Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-05-07
ECLI:NL:RBZWB:2025:3144
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,886 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11348454 \ CV EXPL 24-3502
Vonnis van 7 mei 2025
in de zaak van
1
[verhuurder 1],
te [plaats 1],2. [verhuurder 2],
te [plaats 1],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [verhuurders],
gemachtigde: mr. A.B. Robijn,
tegen
[huurder]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder],
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
[huurder] heeft een stacaravan gehuurd van [verhuurders] voor een huurprijs van € 500,00 per maand. In deze zaak beoordeelt de kantonrechter of [huurder] ten onrechte vier maanden de huur onbetaald heeft gelaten.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 november 2024
- de mondelinge behandeling van 8 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling waren [verhuurder 1] en mr. A.B. Robijn aanwezig. [huurder] was niet aanwezig.
Geschil
3.1.
[verhuurders] vordert dat [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van € 2.386,22 (€ 2.000,00 aan hoofdsom, € 86,22 aan wettelijke rente tot en met 11 september 2024 en € 300,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.000,00 vanaf 12 september 2024 tot aan de dag van voldoening. [verhuurders] vordert ook dat [huurder] in de proceskosten wordt veroordeeld. [verhuurders] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
3.2.
[verhuurders] baseert zijn vordering op de huurovereenkomst tussen partijen. Op grond van deze huurovereenkomst is [huurder] verplicht om maandelijks de huurprijs te voldoen. [huurder] heeft ten onrechte vier maanden onbetaald gelaten. [verhuurders] vordert dan ook nakoming van deze betalingsverplichting.
3.3.
[huurder] betwist dat er een huurachterstand bestaat van vier maanden. Daartoe voert zij aan dat er één maand huur is betaald door een vriend, die het contant in de brievenbus van [verhuurders] heeft gedaan omdat zij afwezig waren. Verder voert [huurder] aan dat partijen eind november/begin december mondeling hebben afgesproken dat eerst gewerkt zou worden aan de staat van de caravan voordat zij huur zou moeten betalen. Daar komt volgens [huurder] ook nog bij dat de caravan drie en een halve maand bewoond is geweest en dat daarom geen huurachterstand van vier maanden kan bestaan. Volgens [huurder] is de huurovereenkomst ingegaan op 19 oktober 2023 en is zij vertrokken op 9 februari 2024.
Beoordeling
De huurachterstand en wettelijke rente
4.1.
De kantonrechter neemt als uitgangspunt dat de huurovereenkomst is ingegaan op 15 oktober 2023 en dat [huurder] tussen 24 februari 2024 en 27 februari 2024 is vertrokken. Als begindatum wordt 15 oktober 2023 vastgesteld, omdat uit de WhatsApp-correspondentie blijkt dat telkens om betaling van de huur werd verzocht vanaf de 15e van de ene maand tot de 15e van de andere maand. [huurder] heeft hier niet tegen geprotesteerd. Als vertrekdatum wordt aangenomen dat dit tussen 24 februari en 27 februari 2024 is, omdat uit WhatsApp-correspondentie blijkt dat [huurder] op 24 februari 2024 in elk geval nog in de caravan verbleef. Verder heeft [verhuurders] tijdens de zitting onweersproken verklaard dat zij 27 februari 2024 bij de caravan zijn gaan kijken en [huurder] op dat moment vertrokken was zonder iets te melden. Gelet op deze vertrekdatum is [huurder] – redelijkerwijs – verplicht om de huur te betalen tot 15 maart 2024.
4.2.
De gevorderde huurtermijnen zien op de termijnen van 15 november 2023 – 15 december 2023, 15 december 2023 – 15 januari 2024, 15 januari 2024 – 15 februari 2024 en 15 februari 2024 – 15 maart 2024. [huurder] stelt dat zij eenmalig € 500,00 contant huur heeft betaald en zij voor de rest geen huur was verschuldigd op basis van mondelinge nadere afspraken. De kantonrechter gaat aan dit verweer voorbij, omdat deze stellingen door [verhuurders] gemotiveerd zijn betwist en door [huurder] niet zijn onderbouwd.
4.3.
De kantonrechter is daarom van oordeel dat sprake is van een huurachterstand van vier maanden. [huurder] is daarom de gevorderde hoofdsom en wettelijke rente verschuldigd.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.4.
[verhuurders] komt in aanmerking voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het wettelijke tarief. Daarom wordt € 300,00 toegewezen.
De proceskosten
4.5.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurders] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
136,72
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
894,72
4.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [huurder] om aan [verhuurders] te betalen een bedrag van € 2.386,22, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.000,00 vanaf 12 september 2024 tot aan de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 894,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2025.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11348454 \ CV EXPL 24-3502
Vonnis van 7 mei 2025
in de zaak van
1
[verhuurder 1],
te [plaats 1],2. [verhuurder 2],
te [plaats 1],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [verhuurders],
gemachtigde: mr. A.B. Robijn,
tegen
[huurder]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder],
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
[huurder] heeft een stacaravan gehuurd van [verhuurders] voor een huurprijs van € 500,00 per maand. In deze zaak beoordeelt de kantonrechter of [huurder] ten onrechte vier maanden de huur onbetaald heeft gelaten.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 november 2024
- de mondelinge behandeling van 8 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling waren [verhuurder 1] en mr. A.B. Robijn aanwezig. [huurder] was niet aanwezig.
Geschil
3.1.
[verhuurders] vordert dat [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van € 2.386,22 (€ 2.000,00 aan hoofdsom, € 86,22 aan wettelijke rente tot en met 11 september 2024 en € 300,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.000,00 vanaf 12 september 2024 tot aan de dag van voldoening. [verhuurders] vordert ook dat [huurder] in de proceskosten wordt veroordeeld. [verhuurders] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
3.2.
[verhuurders] baseert zijn vordering op de huurovereenkomst tussen partijen. Op grond van deze huurovereenkomst is [huurder] verplicht om maandelijks de huurprijs te voldoen. [huurder] heeft ten onrechte vier maanden onbetaald gelaten. [verhuurders] vordert dan ook nakoming van deze betalingsverplichting.
3.3.
[huurder] betwist dat er een huurachterstand bestaat van vier maanden. Daartoe voert zij aan dat er één maand huur is betaald door een vriend, die het contant in de brievenbus van [verhuurders] heeft gedaan omdat zij afwezig waren. Verder voert [huurder] aan dat partijen eind november/begin december mondeling hebben afgesproken dat eerst gewerkt zou worden aan de staat van de caravan voordat zij huur zou moeten betalen. Daar komt volgens [huurder] ook nog bij dat de caravan drie en een halve maand bewoond is geweest en dat daarom geen huurachterstand van vier maanden kan bestaan. Volgens [huurder] is de huurovereenkomst ingegaan op 19 oktober 2023 en is zij vertrokken op 9 februari 2024.
Beoordeling
De huurachterstand en wettelijke rente
4.1.
De kantonrechter neemt als uitgangspunt dat de huurovereenkomst is ingegaan op 15 oktober 2023 en dat [huurder] tussen 24 februari 2024 en 27 februari 2024 is vertrokken. Als begindatum wordt 15 oktober 2023 vastgesteld, omdat uit de WhatsApp-correspondentie blijkt dat telkens om betaling van de huur werd verzocht vanaf de 15e van de ene maand tot de 15e van de andere maand. [huurder] heeft hier niet tegen geprotesteerd. Als vertrekdatum wordt aangenomen dat dit tussen 24 februari en 27 februari 2024 is, omdat uit WhatsApp-correspondentie blijkt dat [huurder] op 24 februari 2024 in elk geval nog in de caravan verbleef. Verder heeft [verhuurders] tijdens de zitting onweersproken verklaard dat zij 27 februari 2024 bij de caravan zijn gaan kijken en [huurder] op dat moment vertrokken was zonder iets te melden. Gelet op deze vertrekdatum is [huurder] – redelijkerwijs – verplicht om de huur te betalen tot 15 maart 2024.
4.2.
De gevorderde huurtermijnen zien op de termijnen van 15 november 2023 – 15 december 2023, 15 december 2023 – 15 januari 2024, 15 januari 2024 – 15 februari 2024 en 15 februari 2024 – 15 maart 2024. [huurder] stelt dat zij eenmalig € 500,00 contant huur heeft betaald en zij voor de rest geen huur was verschuldigd op basis van mondelinge nadere afspraken. De kantonrechter gaat aan dit verweer voorbij, omdat deze stellingen door [verhuurders] gemotiveerd zijn betwist en door [huurder] niet zijn onderbouwd.
4.3.
De kantonrechter is daarom van oordeel dat sprake is van een huurachterstand van vier maanden. [huurder] is daarom de gevorderde hoofdsom en wettelijke rente verschuldigd.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.4.
[verhuurders] komt in aanmerking voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het wettelijke tarief. Daarom wordt € 300,00 toegewezen.
De proceskosten
4.5.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurders] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
136,72
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
894,72
4.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [huurder] om aan [verhuurders] te betalen een bedrag van € 2.386,22, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.000,00 vanaf 12 september 2024 tot aan de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 894,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2025.