst als de geldlening. Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [persoon] de borgtocht is aangegaan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, althans ten behoeve van [bedrijf] waarvan hij bestuurder en enig aandeelhouder is. Daarmee voldoet de borgtocht niet aan de vereisten voor een particuliere borgtocht (artikel 7:857 BW).
5.5.
Overigens (en ten overvloede) geldt het vereiste van een maximumbedrag bij een particuliere borgtocht alleen maar indien het bedrag van de verbintenis van de hoofdschuldenaar op het tijdstip van het aangaan van de borgtocht niet vaststaat (artikel 7:858 lid 1 BW). In dit geval stond het bedrag van de verbintenis van [bedrijf] echter vast toen [persoon] de borgtocht aanging, namelijk de geldlening van € 490.000,- en de verschuldigde rente.
5.6.
Kortom, de rechtbank is van oordeel dat sprake is van een geldige borgtocht.
Verzuim [bedrijf]
5.7.
[persoon] voert verder aan dat hij niet als borg kan worden aangesproken, omdat [bedrijf] niet in verzuim zou verkeren. Volgens [persoon] had [bedrijf] eerst in gebreke moeten worden gesteld door NeBaPo en is dat niet gebeurd. NeBaPo betwist dit en voert onder meer aan dat [bedrijf] van rechtswege in verzuim is komen te verkeren vanwege het verstrijken van de looptijd van de geldlening. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf] wel in verzuim is. Daarbij kan in het midden blijven of [bedrijf] al dan niet in gebreke is gesteld. Het verzuim treedt namelijk zonder ingebrekestelling in wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen (artikel 6:83 sub a BW). Die situatie doet zich in dit geval voor. Uit de overeenkomst volgt dat de geldlening een looptijd had van zes jaar vanaf de datum van verstrekking en dat [bedrijf] de geldlening in die zes jaar lineair zou aflossen met maandelijkse betalingen van € 6.805,55. Daarmee hebben NeBaPo en [bedrijf] van tevoren een termijn bepaald voor het aflossen van de geldlening. Anders dan de advocaat van [persoon] tijdens de mondelinge behandeling heeft bepleit, heeft een dergelijke termijn tot gevolg dat de schuldenaar (bij niet-nakoming) door het enkele verstrijken van die termijn in verzuim komt. Tussen partijen staat vast dat de looptijd van de geldlening van zes jaar op 21 augustus 2024 is verstreken. Ook staat vast dat [bedrijf] de geldlening (en de rente) op dat moment niet volledig had (terug)betaald. Daarmee is [bedrijf] op 21 augustus 2024 in verzuim geraakt.
5.9.
[persoon] heeft tijdens de mondelinge behandeling verder nog aangevoerd dat hij zelf niet in verzuim zou verkeren. Dit standpunt gaat niet op. NeBaPo vordert namelijk voornamelijk nakoming van de overeenkomst van borgtocht en voor het vorderen van nakoming is verzuim geen vereiste. Dit is anders voor de gevorderde rente. Daar gaat de rechtbank in overweging 5.19 op in.
Pandrecht aandelen Patel
5.10.
[persoon] beroept zich verder op artikel 9.4 van de overeenkomst, waaruit volgens [persoon] volgt dat NeBaPo verplicht is eerst het pandrecht op de aandelen in Patel (kortweg: het pandrecht) uit te winnen voordat zij [persoon] als borg kan aanspreken. NeBaPo voert hier verweer tegen. Als dit uit de overeenkomst volgt, is NeBaPo (primair) van mening dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van haar te verlangen eerst het pandrecht uit te winnen. Volgens NeBaPo zou dit zinloos zijn vanwege de slechte financiële positie van Patel. Verder wijst NeBaPo er (subsidiair) op dat zij het pandrecht kan opzeggen of prijsgeven zonder dat [persoon] daar als borg rechten aan kan ontlenen. In dat kader verwijst NeBaPo naar artikel 9.3 van de overeenkomst.
5.11.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 9.4 van de overeenkomst bepaalt dat NeBaPo de vrijheid heeft om andere zekerheden al dan niet eerst aan te wenden als het gaat om de betaling van schulden die niet door de borgtocht zijn gedekt. Voor het overige is NeBaPo volgens ditzelfde artikel wel verplicht andere zekerheden eerst uit te winnen voordat zij de borg kan aanspreken. De rechtbank leidt hieruit af dat NeBaPo voor schulden die wel door de borgtocht zijn gedekt, waaronder de geldlening, in beginsel verplicht is om eerst haar pandrecht uit te winnen voordat zij [persoon] kan aanspreken als borg. NeBaPo heeft dit ook niet of onvoldoende weersproken, zodat de rechtbank hiervan uitgaat.
