Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-17
ECLI:NL:RBZWB:2025:3202
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,969 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11163472 \ MB VERZ 24-788
CJIB-nummer: 6062 5422 5350 5616
uitspraakdatum: 17 februari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres 1]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 februari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: parkeren op parkeerplaats vergunninghouders (bord E9) zonder vergunning voor dat voertuig op [adres 2] op 24 september 2022 om 15:41 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete onterecht is opgelegd. Gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de bebording plaatselijk ontbreekt en dat betrokkene derhalve geen verwijt gemaakt kan worden. Gemachtigde verwijst naar bijgevoegde producties en stelt dat bij het inrijden via meerdere routes geen bord E9 waarneembaar is waaruit blijkt dat men een parkeergebied voor vergunninghouders inrijdt. Gelet op het feit dat betrokkene is binnen komen rijden via de Marksingel, heeft betrokkene nimmer het bord E9 kunnen waarnemen. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding.
Aanvullend heeft gemachtigde aangevoerd dat is gebleken dat in de omgeving van de vermeende pleegplaats de bebording langs de Ginnekenstraat niet duidelijk is ten aanzien van het begin van de vergunningszones. Dit heeft de rechtbank eerder ook geoordeeld in een andere zaak. Ook is de redelijke termijn overschreden.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De zittingsvertegenwoordiger heeft de andere zaak waar gemachtigde het over heeft teruggezocht. Daar was de pleeglocatie de Van Goolstraat, wat een andere straat is in een andere buurt. De reden dat het beroep toen gegrond werd verklaard, was omdat sprake was van een onduidelijke situatie. Bij die pleeglocatie was deels sprake van een locatie waar geparkeerd mag worden door vergunninghouders. Bij deze zaak gaat het om een andere situatie. De zittingsvertegenwoordiger is van mening dat niet duidelijk is aangegeven vanaf welke kant betrokkene de Marktsingel is ingereden. Wel zijn duidelijk de zoneborden aanwezig. Gelet hierop is het beroep inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, ziet de zittingsvertegenwoordiger aanleiding voor een matiging van 25%.
Overwegingen
Verzoek tot aanhouding
Gemachtigde heeft op 6 februari 2025 verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, aangezien hij verhinderd is en betrokkene graag in persoon bij zou willen staan.
De kantonrechter heeft laten weten niet op voorhand akkoord te gaan met het ingediende aanhoudingsverzoek. Daarbij is van belang dat onvoldoende is onderbouwd waarom de zaak is aangenomen, terwijl gemachtigde wist dat hij verhinderd was. Bovendien is niet gebleken waarom niemand anders de zaak op zich kon nemen.
Ter zitting heeft de kantonrechter het aanhoudingsverzoek afgewezen, omdat het onvoldoende is onderbouwd.
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene ontkent ook niet ter plaatse geparkeerd te hebben. In geschil is alleen of er deugdelijke bebording aanwezig was.
Het gaat hier om overtreding van een parkeerverbod in een zone voor vergunninghouders. Er wordt betwist dat betrokkene een bord E9 (parkeergelegenheid alleen voor vergunninghouders) is gepasseerd. Volgens vaste rechtspraak geldt voor gedragingen binnen zo’n zone dat slechts behoeft te worden vastgesteld dat deugdelijke bebording aanwezig was op de toegangsweg die de bestuurder heeft gevolgd. Daartoe moet de betrokkene aangeven welke route de bestuurder heeft gevolgd om de locatie van de gedraging te bereiken (zie ECLI:NL:GHARL:2020:1803, overweging 8).
Betrokkene heeft als route aangegeven vanaf de Marksingel te zijn aangekomen, maar niet duidelijk is hoe betrokkene de Marksingel is opgereden. De betreffende zone was destijds groter, zodat de borden ook wat verder weg stonden, op toegangswegen naar de Marksingel. Blijkens Google Maps waren destijds alle toegangswegen naar de Marksingel voorzien van deugdelijke bebording. Er stonden borden aan het begin van de Marksingel vanaf de Markendaalseweg en vanaf de Balfortstraat en aan het begin van de Nieuwe Ginnekenstraat vanaf de Wilhelminasingel. Ook stond er een bord op het Van Coothplein (bij restaurant Charelli). Het kan goed zijn dat betrokkene een bord over het hoofd heeft gezien. Dit komt echter voor eigen risico.
De boete is dus terecht opgelegd.
Overschrijding redelijke termijn
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 10 november 2022 en is de redelijke termijn dus met ongeveer vier maanden overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter, te weten 1 punt voor het beroepschrift x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 75,- plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 25,- dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier mr. K. Verdult, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2025.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: