Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-16
ECLI:NL:RBZWB:2025:3146
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
6,776 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11149086 \ CV EXPL 24-1870
Vonnis van 16 april 2025
in de zaak van
[eiseres]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. T.H.J. van Beek,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C.L.M. Gommers.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 september 2024
- de mondelinge behandeling van 11 februari 2025, waarbij spreekaantekeningen door [eiseres] zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiseres] en [gedaagde] hebben een relatie gehad van januari 2022 tot aan eind 2022 of begin 2023.
2.2.
[eiseres] heeft tweemaal geld verstrekt aan [gedaagde] .
2.3.
[eiseres] is eigenares van een Rolex polshorloge met het [serienummer] (hierna: de Rolex). [eiseres] en [gedaagde] zijn twee keer op vakantie gegaan naar Engeland. [eiseres] heeft tweemaal het horloge bij [gedaagde] gebracht zodat dit bij hem thuis bewaard kon worden.
2.4.
Tussen 21 februari 2023 en 25 februari 2025 vindt een WhatsApp conversatie tussen [eiseres] en [gedaagde] plaats, met daarin voor zover van belang:
[eiseres] :
Sorry dat ik t vraag maar iets van mijn horloge gehoord?
[gedaagde]
: Nee nog niet maar je weet als ik het hoor ben jij de 1e!!
[eiseres]
: Zit erop te wachten, dat begrijp je toch wel
[gedaagde]
: Zekers
[eiseres]
: 18.500 mis ik nu en heb t nodig
2.5.
Op 10 maart 2023 stuurt [eiseres] [gedaagde] per WhatsApp een bericht waarin zij aangeeft dat zij nog geen geld heeft ontvangen en vraagt wanneer het op haar rekening staat. [gedaagde] antwoordt daarop op 11 maart 2023:
Goedemorgen! Binnen 2 weken staat het erop! Ze hebben het ruim genomen! Dat kan dat altijd meevallen
2.6.
Op 3 april 2023 vindt een WhatsApp conversatie tussen [eiseres] en [gedaagde] plaats, met daarin voor zover van belang:
[eiseres] :
Goedemorgen en hoe gaat t?
[gedaagde] :
Kut!Ook tussendoor druk bezig om de Porsche en bike te verkopen om jou zosnel mogelijk terug te kunnen betalen!
Op 4 april 2023 gaat het gesprek, voor zover van belang, verder:
[eiseres]
: Wanneer gaat dat gebeuren
[eiseres] :
15000
[gedaagde] :
Hopelijk zo snel mogelijk en voor de laatste x ik heb jouw horloge niet!!
[gedaagde] :
Als jij het niet heb en ik niet dan verzekeringswerk? Dont worry je krijgt je geld echt wel!
2.7.
Op 13 oktober 2023 heeft de gemachtigde aan [gedaagde] een brief gestuurd waarin [gedaagde] wordt gesommeerd tot betaling van € 3.500,00 en teruggave van het horloge of, indien dat niet zou kunnen, betaling van € 15.000,00 binnen 14 dagen na ontvangst van de brief. Op 23 oktober 2023 heeft [gedaagde] per e-mail laten weten dat hij de brief heeft ontvangen.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis [gedaagde] te veroordelen tot:
I. betaling van € 3.500,00, te vermeerderen met wettelijke rente, primair vanaf 7 november 2023 en subsidiair vanaf 28 mei 2024;
II. primair: teruggave van de Rolex, binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag tot een maximum van € 15.000;
subsidiair: betaling van € 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, primair vanaf 7 november 2023 en subsidiair vanaf 28 mei 2024;
[eiseres] vordert ook dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld. [eiseres] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2.
[eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Ten aanzien van de eerste vordering, stelt zij dat sprake is van een geldleningsovereenkomst. [gedaagde] is op grond van deze overeenkomst verplicht om € 3.500,00 terug te betalen aan [eiseres] . Dat heeft [gedaagde] ten onrechte niet gedaan. Zij vordert daarom nakoming van deze betalingsverplichting.
Ten aanzien van de tweede vordering stelt [eiseres] dat zij de Rolex aan [gedaagde] heeft gegeven zodat [gedaagde] deze kon bewaren. [gedaagde] is op grond van al dan niet stilzwijgende afspraken verplicht om de Rolex terug te geven aan [eiseres] . Dat heeft [gedaagde] ten onrechte niet gedaan. Zij vordert daarom nakoming van deze teruggaveverplichting en subsidiair vergoeding van de waarde van het horloge.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
De geldlening
4.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiseres] aan [gedaagde] een bedrag heeft verstrekt. De discussie tussen partijen gaat over de vraag om welk bedrag het gaat, welke afspraken zij daarover hebben gemaakt (wel of niet terugbetalen) en of het bedrag is terugbetaald.
4.2.
[eiseres] stelt dat sprake is van een geldleningsovereenkomst. Zij voert daartoe aan dat zij [gedaagde] een bedrag van € 3.500,00 heeft verstrekt en hij heeft dit niet terugbetaald, terwijl dit wel was afgesproken. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst [eiseres] op een geluidsfragment (waarvan een transscriptie in de dagvaarding onder 7 is opgenomen):
[eiseres] : ‘Binnenkort krijg ik € 3.500,00’
[gedaagde] : ‘Ja, zeker weten, zeker weten. Dat heb ik tegen je gezegd, daar hoef je je geen zorgen om te maken.’
Ook wijst [eiseres] op WhatsApp correspondentie tussen partijen, waarin [gedaagde] aangeeft haar € 3.500,00 terug te zullen betalen.
4.3.
[gedaagde] betwist dat sprake is van een geldleningsovereenkomst. [gedaagde] voert aan dat hij € 3.000,00 van [eiseres] heeft ontvangen en dat hij niet verplicht was om dat geld aan [eiseres] terug te geven. [gedaagde] geeft aan dat hij weliswaar per WhatsApp en in een gesprek toezeggingen heeft gedaan om € 3.500,00 te betalen, maar dat dit niet aangemerkt moet worden als erkenning van het bestaan van een geldleningsovereenkomst en evenmin als een toezegging op grond waarvan hij gehouden is om dit bedrag aan [eiseres] te betalen. Hij heeft dit namelijk alleen gezegd cq. geschreven om [eiseres] rustig te houden en het spelletje maar meespeelde. Bovendien heeft hij – onverplicht – € 3.000,00 contant aan [eiseres] betaalt.
4.4.
Met de whatsappberichten en het opgenomen gesprek heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat zij in totaal € 3.500,00 heeft geleend aan [gedaagde] . Uit de berichten blijkt dat [gedaagde] instemmend reageert en ook zelf aangeeft dat hij de bedragen terug moet betalen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat aan zijn toezeggingen geen waarde kan worden gehecht, omdat [eiseres] op dat moment – toen de relatie ten einde was – in een zodanige toestand was dat wat zij stuurde niet waar was en hij – zo begrijpt de kantonrechter – met haar meepraatte en [gedaagde] ‘het spelletje mee wilde spelen’. [gedaagde] komt in de berichten echter geen moment terug op deze toezeggingen en hij onderbouwt zijn stelling ook verder niet. Voor zover [gedaagde] hiermee een beroep doet op het ontbreken van zijn wil, komt dat dus nergens uit naar voren. [eiseres] mocht aan de berichten de zin toekennen dat [gedaagde] die bedragen leende en zou terugbetalen. [gedaagde] moest dus € 3.500,00 terugbetalen.
4.5.
Daarmee ligt de vraag voor of [gedaagde] , zoals hij stelt, € 3.000,00 contant heeft terugbetaald aan [eiseres] . Het is aan [gedaagde] om aan te tonen dat hij deze betaling heeft gedaan. [gedaagde] heeft alleen in algemene bewoordingen desgevraagd aangegeven dat hij op enig moment (onbekend wanneer) het geld in een envelop bij [eiseres] thuis heeft gebracht. Hier zou verder niemand bij zijn geweest. [gedaagde] toont de betaling dus niet aan, terwijl dit, mede gelet op de betwisting van [eiseres] wel op zijn weg had gelegen. Dit betekent dat deze betaling niet is komen vast te staan.
4.6.
Het bovenstaande betekent dat de vordering tot betaling van € 3.500,00 wordt toegewezen. [gedaagde] moet ook de wettelijke rente over dit bedrag - als onweersproken - per 7 november 2023 betalen.
De Rolex
4.7.
[gedaagde] heeft verklaard dat hij de Rolex niet in bezit heeft. De primaire vordering tot teruggave van de Rolex kan daarom niet worden toegewezen. Het staat namelijk vast dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling kan voldoen.
4.8.
[gedaagde] stelt dat hij de Rolex meteen aan [eiseres] heeft teruggegeven nadat zij voor de tweede keer naar Engeland op vakantie zijn gegaan. Daarmee voert [gedaagde] een bevrijdend verweer, nu hij stelt dat hij heeft voldaan aan zijn verplichting om de Rolex terug te geven. Ook hier geldt dat het aan [gedaagde] is om aan te tonen dat hij het horloge heeft teruggegeven. [gedaagde] heeft alleen in algemene bewoordingen desgevraagd aangegeven dat [eiseres] het horloge weer mee naar huis heeft genomen, maar enige ondersteuning voor deze stelling ontbreekt. [gedaagde] toont de teruggave dus niet aan, terwijl dit, mede gelet op de betwisting van [eiseres] , wel op zijn weg had gelegen.
4.9.
Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de Rolex heeft teruggegeven aan [eiseres] , terwijl hij dat wel had moeten doen. Hieruit vloeit voort dat [gedaagde] de waarde van de Rolex moet vergoeden. Hij heeft die waarde niet betwist, waardoor de kantonrechter uitgaat van een waarde van € 15.000,00. [gedaagde] moet ook dit bedrag aan [eiseres] betalen. Dit deel van de vordering wordt dus ook toegewezen. Ook over dit bedrag moet [gedaagde] wettelijke rente betalen, zoals in de beslissing staat vermeld.
4.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
€
87,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
1.034,00
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 18.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 7 november 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.034,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11149086 \ CV EXPL 24-1870
Vonnis van 16 april 2025
in de zaak van
[eiseres]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. T.H.J. van Beek,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C.L.M. Gommers.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 september 2024
- de mondelinge behandeling van 11 februari 2025, waarbij spreekaantekeningen door [eiseres] zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiseres] en [gedaagde] hebben een relatie gehad van januari 2022 tot aan eind 2022 of begin 2023.
2.2.
[eiseres] heeft tweemaal geld verstrekt aan [gedaagde] .
2.3.
[eiseres] is eigenares van een Rolex polshorloge met het [serienummer] (hierna: de Rolex). [eiseres] en [gedaagde] zijn twee keer op vakantie gegaan naar Engeland. [eiseres] heeft tweemaal het horloge bij [gedaagde] gebracht zodat dit bij hem thuis bewaard kon worden.
2.4.
Tussen 21 februari 2023 en 25 februari 2025 vindt een WhatsApp conversatie tussen [eiseres] en [gedaagde] plaats, met daarin voor zover van belang:
[eiseres] :
Sorry dat ik t vraag maar iets van mijn horloge gehoord?
[gedaagde]
: Nee nog niet maar je weet als ik het hoor ben jij de 1e!!
[eiseres]
: Zit erop te wachten, dat begrijp je toch wel
[gedaagde]
: Zekers
[eiseres]
: 18.500 mis ik nu en heb t nodig
2.5.
Op 10 maart 2023 stuurt [eiseres] [gedaagde] per WhatsApp een bericht waarin zij aangeeft dat zij nog geen geld heeft ontvangen en vraagt wanneer het op haar rekening staat. [gedaagde] antwoordt daarop op 11 maart 2023:
Goedemorgen! Binnen 2 weken staat het erop! Ze hebben het ruim genomen! Dat kan dat altijd meevallen
2.6.
Op 3 april 2023 vindt een WhatsApp conversatie tussen [eiseres] en [gedaagde] plaats, met daarin voor zover van belang:
[eiseres] :
Goedemorgen en hoe gaat t?
[gedaagde] :
Kut!Ook tussendoor druk bezig om de Porsche en bike te verkopen om jou zosnel mogelijk terug te kunnen betalen!
Op 4 april 2023 gaat het gesprek, voor zover van belang, verder:
[eiseres]
: Wanneer gaat dat gebeuren
[eiseres] :
15000
[gedaagde] :
Hopelijk zo snel mogelijk en voor de laatste x ik heb jouw horloge niet!!
[gedaagde] :
Als jij het niet heb en ik niet dan verzekeringswerk? Dont worry je krijgt je geld echt wel!
2.7.
Op 13 oktober 2023 heeft de gemachtigde aan [gedaagde] een brief gestuurd waarin [gedaagde] wordt gesommeerd tot betaling van € 3.500,00 en teruggave van het horloge of, indien dat niet zou kunnen, betaling van € 15.000,00 binnen 14 dagen na ontvangst van de brief. Op 23 oktober 2023 heeft [gedaagde] per e-mail laten weten dat hij de brief heeft ontvangen.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis [gedaagde] te veroordelen tot:
I. betaling van € 3.500,00, te vermeerderen met wettelijke rente, primair vanaf 7 november 2023 en subsidiair vanaf 28 mei 2024;
II. primair: teruggave van de Rolex, binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag tot een maximum van € 15.000;
subsidiair: betaling van € 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, primair vanaf 7 november 2023 en subsidiair vanaf 28 mei 2024;
[eiseres] vordert ook dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld. [eiseres] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2.
[eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Ten aanzien van de eerste vordering, stelt zij dat sprake is van een geldleningsovereenkomst. [gedaagde] is op grond van deze overeenkomst verplicht om € 3.500,00 terug te betalen aan [eiseres] . Dat heeft [gedaagde] ten onrechte niet gedaan. Zij vordert daarom nakoming van deze betalingsverplichting.
Ten aanzien van de tweede vordering stelt [eiseres] dat zij de Rolex aan [gedaagde] heeft gegeven zodat [gedaagde] deze kon bewaren. [gedaagde] is op grond van al dan niet stilzwijgende afspraken verplicht om de Rolex terug te geven aan [eiseres] . Dat heeft [gedaagde] ten onrechte niet gedaan. Zij vordert daarom nakoming van deze teruggaveverplichting en subsidiair vergoeding van de waarde van het horloge.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
De geldlening
4.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiseres] aan [gedaagde] een bedrag heeft verstrekt. De discussie tussen partijen gaat over de vraag om welk bedrag het gaat, welke afspraken zij daarover hebben gemaakt (wel of niet terugbetalen) en of het bedrag is terugbetaald.
4.2.
[eiseres] stelt dat sprake is van een geldleningsovereenkomst. Zij voert daartoe aan dat zij [gedaagde] een bedrag van € 3.500,00 heeft verstrekt en hij heeft dit niet terugbetaald, terwijl dit wel was afgesproken. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst [eiseres] op een geluidsfragment (waarvan een transscriptie in de dagvaarding onder 7 is opgenomen):
[eiseres] : ‘Binnenkort krijg ik € 3.500,00’
[gedaagde] : ‘Ja, zeker weten, zeker weten. Dat heb ik tegen je gezegd, daar hoef je je geen zorgen om te maken.’
Ook wijst [eiseres] op WhatsApp correspondentie tussen partijen, waarin [gedaagde] aangeeft haar € 3.500,00 terug te zullen betalen.
4.3.
[gedaagde] betwist dat sprake is van een geldleningsovereenkomst. [gedaagde] voert aan dat hij € 3.000,00 van [eiseres] heeft ontvangen en dat hij niet verplicht was om dat geld aan [eiseres] terug te geven. [gedaagde] geeft aan dat hij weliswaar per WhatsApp en in een gesprek toezeggingen heeft gedaan om € 3.500,00 te betalen, maar dat dit niet aangemerkt moet worden als erkenning van het bestaan van een geldleningsovereenkomst en evenmin als een toezegging op grond waarvan hij gehouden is om dit bedrag aan [eiseres] te betalen. Hij heeft dit namelijk alleen gezegd cq. geschreven om [eiseres] rustig te houden en het spelletje maar meespeelde. Bovendien heeft hij – onverplicht – € 3.000,00 contant aan [eiseres] betaalt.
4.4.
Met de whatsappberichten en het opgenomen gesprek heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat zij in totaal € 3.500,00 heeft geleend aan [gedaagde] . Uit de berichten blijkt dat [gedaagde] instemmend reageert en ook zelf aangeeft dat hij de bedragen terug moet betalen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat aan zijn toezeggingen geen waarde kan worden gehecht, omdat [eiseres] op dat moment – toen de relatie ten einde was – in een zodanige toestand was dat wat zij stuurde niet waar was en hij – zo begrijpt de kantonrechter – met haar meepraatte en [gedaagde] ‘het spelletje mee wilde spelen’. [gedaagde] komt in de berichten echter geen moment terug op deze toezeggingen en hij onderbouwt zijn stelling ook verder niet. Voor zover [gedaagde] hiermee een beroep doet op het ontbreken van zijn wil, komt dat dus nergens uit naar voren. [eiseres] mocht aan de berichten de zin toekennen dat [gedaagde] die bedragen leende en zou terugbetalen. [gedaagde] moest dus € 3.500,00 terugbetalen.
4.5.
Daarmee ligt de vraag voor of [gedaagde] , zoals hij stelt, € 3.000,00 contant heeft terugbetaald aan [eiseres] . Het is aan [gedaagde] om aan te tonen dat hij deze betaling heeft gedaan. [gedaagde] heeft alleen in algemene bewoordingen desgevraagd aangegeven dat hij op enig moment (onbekend wanneer) het geld in een envelop bij [eiseres] thuis heeft gebracht. Hier zou verder niemand bij zijn geweest. [gedaagde] toont de betaling dus niet aan, terwijl dit, mede gelet op de betwisting van [eiseres] wel op zijn weg had gelegen. Dit betekent dat deze betaling niet is komen vast te staan.
4.6.
Het bovenstaande betekent dat de vordering tot betaling van € 3.500,00 wordt toegewezen. [gedaagde] moet ook de wettelijke rente over dit bedrag - als onweersproken - per 7 november 2023 betalen.
De Rolex
4.7.
[gedaagde] heeft verklaard dat hij de Rolex niet in bezit heeft. De primaire vordering tot teruggave van de Rolex kan daarom niet worden toegewezen. Het staat namelijk vast dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling kan voldoen.
4.8.
[gedaagde] stelt dat hij de Rolex meteen aan [eiseres] heeft teruggegeven nadat zij voor de tweede keer naar Engeland op vakantie zijn gegaan. Daarmee voert [gedaagde] een bevrijdend verweer, nu hij stelt dat hij heeft voldaan aan zijn verplichting om de Rolex terug te geven. Ook hier geldt dat het aan [gedaagde] is om aan te tonen dat hij het horloge heeft teruggegeven. [gedaagde] heeft alleen in algemene bewoordingen desgevraagd aangegeven dat [eiseres] het horloge weer mee naar huis heeft genomen, maar enige ondersteuning voor deze stelling ontbreekt. [gedaagde] toont de teruggave dus niet aan, terwijl dit, mede gelet op de betwisting van [eiseres] , wel op zijn weg had gelegen.
4.9.
Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de Rolex heeft teruggegeven aan [eiseres] , terwijl hij dat wel had moeten doen. Hieruit vloeit voort dat [gedaagde] de waarde van de Rolex moet vergoeden. Hij heeft die waarde niet betwist, waardoor de kantonrechter uitgaat van een waarde van € 15.000,00. [gedaagde] moet ook dit bedrag aan [eiseres] betalen. Dit deel van de vordering wordt dus ook toegewezen. Ook over dit bedrag moet [gedaagde] wettelijke rente betalen, zoals in de beslissing staat vermeld.
4.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
€
87,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
1.034,00
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 18.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 7 november 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.034,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.