Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:3588
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,270 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1415 KINDER
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van Dienst Toeslagen van 30 december 2024. Bij dit besluit is het bezwaar van eiseres tegen het afwijzen van de aanvraag van eiseres om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag ongegrond verklaard.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden.
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat Dienst Toeslagen het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 30 december 2024 door verzending per post, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 10 februari 2025.
4.1.
Eiseres heeft op 25 februari 2025 beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Eiseres heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Eiseres heeft zich gewend tot haar rechtsbijstandverzekering. Die heeft echter na het verlopen van de termijn aangegeven eiseres niet te kunnen helpen omdat de kwestie niet verzekerd is. Vervolgens heeft eiseres zich gewend tot de Raad voor Rechtsbijstand in het kader van de toekenning van een advocaat. Een kleine tweetal weker later heeft de Raad eiseres gekoppeld aan de gemachtigde van eiseres. De gemachtigde heeft vervolgens gelijk een voorlopig beroepschrift ingediend.
5.1
Dat is geen verontschuldiging voor dit verzuim. De rechtbank constateert dat in het bestreden besluit duidelijk staat vermeld dat eiseres, wanneer zij het niet eens is met de beslissing, binnen zes weken na verzending van het besluit beroep moet instellen bij de rechtbank. Eiseres is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende geïnformeerd over de mogelijkheid om tijdig beroep in te dienen. Dat eiseres eerst het antwoord van haar rechtsbijstandverzekering en daarna van de Raad voor Rechtsbijstand heeft afgewacht alvorens een beroepschrift in te laten dienen, en daarmee het risico heeft genomen dat hierdoor de beroepstermijn zou kunnen verstrijken, dient voor haar rekening en risico te komen. Het had op de weg van eiseres gelegen om tijdig beroep in te stellen, zo nodig op nader aan te voeren gronden.
Conclusie
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 10 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.