Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:350
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
7,288 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/429957 / JE RK 24-2271
Datum uitspraak: 10 januari 2025
tussenbeschikking van de kinderrechter over een vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. F. Pool te Rotterdam, waargenomen door mr. Schiettekatte,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
een vertegenwoordigster van de GI;
de moeder, bijgestaan door waarnemend advocaat mr. N. Schiettekatte;
de vader en zijn advocaat;
een vertegenwoordigster van de Raad.
Feiten
2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
In de zaak met het kenmerk C/02/418844/ JE RK 24-209 is door deze rechtbank bij beschikking van 28 maart 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 29 maart 2025 en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder/gezinshuis verlengd tot 29 oktober 2024, onder aanhouding van de beslissing op het restantverzoek.
2.3.
In de zaak met het kenmerk C/02/391463 / FA RK 21-5218 is daarnaast door deze rechtbank bij nadere beschikking van 28 maart 2024 het hoofdverblijf van de minderjarige [minderjarige] aldus gewijzigd, dat hij zijn hoofdverblijf heeft bij de vader.
2.4.
De GI heeft op 17 september 2024 een beslissing genomen over het contact tijdens de uithuisplaatsing inhoudende:
- begeleide omgang bij de moeder thuis op 30 oktober 2024,
13 november 2024, 27 november 2024, 11 december 2024, 24 december 2024, 8 januari 2025 van 13:00 uur tot 17:00 uur;
een evaluatie van die begeleide bezoeken op 13 januari 2025;
te vervolgen door begeleid contact bij de moeder thuis op 22 januari 2025, 5 februari 2025, 19 februari 2025, 5 maart 2025 en 19 maart 2025 van 13:00 uur tot 17:00 uur;
afsluitend een evaluatie op 24 maart 2025, met dien verstande, dat de tijdstippen en locatie in overleg met de jeugdbeschermer kunnen worden gewijzigd.
2.5.
Bij beschikking van 27 september 2024 is in de zaak met het kenmerk C/02/418844/ JE RK 24-209 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 29 oktober 2024, onder afwijzing van het meer of anders verzochte.
2.6.
[minderjarige] woont sinds 18 oktober 2024 bij de vader.
3Het verzoek
De GI verzoekt de verdeling van de zorg- en opvoedtaken te wijzigen, althans vast te stellen, inhoudende dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder zal plaatsvinden om de week (conform de huidige voorlopige contactregeling onder 2.4.) gedurende 3 uren bij de moeder thuis begeleid door een externe organisatie.
Door de GI is aanvullend mondeling verzocht om daarnaast te bepalen dat zij over de mogelijkheid zal beschikken om onder haar regievoering, afhankelijk van het (geëvalueerde) verloop van de contacten tussen [minderjarige] en de moeder, te komen tot een stapsgewijze uitbreiding van bedoelde contactregeling, althans dat de rechtbank in goede justitie een andere regeling zal vaststellen die in het belang van [minderjarige] is.
4Het standpunt van de verzoeker
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is schriftelijk – samengevat – aangevoerd dat uit diagnostisch onderzoek (Impegno) naar voren is gekomen dat er tussen [minderjarige] en zijn beide ouders geen hechting heeft plaatsgevonden. De moeder, bij wie [minderjarige] tot 9 januari 2024 heeft gewoond, is niet in staat gebleken om voor hem een situatie te creëren, waarin hij zich veilig kon voelen en hij een opvoeder om zich heen had die hem kon helpen/ondersteunen om de wereld te leren begrijpen en vertalen. Deze situatie heeft ertoe geleid dat [minderjarige] volledig is gestagneerd in zijn ontwikkeling.
4.2.
Na een spoeduithuisplaatsing heeft [minderjarige] van 9 januari 2024 tot 18 oktober 2024 in gezinshuis ‘[accommodatie]’ verbleven. Gedurende die periode zijn er (intensievere) omgangsmomenten met zijn vader opgebouwd, bij wie (in maart 2024) het hoofverblijf is bepaald. Daardoor kreeg [minderjarige] de kans om een veiligere en meer stabiele relatie met zijn vader op te bouwen. [minderjarige] woont inmiddels bij de vader.
4.3.