Dictum
De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [persoon] om aan NeBaPo te betalen een bedrag van € 265.457,52, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [persoon] om aan NeBaPo te betalen een bedrag van € 3.102,29 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [persoon] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.717,36,
6.4.
veroordeelt [persoon] in de proceskosten van € 11.647,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.7.
wijst de vorderingen van [persoon] af,
6.8.
veroordeelt [persoon] in de proceskosten van € 485,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Vlieger en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025.
Beoordeling
Vaststaat verder dat NeBaPo ervoor heeft gekozen om [persoon] als borg aan te spreken zonder eerst het pandrecht uit te winnen.
5.12.
De rechtbank is echter van oordeel dat het vragen van nakoming door NeBaPo van de hiervoor genoemde contractuele verplichting in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:284 lid 2 BW). De rechtbank licht dit toe.
5.13.
NeBaPo legt aan haar beroep op artikel 6:248 lid 2 BW kortweg ten grondslag dat Patel in financieel zwaar weer verkeert en een openbare verkoop van de aandelen in Patel geen verhaal zou bieden en daarom zinloos zou zijn. NeBaPo heeft deze stelling onderbouwd aan de hand van de overgelegde jaarrekeningen van Patel over 2022 en 2023. Daaruit volgt dat Patel in 2021 en 2022 een negatief eigen vermogen had. In 2023 had Patel een beperkt positief eigen vermogen. NeBaPo heeft echter toegelicht dat dit verband lijkt te hebben met het oplopen van de vorderingen waarvan de aard en achtergrond onbekend zijn. Ook heeft NeBaPo gewezen op de overgelegde jaarrekeningen van [bedrijf] over 2022 en 2023, waaruit blijkt dat [bedrijf] in de jaren 2021, 2022 en 2023 een fors negatief eigen vermogen had. Volgens NeBaPo is dit het gevolg van de slechte financiële situatie van Patel. Verder heeft NeBaPo aangevoerd dat [persoon] ook zelf heeft verklaard over de slechte financiële situatie van Patel en daardoor die van [bedrijf] . Dit was volgens NeBaPo de reden dat [bedrijf] haar verplichtingen uit hoofde van de geldlening niet kon nakomen en [persoon] in 2024 verzocht heeft de looptijd van de geldlening te verlengen. NeBaPo heeft [persoon] bij e-mail van haar advocaat van 18 februari 2025 gevraagd om financiële stukken van Patel als [persoon] van mening was dat het uitwinnen van het pandrecht door verkoop van de aandelen in Patel niet evident zinloos zou zijn. [persoon] heeft hierop niet gereageerd, aldus NeBaPo.
5.14.
[persoon] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het aan hem is om al dan niet op de berichten van NeBaPo te reageren. [persoon] vindt verder dat het niet aan hem is om mee te werken aan het onderbouwen van of om te reageren op die strategie. De verantwoordelijkheid voor het onderbouwen van de financiële positie van Patel ligt volgens [persoon] bij NeBaPo. [persoon] heeft tijdens de mondelinge behandeling wel aangegeven dat het sinds het einde van de coronaperiode stukje bij beetje beter is gegaan met Patel. [persoon] heeft betwist dat er geen waarde in Patel zit, maar heeft aangegeven dat hij dit niet cijfermatig kan onderbouwen. Tot slot heeft [persoon] aangevoerd dat Patel beschikt over machines die volgens taxaties ten behoeve van de verzekering een waarde hebben van € 270.000,00.
5.15.
