Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-17
ECLI:NL:RBZWB:2025:3199
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,378 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11281867 \ MB VERZ 24-1145
CJIB-nummer: 1062 5422 5584 2648
uitspraakdatum: 17 februari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 februari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd op de Dreef te Breda op 10 februari 2023 om 13:28 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete onterecht is opgelegd. Hij stelt voldoende ruimte vrij te hebben gelaten om voetgangers langs het voertuig te laten lopen. Betrokkene kan soms moeilijk lopen en heeft hiervoor een invalidenparkeerkaart, maar deze had hij in dit geval niet gebruikt omdat er voldoende ruimte was voor voetgangers. De gedraging was van korte duur, omdat hij spullen in en uit moest laden voor zijn werk. Verder was er geen parkeergelegenheid en de invalidenparkeerplaats was te ver weg van deze locatie. Daarnaast gebeurt dit dagelijks, waarbij voertuigen zelfs een stuk op de weg gaan staan. Dit is volgens betrokkene wel gevaarlijk, omdat voetgangers hierdoor op straat moeten lopen. Betrokkene begrijpt dat hij in het vervolg anders zal moeten handelen.
Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat het een parkeerplaats is van het bedrijf waar hij werkt die zijn collega’s gebruiken en dat betrokkene in de veronderstelling was dat hij niemand kwaad deed. De collega’s waarvan de voertuigen geblokkeerd werden, konden betrokkene aanspreken. Uit noodzaak kon hij toen niet anders handelen.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De foto’s in het dossier zijn duidelijk. Hieruit blijkt dat als de geparkeerde voertuigen weg willen, zij geblokkeerd zijn door het voertuig van betrokkene, waardoor sprake is van hinder. Dat de geblokkeerde voertuigen van collega’s van betrokkene zijn, kon de verbalisant niet weten. Het voertuig van betrokkene stond wel deels op het trottoir. Gelet op de aangevoerde omstandigheden en dat de verbalisant niet heeft gewacht maar direct is overgegaan tot het uitschrijven van de boete, ziet de zittingsvertegenwoordiger aanleiding om de boete te matigen met de helft.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
Vaststaat, mede gelet op de foto’s in het dossier, dat door betrokkene hinder is veroorzaakt, omdat het trottoir gedeeltelijk was geblokkeerd en twee voertuigen niet weg konden rijden.
De boete is dus op zich terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat gebleken is dat de hinder minimaal is, nu de eigenaren van de twee gehinderde voertuigen collega’s van betrokkene zijn. Eveneens is de fysieke toestand van betrokkene van belang. Hij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in verband met zijn beperking dicht bij het bedrijf moest parkeren. De boete zal worden gematigd tot nihil.
Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot nihil;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 159,- dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier mr. K. Verdult, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2025.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: