Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-28
ECLI:NL:RBZWB:2025:3380
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,396 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer : 10795926 \ MB VERZ 23-1200
CJIB-nummer : 8062 5422 5163 8123
uitspraakdatum : 28 maart 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 28 maart 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 20 km per uur harder rijden dan mag op een (auto)weg buiten de bebouwde kom op de Burg Letschertweg te Tilburg op 13 augustus 2022 om 15:00 uur.
De gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete onterecht is opgelegd. De gemachtigde stelt dat de pleeglocatie onduidelijk is, waardoor de verdediging wordt bemoeilijk. Ook in het aanvullend proces-verbaal wordt niet duidelijk wat de exacte locatie van de snelheidsmeting was. Ook stelt de gemachtigde dat de meting op een verkeerde manier is uitgevoerd. De verbalisant heeft opgeschreven dat de meting gedurende 1200 meter is uitgevoerd. Volgens de gemachtigde was minstens 1490 meter nodig, maar was dit niet mogelijk op de door de verbalisant genoemde route. Daarnaast stelt de gemachtigde dat de meting is uitgevoerd met een dienstvoertuig zonder gekalibreerde boordsnelheidsmeter. Tot slot stelt de gemachtigde dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en schending van de hoorplicht waardoor de boete tweemaal met 25% gematigd dient te worden. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat hij verletkosten heeft moeten maken, welke worden geschat op € 214,88.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De zittingsvertegenwoordiger heeft een aanvullend proces-verbaal opgevraagd, waarin de verbalisant een toelichting geeft op de situatie ter plaatse, ingaat op het verweer van betrokkene en een kalibratietabel overlegd. Hier is echter geen reactie op gekomen. Nu de kalibratietabel ontbreekt in het dossier, terwijl deze is gebruikt bij het opleggen van de sanctie, kan de gedraging niet worden vastgesteld.
Overwegingen
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarbij is van belang dat het dossier onvoldoende duidelijkheid biedt. Daarom is de officier van justitie in de gelegenheid gesteld hierover een aanvullend proces-verbaal op te laten maken.
Nu er geen aanvullend proces-verbaal is gekomen, is de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd. Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
In artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is, voor zover hier van belang, bepaald dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu [gemachtigde] geen bewijs van scholing heeft overlegd en dus niet valt aan te merken als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, wordt het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Verletkosten
Subsidiair heeft [gemachtigde] verzocht om vergoeding van zijn verletkosten. In artikel 2, lid 1, onder e, Bpb is bepaald dat de verletkosten worden vastgesteld volgens een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 9,- en € 106,- per uur bedraagt. De kantonrechter stelt de verletkosten vast op 2,5 uur x € 85,- = € 212,50,-. De kantonrechter zal de officier van justitie in deze kosten veroordelen.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 201,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de verletkosten van betrokkene van € 212,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: