Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-07
ECLI:NL:RBZWB:2025:3101
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
13,528 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/427438 / FA RK 24-4686
datum uitspraak: 7 februari 2025
beschikking over vervangende toestemming voor verhuizing
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. E.M.A. Leijser in Tilburg,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
ingeschreven op een adres in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. J.C. Hissink in Tilburg,
over de minderjarige:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2021, hierna: [minderjarige 1] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt gezien:
- de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd in Amsterdam.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 4 oktober 2024 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 23 oktober 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen F9-formulier met bijlagen;
- het op 2 januari 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige 1] .
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 14 januari 2025. Bij die behandeling zijn gekomen partijen met hun advocaten. Ook waren er een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig.
Feiten
2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige 1] geboren.
De vrouw heeft nog twee kinderen uit andere relaties, [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011 en [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016.
2.2
De man heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] .
2.3
Bij beschikking van 8 februari 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 februari 2024 tot 8 februari 2025.
De kinderrechter heeft in die beschikking het volgende overwogen.
“Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] gelegen in haar taal- en spraakontwikkeling, maar daarnaast ook in haar spel-, sociale en hechtingsontwikkeling. De ontwikkelingsproblematiek van [minderjarige 1] dient inzichtelijk gemaakt te worden en vervolgens dient de benodigde hulpverlening te worden ingezet. De ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Er is sprake van pedagogische onmacht bij ouders. Het is ouders niet gelukt om ondanks de hulp van verschillende instanties tegemoet te komen aan de opvoedingsbehoeften van [minderjarige 1] , het bieden van veiligheid, stabiliteit, zekerheid en een sensitieve en responsieve opvoeding. De moeder staat wisselend of beperkt open voor noodzakelijke vrijwillige hulpverlening, waardoor onvoldoende zicht is gekomen op het gezin en zorgen zijn blijven bestaan. De moeder wordt beperkt door persoonlijke factoren op het gebied van inzicht, impulsiviteit, leermogelijkheden en draagkracht. Er dient ook zicht te komen op het functioneren van de vader. Er bestaan zorgen over zijn cognitief functioneren. Er is sprake van complexe meervoudige problematiek, omdat er ook zorgen bestaan over de andere kinderen in het samengesteld gezin.”
2.4
Uit de brief van de GI van 6 september 2024 blijkt het volgende. [minderjarige 1] woont de ene week vier dagen bij de ene ouder en drie dagen bij de andere ouder. Iedere week draait dit vervolgens om, met een overdracht op woensdag en op zaterdag of zondag rond 13.00 uur. Iedere dag om 18.30 uur is er een belafspraak met [minderjarige 1] . Dit geldt voor beide ouders. De man zal bij zijn zus Cynthia verblijven als [minderjarige 1] bij hem is. Zij en haar man helpen mee met de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] . De vrouw accepteert ambulante gezinsondersteuning zodra deze kan starten. De peuterspeelzaal voor [minderjarige 1] moet doorgaan. Verder zijn er afspraken gemaakt om te zorgen dat partijen zich vrij en veilig voelen. Daarbij is afgesproken dat [woonplaats 1] de basis is voor [minderjarige 1] . De vrouw mag met [minderjarige 1] naar haar familie in [plaats 1] , als [minderjarige 1] geen afspraken heeft in [woonplaats 1] .
3Het verzoek
3.1
De vrouw verzoekt om haar, ter vervanging van de instemming van de man, toestemming te verlenen om binnen twee maanden, dan wel binnen een door de rechtbank vast te stellen termijn, met [minderjarige 1] te verhuizen naar de gemeente Almere .
4De standpunten
4.1
De vrouw baseert het verzoek op het volgende. Volgens de vrouw is zij afkomstig uit [plaats 1] en bevindt haar gehele netwerk zich in [plaats 1] . Zij is voor de relatie met de man naar [woonplaats 1] verhuisd. De vrouw voelt zich als gevolg van het handelen van de familie van de man niet meer veilig in [woonplaats 1] . De familie van de man heeft tijdens twee overdrachtsmomenten geweld gebruikt tegen de familie van de vrouw in het bijzijn van [minderjarige 1] . De vrouw is angstig en bang als gevolg van het handelen van de familie van de man. Zij voelt zich in de gaten gehouden door de familie van de man. De vrouw wil in alle rust en met de noodzakelijke veiligheid een nieuwe start maken in de gemeente waarin zij haar steunend netwerk heeft. De vrouw heeft vaker aangegeven dat zij niet kon aarden in [woonplaats 1] en dat zij terug wil keren naar [plaats 1] . De vrouw heeft de voorgenomen verhuizing zorgvuldig voorbereid. De vrouw ziet in dat haar verhuizing ingrijpende gevolgen heeft voor de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Zij probeert deze minder ingrijpend te maken, door zich actief richting de GI op te stellen. Volgens de vrouw zijn partijen in staat om met elkaar te overleggen, maar zorgt de invloed van derden voor escalaties. De vrouw geeft aan dat medio oktober 2024 de gezinsbegeleiding zal starten. De man wordt volledig ondersteund door zijn familie in de zorg voor [minderjarige 1] . De resultaten van de gezinsbegeleiding moet duidelijk maken wat voor [minderjarige 1] de meest wenselijke verdeling is. Tijdens de mondelinge behandeling is daar door en namens de vrouw het volgende nog aan toegevoegd. [minderjarige 2] is inmiddels geplaatst in een gezinshuis te [plaats 2]. De vrouw verwacht dat [minderjarige 2] op termijn weer bij haar (in [plaats 1] ) zal gaan wonen. Op de dagen dat [minderjarige 1] bij de man is, verblijft de vrouw met [minderjarige 3] bij haar moeder in [plaats 1] . [minderjarige 3] gaat inmiddels in [plaats 1] naar de basisschool. De huidige contactregeling wordt door de vrouw nagekomen. Ook werkt de vrouw mee met de hulpverleners die bij haar gezin betrokken zijn. De vrouw had na het verbreken van de relatie met de man, het voornemen om in [woonplaats 1] te blijven wonen. Om die reden is zij in de gemeenschappelijke woning blijven wonen en is de man vertrokken naar zijn zus. De vrouw beschikt nog steeds over deze woning. De vrouw voelt zich door toedoen van de familie van de man niet meer veilig in [woonplaats 1] . Volgens de vrouw is zij – als de familie van de man zich er niet mee bemoeit – goed in staat om met de man te overleggen over [minderjarige 1] . Op het moment dat er beslissingen over [minderjarige 1] genomen moeten worden, overleggen partijen via de GI met elkaar. De vrouw geeft nog aan dat de vader van [minderjarige 3] – vanwege haar veiligheid – niet instemt met een terugkeer van [minderjarige 3] naar [woonplaats 1] . Als er geen incidenten met de familie van de man zouden zijn geweest, zou de vrouw in [woonplaats 1] blijven wonen. Nu woont de vrouw de helft van de tijd bij haar moeder in [plaats 1] . De vrouw is opgegroeid in [plaats 1] en heeft daar 30 jaar gewoond. [minderjarige 1] is in [woonplaats 1] geboren. De vrouw ziet geen verbetering in de verstandhouding met de familie van de man. Op het moment dat [minderjarige 1] naar de basisschool zal gaan, zal de verdeling tussen partijen anders georganiseerd moeten worden. [minderjarige 1] zal dan alleen in de weekenden naar de man kunnen gaan. De vrouw verwacht dat partijen daarover zelf nieuwe afspraken kunnen maken. Er is op dit moment nog geen concreet plan voor opgesteld. Wel vindt de vrouw dat er begeleiding moet zijn, op het moment dat [minderjarige 1] bij de man is. De vrouw heeft nog geen plan gemaakt voor het geval dat haar verzoek afgewezen wordt.
