Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:3525
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,750 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5349
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 juni 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is (impliciet) een beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek van nihil gegeven.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur] . Van hetgeen ter zitting is besproken een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek naar de juiste hoogte is opgelegd. Het gaat specifiek om de vraag of belanghebbende recht heeft op studiekostenaftrek. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of sprake is van strijd met het belastingverdrag tussen Nederland en India (het Verdrag). Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek naar de juiste hoogte opgelegd. Er is geen strijd met het Verdrag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft de Indiase nationaliteit en is inwoner van India tot medio 2019.
4.1.
Belanghebbende heeft zich aangemeld bij [school] ([school]).
4.2.
[school] verzoekt belanghebbende op 11 januari 2019 om voor 1 juni 2019 € 20.659 over te maken als ‘Financial Guarantee’. Belanghebbende heeft dit bedrag op 21 mei 2019 overgemaakt (de betaling).
4.3.
Belanghebbende is sinds 19 september 2019 geregistreerd op een adres in Nederland.
4.4.
Op 3 mei 2023 dient belanghebbende een aangifte inkomstenbelasting 2019 in door middel van een M-biljet. Belanghebbende merkt hierin € 8.290 aan als scholingsuitgaven.
Motivering
Is sprake van een betaling in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) of is sprake van een depotstorting?
5. Artikel 3.41 van het Vreemdelingenbesluit bepaalt dat aan studenten een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet, kan worden verleend onder de beperking verband houdende met het volgen van studie. Voor het verlenen van zo’n verblijfsvergunning is onder meer een (voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling vereist. Verder is in de Wet IB geregeld dat binnenlands belastingplichtigen in aanmerking kunnen komen voor studiekostenaftrek. In artikel 6.40 van de Wet IB is geregeld op welk tijdstip dergelijke kosten voor aftrek in aanmerking komen.
5.1.
De Hoge Raad legt een betaling in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a, van de Wet IB, in het arrest van 12 juli 2024, als volgt uit: “Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad voorop dat het overmaken van een geldbedrag naar de bankrekening van een ander niet alleen als een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001 is aan te merken in gevallen waarin daartoe op het moment van het overmaken van het geld een verplichting bestaat en dus degene die het geld op zijn bankrekening krijgt gestort, een opeisbare vordering tot betaling heeft. Van een betaling in de zojuist bedoelde zin is ook sprake indien op het moment waarop het geldbedrag wordt overgemaakt, een rechtsverhouding tussen partijen bestaat waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeit die als persoonsgebonden aftrekpost kan worden aangemerkt, en de overmaking van het geldbedrag naar de bedoeling van partijen ertoe strekt om van tevoren aan die verplichting te voldoen. Daarbij is niet van belang of een eventuele prestatie van de wederpartij waarop de betaling betrekking heeft, op dat moment al is verricht.”
5.2.
Er is geen sprake van een betaling in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a, van de Wet IB: “indien de belastingplichtige een geldbedrag naar de bankrekening van een ander overmaakt zonder dat daaraan een bestaande of toekomstige verplichting (…) ten grondslag ligt.” De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het standpunt dat de betaling geen betaling in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a, van de Wet IB is en wel een depotstorting, ligt bij belanghebbende.
5.3.
Belanghebbende stelt dat de betaling geen betaling is in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a, van de Wet IB maar een depotstorting. Belanghebbende voert ter onderbouwing aan dat voor de toelating tot [school] aangetoond moest worden dat belanghebbende het collegegeld en de kosten van levensonderhoud van een jaar zou kunnen betalen. [school] heeft belanghebbende daarom verzocht € 20.659 over te maken als ‘Financial Guarantee’. Op het moment van betaling was geen sprake van een rechtsverhouding waaruit in de toekomst een betalingsverplichting voortvloeit, aldus belanghebbende. Belanghebbende had op het moment van de betaling slechts de intentie om de opleiding te beginnen. Het was daarbij de vraag of belanghebbende een visum zou ontvangen en daadwerkelijk zou kunnen starten met de opleiding. Daarnaast stelt belanghebbende dat, wanneer toch sprake zou zijn van een dergelijke rechtsverhouding, het niet de bedoeling was van partijen om aan de betalingsverplichting van tevoren te voldoen. [school] heeft verzocht om een waarborgsom waarbij het bedrag aan collegegeld slechts een rekengrootheid is om de waarborgsom te bepalen, aldus belanghebbende. Belanghebbende had geen intentie om op het moment van de betaling al het collegegeld te voldoen.
