Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-02
ECLI:NL:RBZWB:2025:3112
Strafrecht
Raadkamer
2,156 tokens
Dictum
[klager],
geboren op [datum] 1975 te [plaats] (Turkije),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda
(Duivelsbruglaan 22, 4835 JE Breda),
hierna te noemen: de klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 10 december 2024 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt op 20 november 2024 onder klager een Volkswagen Golf met [kenteken] in beslag is genomen (hierna: Volkswagen);
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 18 maart 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. S.B.C. Nicolaes, klager en mr. R.E. Drenth gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat klager eigenaar is van de Volkswagen en dat hij zich bezwaard voelt door voortduring van het beslag. Klager stelt geen wetenschap te hebben gehad van de inhoud van de in zijn taxi aangetroffen tas. Als taxichauffeur zou je graag willen controleren wat klanten bij zich dragen, maar dat kan niet. De tas was door een klant achtergelaten en klager had deze achterin de Volkswagen gelegd. Er wordt wel vaker een tas achtergelaten die dan een paar dagen later alsnog door de eigenaar wordt opgehaald. Klager had de tas bij de startkabels gelegd, zodat deze tijdens het rijden niet zou verschuiven. Er was geen sprake van een verborgen ruimte. De Volkswagen vertegenwoordigt een aanzienlijke waarde (bijna 50.000 euro). Klager heeft de Volkswagen van zijn spaargeld gekocht en heeft deze nodig voor zijn werk als taxichauffeur. Klager wordt door de voortdurende inbeslagneming buitenproportioneel getroffen, ook omdat hij kostwinner is en alle inkomsten op dit moment stilvallen. Dit zal grote gevolgen hebben voor klager en zijn gezin (met kinderen). Op basis van deze omstandigheden meent klager dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een latere strafrechter de (bijkomende straf van) verbeurdverklaring van de Volkswagen zal uitspreken.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond verklaart dient te worden. Zij begrijpt dat de Volkswagen een grote waarde vertegenwoordigt en dat klager financieel wordt getroffen bij voortduring van het beslag. Er is echter een grote hoeveelheid verdovende middelen in de Volkswagen aangetroffen en klager heeft ervoor gekozen om de tas in de Volkswagen te laten liggen. De officier van justitie acht het hoogst onwaarschijnlijk dat iemand zomaar ruim drie kilo heroïne met een straatwaarde van bijna 100.000 euro achterlaat. Gelet op de straffen die doorgaans voor het vervoeren van deze hoeveelheden harddrugs worden opgelegd is verbeurdverklaring van de Volkswagen als bijkomende straf niet hoogst onwaarschijnlijk.
Klager heeft in raadkamer aangevoerd dat hij is aangesloten bij een taxicentrale, maar ook zelf opdrachten aanneemt. Hij heeft de achtergelaten tas in de kofferbak gelegd en heeft verder niet in de tas gekeken. Daarna is hij vergeten dat de tas nog in de kofferbak lag en heeft deze dus niet naar de taxicentrale of de gemeente gebracht. Hij heeft in ieder geval niets met de drugs te maken.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Op 20 november 2024 is naar aanleiding van een ANPR-hit op de Volkswagen van klager in verband met ondermijnende criminaliteit de Volkswagen doorzocht en is in de kofferbak een tas met drie kilo heroïne aangetroffen. Klager heeft bij de politie en in raadkamer ontkend dat hij iets met de harddrugs te maken heeft. Volgens klager heeft een klant de tas in zijn taxi achtergelaten en heeft klager de tas - zonder daarin te kijken - (in een apart vak) in de kofferbak gelegd en is hij de tas daarna vergeten. In beginsel is de eigenaar en bestuurder van een auto - ook strafrechtelijk - verantwoordelijk voor de zich daarin bevindende goederen, tenzij aannemelijk is dat hij daar niets van wist en/of niet de beschikkingsmacht over die goederen had. De rechtbank acht het niet op voorhand aannemelijk dat iemand een tas met harddrugs met een straatwaarde van ongeveer 100.000 euro in een taxi achterlaat zonder zich daarna te melden en evenmin dat klager niet in de tas heeft gekeken, vooral niet toen de eigenaar van de tas zich - volgens de verklaring van verdachte - na enkele dagen nog niet had gemeld. Dat verdachte de tas in een apart compartiment in de kofferbak zou hebben gezet maakt het niet zonder meer begrijpelijk dat verdachte de vondst van de tas niet heeft gemeld bij de taxicentrale of de gemeente of politie. Gelet op deze omstandigheden - uitgaande van de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het klaagschrift en met inachtneming van het summiere karakter van de raadkamer - acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de Volkswagen zal uitspreken.
De raadsman heeft in raadkamer aangevoerd dat voortduring van het beslag disproportioneel is, gelet op de aanzienlijke waarde die de Volkswagen vertegenwoordigt. Bovendien kan klager als kostwinner van het gezin nu geen inkomsten genereren. Met uitzondering van de gezinssamenstelling van klager zijn de aangevoerde omstandigheden op geen enkele wijze met objectieve stukken onderbouwd, zodat niet zonder meer van die omstandigheden kan worden uitgegaan. Zo ontbreken bijvoorbeeld stukken waaruit valt af te leiden dat klager als zelfstandig taxichauffeur werkzaam is, hoeveel ritten hij doorgaans per dag of week rijdt en wat hij daarmee verdient. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat voortduring van het beslag niet disproportioneel is.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.C.A.M Los rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 april 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).