Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-23
ECLI:NL:RBZWB:2025:314
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,277 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3779
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 12 januari 2024. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.
Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 12 januari 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 23 februari 2024.
4.1.
Belanghebbende heeft op 4 april 2024 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende redenen gegeven. Belanghebbende is allereerst van mening dat de communicatie met de overheid lastig is. Daarnaast is de communicatie per email onduidelijk omdat mails bijvoorbeeld in een spam inbox belanden. Belanghebbende heeft ook nog drie andere boetes ontvangen waartegen bezwaar is ingediend. Deze drie bezwaren zijn gegrond verklaard. Dat het bezwaar in deze zaak ongegrond werd verklaard was voor belanghebbende onverwacht.
5.1.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verzuim verschoonbaar is. Belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van zijn email en ook om na te gaan of er berichten in de spam inbox binnenkomen. Daarnaast heeft belanghebbende zelf de keuze gemaakt om zowel in bezwaar als in beroep digitaal te procederen. Ook als de ongegrondverklaring voor belanghebbende onverwacht was, biedt de beroepstermijn van zes weken voldoende de mogelijkheid om tijdig beroep in te stellen. Dit rechtvaardigt de termijnoverschrijding dus niet. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende.
Conclusie
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 23 januari 2025 door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.