De rechtbank oordeelt als volgt. Waar NeBaPo haar stelling dat uitwinning van het pandrecht feitelijk zinloos zou zijn heeft onderbouwd met jaarstukken en een concrete toelichting daarop, heeft [persoon] ter betwisting daarvan slechts volstaan met een aantal blote stellingen tijdens de mondelinge behandeling. Deze stellingen heeft NeBaPo vervolgens – opnieuw aan de hand van concrete cijfers – gemotiveerd weersproken. Wat betreft de door [persoon] gestelde waarde van de machines in Patel heeft NeBaPo gewezen op de (overgelegde) jaarrekening van Patel over 2023, waaruit volgt dat de materiële vaste activa van Patel per 31 december 2023 voor een bedrag van € 1.957,- op de balans stonden. Het standpunt van [persoon] dat dit te maken zou hebben met de boekhoudkundige of fiscale afschrijving van de machines, heeft NeBaPo ook gemotiveerd weersproken. Onder meer heeft NeBaPo erop gewezen dat de materiële vaste activa in 2018 voor een bedrag van € 3.555,- op de balans van Patel stonden en in 2019 voor een bedrag van € 20.543,-. Dit maakt het volgens NeBaPo ongeloofwaardig dat de machines nu nog zo’n hoge waarde zouden vertegenwoordigen. [persoon] heeft hier vervolgens geen toelichting op gegeven.
Ondanks het verzoek daartoe van de advocaat van NeBaPo (zie de e-mail van 18 februari 2025), heeft [persoon] zelf geen financiële stukken overgelegd van Patel of anderszins inzage gegeven in hoe het met Patel gaat.
5.16.
Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat [persoon] onvoldoende (gemotiveerd) heeft betwist dat uitwinning van het pandrecht feitelijk zinloos zou zijn. Gelet op de onderbouwing van NeBaPo mocht van [persoon] verwacht worden dat hij zijn betwisting zou onderbouwen met voldoende concrete feitelijke stellingen en stukken. Bijvoorbeeld had [persoon] de door hem zelf genoemde verzekeringstukken kunnen overleggen ter onderbouwing van de gestelde waarde van de machines van Patel. Ook had [persoon] een accountant of financieel deskundige zich kunnen laten uitlaten over hoe het met de onderneming gaat. Ook had hij als (indirect) bestuurder van Patel de beschikking over actuele cijfers van de vennootschap, bijvoorbeeld ten aanzien van het onderhanden werk. Dit alles heeft [persoon] nagelaten. Klaarblijkelijk is (de advocaat van) [persoon] er ook van uitgegaan dat het zijn verantwoordelijkheid niet was om voldoende concreet en onderbouwd te reageren op de stellingen van NeBaPo. [persoon] gaat er daarmee echter aan voorbij dat de rechter gestelde feiten die niet of niet voldoende zijn betwist, als vaststaand moet beschouwen (artikel 149 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv).
5.17.
Nu [persoon] niet voldoende heeft betwist dat uitwinning van het pandrecht op de aandelen in Patel feitelijk zinloos is, staat dit in rechte vast. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat uitwinning van het pandrecht NeBaPo geen verhaal zal bieden voor haar vorderingen op [bedrijf] . Algemeen bekend is verder dat de openbare verkoop van aandelen zowel tijd als geld kost, terwijl NeBaPo vervolgens alsnog [persoon] zal moeten aanspreken uit hoofde van de borgtocht. Daar komt nog bij dat de advocaat van [persoon] tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht dat [persoon] ook niet voor ogen heeft dat het pandrecht op de aandelen in Patel daadwerkelijk wordt uitgewonnen. [persoon] wilde met dit punt vooral een formeel bezwaar maken tegen het aanspreken van hem als borg, aldus zijn advocaat. Die (proces)houding rijmt naar het oordeel van de rechtbank niet met de aard en bedoeling van de overeenkomst van borgtocht. Immers gaat het erom dat NeBaPo zich daadwerkelijk op de door haar bedongen zekerheden kan verhalen nu [bedrijf] tekort is geschoten in haar verplichtingen uit hoofde van de geldlening. Daarbij past niet dat [persoon] de verplichting tot uitwinning van het pandrecht alleen als formele blokkade opwerpt om te voorkomen of uit te stellen dat hij als borg wordt aangesproken, terwijl de uitwinning van het pandrecht NeBaPo uiteindelijk niets oplevert (en overigens ook [persoon] zou kunnen schaden, aangezien hij dan mogelijk zijn onderneming zou verliezen).
5.18.
Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om van NeBaPo (toch) te verlangen eerst het pandrecht op de aandelen in Patel uit te winnen. Dit brengt mee dat NeBaPo het recht heeft om [persoon] uit hoofde van de overeengekomen borgtocht aan te spreken voor het openstaande bedrag van € 265.457,52. De rechtbank zal de vordering van NeBaPo in zoverre toewijzen.
Gevorderde rente
5.19.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft NeBaPo toegelicht dat het gevorderde bedrag van € 265.457,52 bestaat uit de restant geldlening én de daarover door [bedrijf] verschuldigde contractuele rente per 1 september 2024. Over dit bedrag vordert NeBaPo van [persoon] vergoeding van de contractuele rente, althans wettelijke rente, vanaf 1 september 2024.
Beoordeling
Vaststaat verder dat NeBaPo ervoor heeft gekozen om [persoon] als borg aan te spreken zonder eerst het pandrecht uit te winnen.
5.12.
De rechtbank is echter van oordeel dat het vragen van nakoming door NeBaPo van de hiervoor genoemde contractuele verplichting in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:284 lid 2 BW). De rechtbank licht dit toe.
5.13.
NeBaPo legt aan haar beroep op artikel 6:248 lid 2 BW kortweg ten grondslag dat Patel in financieel zwaar weer verkeert en een openbare verkoop van de aandelen in Patel geen verhaal zou bieden en daarom zinloos zou zijn. NeBaPo heeft deze stelling onderbouwd aan de hand van de overgelegde jaarrekeningen van Patel over 2022 en 2023. Daaruit volgt dat Patel in 2021 en 2022 een negatief eigen vermogen had. In 2023 had Patel een beperkt positief eigen vermogen. NeBaPo heeft echter toegelicht dat dit verband lijkt te hebben met het oplopen van de vorderingen waarvan de aard en achtergrond onbekend zijn. Ook heeft NeBaPo gewezen op de overgelegde jaarrekeningen van [bedrijf] over 2022 en 2023, waaruit blijkt dat [bedrijf] in de jaren 2021, 2022 en 2023 een fors negatief eigen vermogen had. Volgens NeBaPo is dit het gevolg van de slechte financiële situatie van Patel. Verder heeft NeBaPo aangevoerd dat [persoon] ook zelf heeft verklaard over de slechte financiële situatie van Patel en daardoor die van [bedrijf] . Dit was volgens NeBaPo de reden dat [bedrijf] haar verplichtingen uit hoofde van de geldlening niet kon nakomen en [persoon] in 2024 verzocht heeft de looptijd van de geldlening te verlengen. NeBaPo heeft [persoon] bij e-mail van haar advocaat van 18 februari 2025 gevraagd om financiële stukken van Patel als [persoon] van mening was dat het uitwinnen van het pandrecht door verkoop van de aandelen in Patel niet evident zinloos zou zijn. [persoon] heeft hierop niet gereageerd, aldus NeBaPo.
5.14.
[persoon] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het aan hem is om al dan niet op de berichten van NeBaPo te reageren. [persoon] vindt verder dat het niet aan hem is om mee te werken aan het onderbouwen van of om te reageren op die strategie. De verantwoordelijkheid voor het onderbouwen van de financiële positie van Patel ligt volgens [persoon] bij NeBaPo. [persoon] heeft tijdens de mondelinge behandeling wel aangegeven dat het sinds het einde van de coronaperiode stukje bij beetje beter is gegaan met Patel. [persoon] heeft betwist dat er geen waarde in Patel zit, maar heeft aangegeven dat hij dit niet cijfermatig kan onderbouwen. Tot slot heeft [persoon] aangevoerd dat Patel beschikt over machines die volgens taxaties ten behoeve van de verzekering een waarde hebben van € 270.000,00.
5.15.
De rechtbank oordeelt als volgt. Waar NeBaPo haar stelling dat uitwinning van het pandrecht feitelijk zinloos zou zijn heeft onderbouwd met jaarstukken en een concrete toelichting daarop, heeft [persoon] ter betwisting daarvan slechts volstaan met een aantal blote stellingen tijdens de mondelinge behandeling. Deze stellingen heeft NeBaPo vervolgens – opnieuw aan de hand van concrete cijfers – gemotiveerd weersproken. Wat betreft de door [persoon] gestelde waarde van de machines in Patel heeft NeBaPo gewezen op de (overgelegde) jaarrekening van Patel over 2023, waaruit volgt dat de materiële vaste activa van Patel per 31 december 2023 voor een bedrag van € 1.957,- op de balans stonden. Het standpunt van [persoon] dat dit te maken zou hebben met de boekhoudkundige of fiscale afschrijving van de machines, heeft NeBaPo ook gemotiveerd weersproken. Onder meer heeft NeBaPo erop gewezen dat de materiële vaste activa in 2018 voor een bedrag van € 3.555,- op de balans van Patel stonden en in 2019 voor een bedrag van € 20.543,-. Dit maakt het volgens NeBaPo ongeloofwaardig dat de machines nu nog zo’n hoge waarde zouden vertegenwoordigen. [persoon] heeft hier vervolgens geen toelichting op gegeven.
Ondanks het verzoek daartoe van de advocaat van NeBaPo (zie de e-mail van 18 februari 2025), heeft [persoon] zelf geen financiële stukken overgelegd van Patel of anderszins inzage gegeven in hoe het met Patel gaat.
5.16.
Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat [persoon] onvoldoende (gemotiveerd) heeft betwist dat uitwinning van het pandrecht feitelijk zinloos zou zijn. Gelet op de onderbouwing van NeBaPo mocht van [persoon] verwacht worden dat hij zijn betwisting zou onderbouwen met voldoende concrete feitelijke stellingen en stukken. Bijvoorbeeld had [persoon] de door hem zelf genoemde verzekeringstukken kunnen overleggen ter onderbouwing van de gestelde waarde van de machines van Patel. Ook had [persoon] een accountant of financieel deskundige zich kunnen laten uitlaten over hoe het met de onderneming gaat. Ook had hij als (indirect) bestuurder van Patel de beschikking over actuele cijfers van de vennootschap, bijvoorbeeld ten aanzien van het onderhanden werk. Dit alles heeft [persoon] nagelaten. Klaarblijkelijk is (de advocaat van) [persoon] er ook van uitgegaan dat het zijn verantwoordelijkheid niet was om voldoende concreet en onderbouwd te reageren op de stellingen van NeBaPo. [persoon] gaat er daarmee echter aan voorbij dat de rechter gestelde feiten die niet of niet voldoende zijn betwist, als vaststaand moet beschouwen (artikel 149 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv).
5.17.
Nu [persoon] niet voldoende heeft betwist dat uitwinning van het pandrecht op de aandelen in Patel feitelijk zinloos is, staat dit in rechte vast. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat uitwinning van het pandrecht NeBaPo geen verhaal zal bieden voor haar vorderingen op [bedrijf] . Algemeen bekend is verder dat de openbare verkoop van aandelen zowel tijd als geld kost, terwijl NeBaPo vervolgens alsnog [persoon] zal moeten aanspreken uit hoofde van de borgtocht. Daar komt nog bij dat de advocaat van [persoon] tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht dat [persoon] ook niet voor ogen heeft dat het pandrecht op de aandelen in Patel daadwerkelijk wordt uitgewonnen. [persoon] wilde met dit punt vooral een formeel bezwaar maken tegen het aanspreken van hem als borg, aldus zijn advocaat. Die (proces)houding rijmt naar het oordeel van de rechtbank niet met de aard en bedoeling van de overeenkomst van borgtocht. Immers gaat het erom dat NeBaPo zich daadwerkelijk op de door haar bedongen zekerheden kan verhalen nu [bedrijf] tekort is geschoten in haar verplichtingen uit hoofde van de geldlening. Daarbij past niet dat [persoon] de verplichting tot uitwinning van het pandrecht alleen als formele blokkade opwerpt om te voorkomen of uit te stellen dat hij als borg wordt aangesproken, terwijl de uitwinning van het pandrecht NeBaPo uiteindelijk niets oplevert (en overigens ook [persoon] zou kunnen schaden, aangezien hij dan mogelijk zijn onderneming zou verliezen).
5.18.
Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om van NeBaPo (toch) te verlangen eerst het pandrecht op de aandelen in Patel uit te winnen. Dit brengt mee dat NeBaPo het recht heeft om [persoon] uit hoofde van de overeengekomen borgtocht aan te spreken voor het openstaande bedrag van € 265.457,52. De rechtbank zal de vordering van NeBaPo in zoverre toewijzen.
Gevorderde rente
5.19.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft NeBaPo toegelicht dat het gevorderde bedrag van € 265.457,52 bestaat uit de restant geldlening én de daarover door [bedrijf] verschuldigde contractuele rente per 1 september 2024. Over dit bedrag vordert NeBaPo van [persoon] vergoeding van de contractuele rente, althans wettelijke rente, vanaf 1 september 2024.