Gedurende zijn verblijf in het gezinshuis heeft [minderjarige] , eerst onder begeleiding bij de moeder thuis of in het gezinshuis, contact met de moeder gehad. De GI heeft daarna, voor de periode van [geboortedag] 2024 tot 18 oktober 2024, een onbegeleide contactregeling bepaald, maar die regeling is weer aangepast vanwege signalen van [minderjarige] die duidden op (emotionele) onveiligheid. [minderjarige] deed na de bezoeken (opnieuw) uitspraken zoals: ''ik mag straks weer bij mama wonen,'' ''ik wil minder naar papa toe,'' en ''ik mag kiezen bij wie ik ga wonen.'' Wanneer hierop werd doorgevraagd gaf [minderjarige] aan eigenlijk niet te begrijpen waarom hij dit had gezegd of wat hij daarmee bedoelde en dat hij volgens zijn moeder zou mogen kiezen waar hij gaat wonen. Daarnaast werd door de gezinshuisouders, de vader en de GI gezien dat [minderjarige] weer meer gesloten was en dat hij moeite had om zijn gevoelens onder woorden te brengen. Verder namen de gezinshuis-ouders waar dat [minderjarige] zich afsloot, dat hij overgaf, slecht sliep en snel huilde. Het leek erop dat [minderjarige] opnieuw kampte met een loyaliteitsconflict. De GI heeft vanwege deze omstandigheden op 17 september 2024 de contactregeling herzien. Het streven is dat het contact tussen [minderjarige] en zijn moeder weer op onbelaste wijze zal plaatsvinden. Gelet op het verlopen van de machtiging uithuisplaatsing en nu [minderjarige] weer bij de vader woont verzoekt de GI de huidige voorlopige contactregeling formeel vast te stellen, met dien verstande dat om de week voor de duur van drie uren (extern) begeleid bezoek bij de moeder plaatsvindt tot en met 19 maart 2025. Een begeleide omgang van vier uren blijkt organisatorisch niet haalbaar.
4.4.
De vertegenwoordigster van de GI heeft mondeling verder naar voren gebracht dat zij op basis van haar eigen bevindingen van het verloop van de door haar begeleide contacten vanaf 30 oktober 2024 geen zorgen constateert in het begeleide contact tussen [minderjarige] en de moeder. [minderjarige] reageert vrolijk, liefdevol en enthousiast op de contacten met de moeder en de moeder sluit goed aan bij wat hij daarin nodig heeft. Een externe professional zal per 15 januari 2025 de contacten verder begeleiden. Een evaluatie van die begeleide contacten zal op 14 maart 2025 plaats kunnen vinden. De GI wenst, afhankelijk van de uitkomst daarvan, over de mogelijkheid te beschikken om tot stapsgewijze uitbreiding van de contactregeling over te gaan, waarbij hetgeen [minderjarige] aan kan steeds leidend zal zijn.
5De standpunten van de belanghebbenden
5.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij achter het verzoek van de GI kan staan. Zij kan zich vinden in een voorlopige contactregeling, waarbij de regievoering bij de GI berust en er – afhankelijk van het verloop en de evaluatie van de contacten – een tussentijdse uitbreiding van de contacten mogelijk is. De moeder wil graag toewerken aan het uitbreiden van de contacten alsook dat de begeleiding er vanaf gaat, maar hiervoor ontbreekt een plan. De moeder benadrukt nogmaals dat [minderjarige] door haar niet negatief wordt beïnvloed. Verder spant zij zich volledig in om het contact te laten verlopen op een wijze die in het belang van [minderjarige] is. De moeder stelt zich ook open voor begeleiding van de contacten en voor evaluatiemomenten daarvan. Wel gaat zij er daarbij van uit dat daarover door de GI in het vervolg schriftelijk verslag wordt gedaan. Desgevraagd geeft de moeder aan geen hulpvraag te ervaren en niet in behandeling te zijn.
Het verzoek van de GI wordt overigens aldus opgevat dat de GI formalisering, dat wil zeggen, vaststelling wenst van de door haar op dit moment nagestreefde voorlopige regeling. Of dit echter strikt genomen in het belang van [minderjarige] op dit moment aangewezen is laat zij ter beoordeling van de kinderrechter.
Beoordeling
7.1
Voordat de kinderrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en beslissing daarop stelt zij vast dat [minderjarige] niet is uitgenodigd om zijn mening kenbaar te maken over het verzoek. Ingevolge artikel 7.1 van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht worden in zaken, waarin minderjarigen van twaalf jaar en ouder zijn betrokken, deze door de kinderrechter in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De kinderrechter kan besluiten om minderjarigen jonger dan twaalf jaar te horen.
In een zaak zoals de onderhavige wordt door deze rechtbank als uitgangspunt gehanteerd dat kinderen vanaf acht jaar in beginsel in staat moeten zijn om hun mening kenbaar te maken aan de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling is de kinderrechter niet gebleken van omstandigheden die maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. [minderjarige] zal dan ook eerst de gelegenheid krijgen om zijn mening kenbaar te maken voordat de kinderrechter een beslissing zal nemen over het verzoek van de GI. Dat mag in een kindgesprek of anders, zoals door het schrijven van een brief.
7.2
Dat betekent dat aan [minderjarige] alsnog een brief namens de kinderrechter zal worden verstuurd, waarin hem hierover op passende wijze uitleg wordt gegeven. In de brief wordt vermeld dat als de rechtbank vóór 20 januari 2025 geen reactie van [minderjarige] heeft gehad, ervan uit wordt gegaan dat hij niet op kindgesprek wil komen.
7.3.
Indien [minderjarige] géén gebruik wenst te maken van de gelegenheid om zijn mening te delen (in die zin dat reactie op de brief uitblijft of dat hij aangeeft hier geen behoefte aan te hebben) zal de rechtbank belanghebbenden hiervan uiterlijk op 20 januari 2025 in kennis stellen. In dat geval kan zal er vanuit worden gegaan dat de kinderrechter zonder nadere mondelinge behandeling, binnen twee weken (uiterlijk 3 februari 2025), een schriftelijke beslissing neemt op het verzoek.
7.4.
Indien [minderjarige] gebruik wenst te maken van de gelegenheid om zijn mening kenbaar te maken, zal zo spoedig mogelijk een kindgesprek worden gepland, en zullen belanghebbenden hiervan op de hoogte worden gesteld. Afhankelijk van de strekking van het gesprek zal na het plaatsvinden daarvan aan belanghebbenden worden voorgelegd of zij de voorkeur geven aan een mondelinge behandeling of dat de zaak verder schriftelijk kan worden afgedaan.
7.5.
Met inachtneming van het vorenstaande zal de rechtbank de behandeling van het verzoek aanhouden.
Dictum
8.1.
De kinderrechter:
8.2.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI aan met inachtneming van het hiervóór in 7.3 en 7.4 overwogene;
8.3.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 17 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/429957 / JE RK 24-2271
Datum uitspraak: 10 januari 2025
tussenbeschikking van de kinderrechter over een vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. F. Pool te Rotterdam, waargenomen door mr. Schiettekatte,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
een vertegenwoordigster van de GI;
de moeder, bijgestaan door waarnemend advocaat mr. N. Schiettekatte;
de vader en zijn advocaat;
een vertegenwoordigster van de Raad.
Feiten
2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
In de zaak met het kenmerk C/02/418844/ JE RK 24-209 is door deze rechtbank bij beschikking van 28 maart 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 29 maart 2025 en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder/gezinshuis verlengd tot 29 oktober 2024, onder aanhouding van de beslissing op het restantverzoek.
2.3.
In de zaak met het kenmerk C/02/391463 / FA RK 21-5218 is daarnaast door deze rechtbank bij nadere beschikking van 28 maart 2024 het hoofdverblijf van de minderjarige [minderjarige] aldus gewijzigd, dat hij zijn hoofdverblijf heeft bij de vader.
2.4.
De GI heeft op 17 september 2024 een beslissing genomen over het contact tijdens de uithuisplaatsing inhoudende:
- begeleide omgang bij de moeder thuis op 30 oktober 2024,
13 november 2024, 27 november 2024, 11 december 2024, 24 december 2024, 8 januari 2025 van 13:00 uur tot 17:00 uur;
een evaluatie van die begeleide bezoeken op 13 januari 2025;
te vervolgen door begeleid contact bij de moeder thuis op 22 januari 2025, 5 februari 2025, 19 februari 2025, 5 maart 2025 en 19 maart 2025 van 13:00 uur tot 17:00 uur;
afsluitend een evaluatie op 24 maart 2025, met dien verstande, dat de tijdstippen en locatie in overleg met de jeugdbeschermer kunnen worden gewijzigd.
2.5.
Bij beschikking van 27 september 2024 is in de zaak met het kenmerk C/02/418844/ JE RK 24-209 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 29 oktober 2024, onder afwijzing van het meer of anders verzochte.
2.6.
[minderjarige] woont sinds 18 oktober 2024 bij de vader.
3Het verzoek
De GI verzoekt de verdeling van de zorg- en opvoedtaken te wijzigen, althans vast te stellen, inhoudende dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder zal plaatsvinden om de week (conform de huidige voorlopige contactregeling onder 2.4.) gedurende 3 uren bij de moeder thuis begeleid door een externe organisatie.
Door de GI is aanvullend mondeling verzocht om daarnaast te bepalen dat zij over de mogelijkheid zal beschikken om onder haar regievoering, afhankelijk van het (geëvalueerde) verloop van de contacten tussen [minderjarige] en de moeder, te komen tot een stapsgewijze uitbreiding van bedoelde contactregeling, althans dat de rechtbank in goede justitie een andere regeling zal vaststellen die in het belang van [minderjarige] is.
4Het standpunt van de verzoeker
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is schriftelijk – samengevat – aangevoerd dat uit diagnostisch onderzoek (Impegno) naar voren is gekomen dat er tussen [minderjarige] en zijn beide ouders geen hechting heeft plaatsgevonden. De moeder, bij wie [minderjarige] tot 9 januari 2024 heeft gewoond, is niet in staat gebleken om voor hem een situatie te creëren, waarin hij zich veilig kon voelen en hij een opvoeder om zich heen had die hem kon helpen/ondersteunen om de wereld te leren begrijpen en vertalen. Deze situatie heeft ertoe geleid dat [minderjarige] volledig is gestagneerd in zijn ontwikkeling.
4.2.
Na een spoeduithuisplaatsing heeft [minderjarige] van 9 januari 2024 tot 18 oktober 2024 in gezinshuis ‘[accommodatie]’ verbleven. Gedurende die periode zijn er (intensievere) omgangsmomenten met zijn vader opgebouwd, bij wie (in maart 2024) het hoofverblijf is bepaald. Daardoor kreeg [minderjarige] de kans om een veiligere en meer stabiele relatie met zijn vader op te bouwen. [minderjarige] woont inmiddels bij de vader.
4.3.
Gedurende zijn verblijf in het gezinshuis heeft [minderjarige] , eerst onder begeleiding bij de moeder thuis of in het gezinshuis, contact met de moeder gehad. De GI heeft daarna, voor de periode van [geboortedag] 2024 tot 18 oktober 2024, een onbegeleide contactregeling bepaald, maar die regeling is weer aangepast vanwege signalen van [minderjarige] die duidden op (emotionele) onveiligheid. [minderjarige] deed na de bezoeken (opnieuw) uitspraken zoals: ''ik mag straks weer bij mama wonen,'' ''ik wil minder naar papa toe,'' en ''ik mag kiezen bij wie ik ga wonen.'' Wanneer hierop werd doorgevraagd gaf [minderjarige] aan eigenlijk niet te begrijpen waarom hij dit had gezegd of wat hij daarmee bedoelde en dat hij volgens zijn moeder zou mogen kiezen waar hij gaat wonen. Daarnaast werd door de gezinshuisouders, de vader en de GI gezien dat [minderjarige] weer meer gesloten was en dat hij moeite had om zijn gevoelens onder woorden te brengen. Verder namen de gezinshuis-ouders waar dat [minderjarige] zich afsloot, dat hij overgaf, slecht sliep en snel huilde. Het leek erop dat [minderjarige] opnieuw kampte met een loyaliteitsconflict. De GI heeft vanwege deze omstandigheden op 17 september 2024 de contactregeling herzien. Het streven is dat het contact tussen [minderjarige] en zijn moeder weer op onbelaste wijze zal plaatsvinden. Gelet op het verlopen van de machtiging uithuisplaatsing en nu [minderjarige] weer bij de vader woont verzoekt de GI de huidige voorlopige contactregeling formeel vast te stellen, met dien verstande dat om de week voor de duur van drie uren (extern) begeleid bezoek bij de moeder plaatsvindt tot en met 19 maart 2025. Een begeleide omgang van vier uren blijkt organisatorisch niet haalbaar.
4.4.
De vertegenwoordigster van de GI heeft mondeling verder naar voren gebracht dat zij op basis van haar eigen bevindingen van het verloop van de door haar begeleide contacten vanaf 30 oktober 2024 geen zorgen constateert in het begeleide contact tussen [minderjarige] en de moeder. [minderjarige] reageert vrolijk, liefdevol en enthousiast op de contacten met de moeder en de moeder sluit goed aan bij wat hij daarin nodig heeft. Een externe professional zal per 15 januari 2025 de contacten verder begeleiden. Een evaluatie van die begeleide contacten zal op 14 maart 2025 plaats kunnen vinden. De GI wenst, afhankelijk van de uitkomst daarvan, over de mogelijkheid te beschikken om tot stapsgewijze uitbreiding van de contactregeling over te gaan, waarbij hetgeen [minderjarige] aan kan steeds leidend zal zijn.
5De standpunten van de belanghebbenden
5.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij achter het verzoek van de GI kan staan. Zij kan zich vinden in een voorlopige contactregeling, waarbij de regievoering bij de GI berust en er – afhankelijk van het verloop en de evaluatie van de contacten – een tussentijdse uitbreiding van de contacten mogelijk is. De moeder wil graag toewerken aan het uitbreiden van de contacten alsook dat de begeleiding er vanaf gaat, maar hiervoor ontbreekt een plan. De moeder benadrukt nogmaals dat [minderjarige] door haar niet negatief wordt beïnvloed. Verder spant zij zich volledig in om het contact te laten verlopen op een wijze die in het belang van [minderjarige] is. De moeder stelt zich ook open voor begeleiding van de contacten en voor evaluatiemomenten daarvan. Wel gaat zij er daarbij van uit dat daarover door de GI in het vervolg schriftelijk verslag wordt gedaan. Desgevraagd geeft de moeder aan geen hulpvraag te ervaren en niet in behandeling te zijn.
Het verzoek van de GI wordt overigens aldus opgevat dat de GI formalisering, dat wil zeggen, vaststelling wenst van de door haar op dit moment nagestreefde voorlopige regeling. Of dit echter strikt genomen in het belang van [minderjarige] op dit moment aangewezen is laat zij ter beoordeling van de kinderrechter.
Beoordeling
7.1
Voordat de kinderrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en beslissing daarop stelt zij vast dat [minderjarige] niet is uitgenodigd om zijn mening kenbaar te maken over het verzoek. Ingevolge artikel 7.1 van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht worden in zaken, waarin minderjarigen van twaalf jaar en ouder zijn betrokken, deze door de kinderrechter in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De kinderrechter kan besluiten om minderjarigen jonger dan twaalf jaar te horen.
In een zaak zoals de onderhavige wordt door deze rechtbank als uitgangspunt gehanteerd dat kinderen vanaf acht jaar in beginsel in staat moeten zijn om hun mening kenbaar te maken aan de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling is de kinderrechter niet gebleken van omstandigheden die maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. [minderjarige] zal dan ook eerst de gelegenheid krijgen om zijn mening kenbaar te maken voordat de kinderrechter een beslissing zal nemen over het verzoek van de GI. Dat mag in een kindgesprek of anders, zoals door het schrijven van een brief.
7.2
Dat betekent dat aan [minderjarige] alsnog een brief namens de kinderrechter zal worden verstuurd, waarin hem hierover op passende wijze uitleg wordt gegeven. In de brief wordt vermeld dat als de rechtbank vóór 20 januari 2025 geen reactie van [minderjarige] heeft gehad, ervan uit wordt gegaan dat hij niet op kindgesprek wil komen.
7.3.
Indien [minderjarige] géén gebruik wenst te maken van de gelegenheid om zijn mening te delen (in die zin dat reactie op de brief uitblijft of dat hij aangeeft hier geen behoefte aan te hebben) zal de rechtbank belanghebbenden hiervan uiterlijk op 20 januari 2025 in kennis stellen. In dat geval kan zal er vanuit worden gegaan dat de kinderrechter zonder nadere mondelinge behandeling, binnen twee weken (uiterlijk 3 februari 2025), een schriftelijke beslissing neemt op het verzoek.
7.4.
Indien [minderjarige] gebruik wenst te maken van de gelegenheid om zijn mening kenbaar te maken, zal zo spoedig mogelijk een kindgesprek worden gepland, en zullen belanghebbenden hiervan op de hoogte worden gesteld. Afhankelijk van de strekking van het gesprek zal na het plaatsvinden daarvan aan belanghebbenden worden voorgelegd of zij de voorkeur geven aan een mondelinge behandeling of dat de zaak verder schriftelijk kan worden afgedaan.
7.5.
Met inachtneming van het vorenstaande zal de rechtbank de behandeling van het verzoek aanhouden.
Dictum
8.1.
De kinderrechter:
8.2.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI aan met inachtneming van het hiervóór in 7.3 en 7.4 overwogene;
8.3.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 17 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.