5.4.
De inspecteur betwist deze stellingen en voert aan dat de betaling wel een betaling is in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a, van de Wet IB. De inschrijving voor een opleiding, die een betalingsverplichting van het collegegeld met zich meebrengt, is een vereiste voor de verblijfsvergunning, aldus de inspecteur.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat de betaling die belanghebbende heeft gedaan een depotstorting is. Belanghebbende heeft namelijk geen stukken overgelegd waaruit dit volgt. De omstandigheid dat (een groot deel van) de betaling terug ontvangen zou worden als belanghebbende geen visum zou krijgen, is op zichzelf onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat sprake is van een depotstorting. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de betaling sprake van een rechtsverhouding waaruit in de toekomst een betalingsverplichting voortvloeit. Belanghebbende heeft zich op het moment van de aanmelding bij de [school] verbonden om het collegegeld te betalen. Een voorwaarde voor (toekomstige) inschrijving is immers de betaling van collegegeld. Daarmee is aan de voorwaarden voor een betaling in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a van de Wet IB voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de studiekosten dan ook betaald op 21 mei 2019.
Was belanghebbende op het moment van de betaling belastingplichtig in Nederland?
6. De vraag waar iemand woont, moet naar de omstandigheden worden beoordeeld. Er is sprake van een woonplaats in Nederland als alle omstandigheden van het geval erop wijzen dat er een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die band hoeft niet sterker te zijn dan met enig ander land. Hierbij is het niet noodzakelijk dat het middelpunt van zijn maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt. Verder dient geen beslissende betekenis te worden toegekend aan bepaalde (categorieën van) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land.
6.1.
Belanghebbende stelt vanaf begin 2019 een duurzame band met Nederland te hebben vanwege de aanmelding bij de [school]. Daarnaast stelt belanghebbende in ieder geval inwoner te zijn van Nederland vanaf 21 augustus 2019, het moment waarop belanghebbende naar Nederland is gekomen.
6.2.
Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat belanghebbende in Nederland is ingeschreven vanaf 19 september 2019. De inspecteur betwist dat belanghebbende vanaf begin 2019 of vanaf 21 augustus 2019 inwoner is geworden van Nederland en stelt dat belanghebbende inwoner is van Nederland vanaf 19 september 2019.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende in ieder geval pas na de betaling in mei inwoner van Nederland geworden. Op het moment van de betaling had belanghebbende geen duurzame band met Nederland, waardoor belanghebbende geen inwoner was van Nederland. De enkele voorbereidingshandelingen om naar Nederland te komen om hier een studie te volgen zijn onvoldoende om te kunnen spreken van een duurzame band met Nederland. De rechtbank laat in het midden welke datum belanghebbende precies inwoner van Nederland is geworden, aangezien dat gelet op het voorgaande oordeel over het betalingsmoment geen belang heeft.
Is er strijd met het Verdrag
?
7. Belanghebbende stelt dat de scholingsuitgaven ook in aftrek genomen moeten worden omdat anders strijd zou zijn met de non-discriminatiebepaling van artikel 24, eerste lid, van het Verdrag.
7.1.
De inspecteur stelt dat van strijd met de non-discriminatiebepaling geen sprake is. Artikel 6.40 van de Wet IB kent voor iedereen een gelijke toepassing, aldus de inspecteur. Belanghebbende was op het moment van betaling geen inwoner van Nederland en geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige waardoor belanghebbende de scholingsuitgaven niet kon aftrekken. Van discriminatie is geen sprake omdat inwoners en niet-inwoners niet gelijk zijn voor de aftrekposten, aldus de inspecteur.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, op 5 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 7.33 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Geldende voor het jaar 2019.
Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 4.2.1.
Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 4.2.2.
Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 4.2.3.
Zie artikel 7.37 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Vgl. HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824, r.o. 3.2.2.
Vgl. HR 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, r.o. 3.5.3.
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek India tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen.
Artikel 24, eerste lid, van het Verdrag.
Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 6.2.2.