Beoordeling
Dat [persoon] als borg de contractuele rente verschuldigd zou zijn zoals die tussen NeBaPo (als uitlener) en [bedrijf] (als geldlener) is overeengekomen, is echter onvoldoende gesteld of gebleken. Uit artikel 7:856 lid 1 BW volgt – voor zover van belang – dat [persoon] als borg wel wettelijke rente verschuldigd is over het tijdvak dat hijzelf in verzuim is. Zoals NeBaPo tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft aangevoerd, is [persoon] als gevolg van de brief van 11 september 2024 (zie 3.10.) op 16 september 2024 in verzuim geraakt. Dat betekent dat [persoon] over het bedrag van € 265.457,52 met ingang van 16 september 2024 wettelijke rente verschuldigd is.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.20.
NeBaPo vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Daarom zal een bedrag van € 3.102,29 worden toegewezen. Dit bedrag wijkt minimaal af van het gevorderde bedrag (€ 3.102,92). De rechtbank gaat ervan uit dat het gevorderde bedrag berust op een verschrijving.
Beslagkosten
5.21.
NeBaPo vordert [persoon] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 415,36 voor kosten deurwaardersexploten, € 688,00 voor griffierecht en € 614,00 voor salaris advocaat (1 punt × € 614,00), totaal € 1.717,36.
Proceskosten (conventie)
5.22.
[persoon] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van NeBaPo betalen. Deze worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,37
- griffierecht
€
5.929,00
- salaris advocaat
€
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
11.647,37
in reconventie
5.23.
De vordering van [persoon] tot (kortweg) opheffing van het in overweging 2.12. genoemde beslag zal de rechtbank afwijzen. Het oordeel in conventie brengt mee dat de vordering waarvoor beslag is gelegd niet ondeugdelijk is. Verder is niet gesteld of gebleken dat het beslag nietig of onnodig zou zijn. Ook heeft [persoon] geen zekerheid gesteld voor de vordering van NeBaPo. Gezien het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om het beslag op te heffen.
5.24.
Omdat [persoon] in reconventie in het ongelijk is gesteld moet hij ook de proceskosten (inclusief nakosten) van NeBaPo in reconventie betalen. Deze proceskosten worden begroot op:
- salaris advocaat
€
307,00
(1 punt × factor 0,5 × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
485,00
Beoordeling
Dat [persoon] als borg de contractuele rente verschuldigd zou zijn zoals die tussen NeBaPo (als uitlener) en [bedrijf] (als geldlener) is overeengekomen, is echter onvoldoende gesteld of gebleken. Uit artikel 7:856 lid 1 BW volgt – voor zover van belang – dat [persoon] als borg wel wettelijke rente verschuldigd is over het tijdvak dat hijzelf in verzuim is. Zoals NeBaPo tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft aangevoerd, is [persoon] als gevolg van de brief van 11 september 2024 (zie 3.10.) op 16 september 2024 in verzuim geraakt. Dat betekent dat [persoon] over het bedrag van € 265.457,52 met ingang van 16 september 2024 wettelijke rente verschuldigd is.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.20.
NeBaPo vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Daarom zal een bedrag van € 3.102,29 worden toegewezen. Dit bedrag wijkt minimaal af van het gevorderde bedrag (€ 3.102,92). De rechtbank gaat ervan uit dat het gevorderde bedrag berust op een verschrijving.
Beslagkosten
5.21.
NeBaPo vordert [persoon] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 415,36 voor kosten deurwaardersexploten, € 688,00 voor griffierecht en € 614,00 voor salaris advocaat (1 punt × € 614,00), totaal € 1.717,36.
Proceskosten (conventie)
5.22.
[persoon] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van NeBaPo betalen. Deze worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,37
- griffierecht
€
5.929,00
- salaris advocaat
€
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
11.647,37
in reconventie
5.23.
De vordering van [persoon] tot (kortweg) opheffing van het in overweging 2.12. genoemde beslag zal de rechtbank afwijzen. Het oordeel in conventie brengt mee dat de vordering waarvoor beslag is gelegd niet ondeugdelijk is. Verder is niet gesteld of gebleken dat het beslag nietig of onnodig zou zijn. Ook heeft [persoon] geen zekerheid gesteld voor de vordering van NeBaPo. Gezien het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om het beslag op te heffen.
5.24.
Omdat [persoon] in reconventie in het ongelijk is gesteld moet hij ook de proceskosten (inclusief nakosten) van NeBaPo in reconventie betalen. Deze proceskosten worden begroot op:
- salaris advocaat
€
307,00
(1 punt × factor 0,5 × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
485,00