Artikel 3.41 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Artikel 7.37, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 3.22 van het Voorschrift vreemdelingen 2000.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5349
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 juni 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is (impliciet) een beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek van nihil gegeven.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur] . Van hetgeen ter zitting is besproken een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek naar de juiste hoogte is opgelegd. Het gaat specifiek om de vraag of belanghebbende recht heeft op studiekostenaftrek. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of sprake is van strijd met het belastingverdrag tussen Nederland en India (het Verdrag). Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek naar de juiste hoogte opgelegd. Er is geen strijd met het Verdrag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft de Indiase nationaliteit en is inwoner van India tot medio 2019.
4.1.
Belanghebbende heeft zich aangemeld bij [school] ([school]).
4.2.
[school] verzoekt belanghebbende op 11 januari 2019 om voor 1 juni 2019 € 20.659 over te maken als ‘Financial Guarantee’. Belanghebbende heeft dit bedrag op 21 mei 2019 overgemaakt (de betaling).
4.3.
Belanghebbende is sinds 19 september 2019 geregistreerd op een adres in Nederland.
4.4.
Op 3 mei 2023 dient belanghebbende een aangifte inkomstenbelasting 2019 in door middel van een M-biljet. Belanghebbende merkt hierin € 8.290 aan als scholingsuitgaven.
Motivering
Is sprake van een betaling in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) of is sprake van een depotstorting?
5. Artikel 3.41 van het Vreemdelingenbesluit bepaalt dat aan studenten een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet, kan worden verleend onder de beperking verband houdende met het volgen van studie. Voor het verlenen van zo’n verblijfsvergunning is onder meer een (voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling vereist. Verder is in de Wet IB geregeld dat binnenlands belastingplichtigen in aanmerking kunnen komen voor studiekostenaftrek. In artikel 6.40 van de Wet IB is geregeld op welk tijdstip dergelijke kosten voor aftrek in aanmerking komen.
5.1.
De Hoge Raad legt een betaling in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a, van de Wet IB, in het arrest van 12 juli 2024, als volgt uit: “Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad voorop dat het overmaken van een geldbedrag naar de bankrekening van een ander niet alleen als een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001 is aan te merken in gevallen waarin daartoe op het moment van het overmaken van het geld een verplichting bestaat en dus degene die het geld op zijn bankrekening krijgt gestort, een opeisbare vordering tot betaling heeft. Van een betaling in de zojuist bedoelde zin is ook sprake indien op het moment waarop het geldbedrag wordt overgemaakt, een rechtsverhouding tussen partijen bestaat waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeit die als persoonsgebonden aftrekpost kan worden aangemerkt, en de overmaking van het geldbedrag naar de bedoeling van partijen ertoe strekt om van tevoren aan die verplichting te voldoen. Daarbij is niet van belang of een eventuele prestatie van de wederpartij waarop de betaling betrekking heeft, op dat moment al is verricht.”
5.2.
Er is geen sprake van een betaling in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a, van de Wet IB: “indien de belastingplichtige een geldbedrag naar de bankrekening van een ander overmaakt zonder dat daaraan een bestaande of toekomstige verplichting (…) ten grondslag ligt.” De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het standpunt dat de betaling geen betaling in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a, van de Wet IB is en wel een depotstorting, ligt bij belanghebbende.
5.3.
Belanghebbende stelt dat de betaling geen betaling is in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a, van de Wet IB maar een depotstorting. Belanghebbende voert ter onderbouwing aan dat voor de toelating tot [school] aangetoond moest worden dat belanghebbende het collegegeld en de kosten van levensonderhoud van een jaar zou kunnen betalen. [school] heeft belanghebbende daarom verzocht € 20.659 over te maken als ‘Financial Guarantee’. Op het moment van betaling was geen sprake van een rechtsverhouding waaruit in de toekomst een betalingsverplichting voortvloeit, aldus belanghebbende. Belanghebbende had op het moment van de betaling slechts de intentie om de opleiding te beginnen. Het was daarbij de vraag of belanghebbende een visum zou ontvangen en daadwerkelijk zou kunnen starten met de opleiding. Daarnaast stelt belanghebbende dat, wanneer toch sprake zou zijn van een dergelijke rechtsverhouding, het niet de bedoeling was van partijen om aan de betalingsverplichting van tevoren te voldoen. [school] heeft verzocht om een waarborgsom waarbij het bedrag aan collegegeld slechts een rekengrootheid is om de waarborgsom te bepalen, aldus belanghebbende. Belanghebbende had geen intentie om op het moment van de betaling al het collegegeld te voldoen.
5.4.
De inspecteur betwist deze stellingen en voert aan dat de betaling wel een betaling is in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a, van de Wet IB. De inschrijving voor een opleiding, die een betalingsverplichting van het collegegeld met zich meebrengt, is een vereiste voor de verblijfsvergunning, aldus de inspecteur.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat de betaling die belanghebbende heeft gedaan een depotstorting is. Belanghebbende heeft namelijk geen stukken overgelegd waaruit dit volgt. De omstandigheid dat (een groot deel van) de betaling terug ontvangen zou worden als belanghebbende geen visum zou krijgen, is op zichzelf onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat sprake is van een depotstorting. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de betaling sprake van een rechtsverhouding waaruit in de toekomst een betalingsverplichting voortvloeit. Belanghebbende heeft zich op het moment van de aanmelding bij de [school] verbonden om het collegegeld te betalen. Een voorwaarde voor (toekomstige) inschrijving is immers de betaling van collegegeld. Daarmee is aan de voorwaarden voor een betaling in de zin van artikel 6.40, eerste lid, onder a van de Wet IB voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de studiekosten dan ook betaald op 21 mei 2019.
Was belanghebbende op het moment van de betaling belastingplichtig in Nederland?
6. De vraag waar iemand woont, moet naar de omstandigheden worden beoordeeld. Er is sprake van een woonplaats in Nederland als alle omstandigheden van het geval erop wijzen dat er een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die band hoeft niet sterker te zijn dan met enig ander land. Hierbij is het niet noodzakelijk dat het middelpunt van zijn maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt. Verder dient geen beslissende betekenis te worden toegekend aan bepaalde (categorieën van) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land.
6.1.
Belanghebbende stelt vanaf begin 2019 een duurzame band met Nederland te hebben vanwege de aanmelding bij de [school]. Daarnaast stelt belanghebbende in ieder geval inwoner te zijn van Nederland vanaf 21 augustus 2019, het moment waarop belanghebbende naar Nederland is gekomen.
6.2.
Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat belanghebbende in Nederland is ingeschreven vanaf 19 september 2019. De inspecteur betwist dat belanghebbende vanaf begin 2019 of vanaf 21 augustus 2019 inwoner is geworden van Nederland en stelt dat belanghebbende inwoner is van Nederland vanaf 19 september 2019.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende in ieder geval pas na de betaling in mei inwoner van Nederland geworden. Op het moment van de betaling had belanghebbende geen duurzame band met Nederland, waardoor belanghebbende geen inwoner was van Nederland. De enkele voorbereidingshandelingen om naar Nederland te komen om hier een studie te volgen zijn onvoldoende om te kunnen spreken van een duurzame band met Nederland. De rechtbank laat in het midden welke datum belanghebbende precies inwoner van Nederland is geworden, aangezien dat gelet op het voorgaande oordeel over het betalingsmoment geen belang heeft.
Is er strijd met het Verdrag
?
7. Belanghebbende stelt dat de scholingsuitgaven ook in aftrek genomen moeten worden omdat anders strijd zou zijn met de non-discriminatiebepaling van artikel 24, eerste lid, van het Verdrag.
7.1.
De inspecteur stelt dat van strijd met de non-discriminatiebepaling geen sprake is. Artikel 6.40 van de Wet IB kent voor iedereen een gelijke toepassing, aldus de inspecteur. Belanghebbende was op het moment van betaling geen inwoner van Nederland en geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige waardoor belanghebbende de scholingsuitgaven niet kon aftrekken. Van discriminatie is geen sprake omdat inwoners en niet-inwoners niet gelijk zijn voor de aftrekposten, aldus de inspecteur.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, op 5 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 7.33 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Geldende voor het jaar 2019.
Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 4.2.1.
Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 4.2.2.
Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 4.2.3.
Zie artikel 7.37 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Vgl. HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824, r.o. 3.2.2.
Vgl. HR 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, r.o. 3.5.3.
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek India tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen.
Artikel 24, eerste lid, van het Verdrag.
Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 6.2.2.
Artikel 3.41 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Artikel 7.37, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 3.22 van het Voorschrift vreemdelingen 2000.