4.2
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit af te wijzen. Volgens de man is de vrouw getroebleerd met haar familie en heeft zij pas sinds kort weer contact met haar moeder. [minderjarige 2] is onder toezicht gesteld en verblijft in een gezinshuis te [plaats 2]. Ook [minderjarige 3] is onder toezicht gesteld. Volgens de man is de vrouw eerder uit [plaats 1] vertrokken, omdat zij zich daar niet veilig voelde. De vrouw lijkt steeds te willen verhuizen, als het haar “te heet onder de voeten wordt”. De vrouw heeft een patroon waarbij zij vlucht en zich aan elk toezicht, behandeling en begeleiding onttrekt. Er is geen zicht op het leven van de vrouw.
Beoordeling
5.1
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat als ouders, die samen het gezag hebben over een kind, het niet eens kunnen worden over een beslissing over het kind, zij de rechtbank kunnen vragen die beslissing te nemen. De rechter moet dan een beslissing nemen die zij het meest in het belang van het kind vindt. Dat betekent niet dat de rechter alleen maar rekening houdt met het belang van het kind. De rechter moet alle omstandigheden mee laten wegen en dat kan betekenen dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind (Hoge Raad, 25 april 2008, LJN: BC5901).
5.2
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 1] . Dit betekent dat de
vrouw toestemming van de man nodig heeft om samen met [minderjarige 1] naar [plaats 1] te mogen verhuizen. De man heeft aan de vrouw geen toestemming verleend om naar [plaats 1] te verhuizen. Op grond van het hiervoor genoemde artikel 1:253a lid 1 BW kunnen ouders geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, zoals het onderhavig geschil, aan de rechtbank voorleggen. Zoals hiervoor aangegeven neemt de rechtbank een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, maar moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen en kan dat er toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind. In de beschikking van 25 april 2008 (LJN: BC5901) heeft de Hoge Raad bepaald dat de rechter bij zijn beslissing over een kwestie zo als de onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen. In de rechtspraak zijn criteria ontwikkeld aan de hand waarvan een verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing kan worden beoordeeld.
Deze criteria zijn:
- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van
de verhuizing van de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op contact met elkaar in een
vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de
verhuizing;
- de leeftijd van de minderjarige, zijn omgeving en de mate waarin de minderjarige
geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing;
- het belang van de ouder die wil verhuizen om elders een toekomst op te bouwen;
- het belang van de andere ouder om op een zelfde manier voor de minderjarige te kunnen zorgen.
5.3
De vrouw heeft het recht om te kiezen waar zij woont en om een nieuw leven op te bouwen. Omdat zij met de man een kind heeft, moet ze bij haar beslissing ook rekening houden met hun belangen. Dat betekent dat de vrijheid van de vrouw om keuzes te maken, kan worden beperkt. In dit geval hebben de man en de vrouw samen het gezag over [minderjarige 1] . Er is een co-ouderschapsregeling waarbij [minderjarige 1] haar tijd tussen partijen deelt. Als de vrouw verhuist naar [plaats 1] , dan is die regeling op het moment dat [minderjarige 1] naar de basisschool zal gaan, niet meer uit te voeren. Het contact tussen de man en [minderjarige 1] zal dan dus minder vaak kunnen plaatsvinden. Om dat contact te beschermen, kan de vrijheid van de vrouw om te kiezen voor een verhuizing worden beperkt. Daarnaast kan ook het belang van [minderjarige 1] zelf om tenminste voorlopig in [woonplaats 1] haar hoofdverblijf te houden zwaarwegender zijn dan het belang van de vrouw om te verhuizen.
5.4
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling blijkt het volgende. De vrouw heeft aangegeven dat zij steeds de intentie heeft gehad om met [minderjarige 1] in [woonplaats 1] te blijven wonen. Zij is om die reden in de gemeenschappelijke woning blijven wonen. De wens om te verhuizen naar [plaats 1] , is ontstaan door het incident dat tussen partijen en hun families heeft plaatsgevonden. De vrouw voelt zich hierdoor niet meer veilig in [woonplaats 1] . Er zijn na dat incident geen ernstige voorvallen meer geweest. Voorstelbaar is dat het incident op de vrouw een grote impact heeft gehad, maar een enkel incident leidt niet tot een situatie van structurele onveiligheid. Een incident kan zich immers ook in [plaats 1] voordoen. De families van beide partijen reageren enigszins impulsief op elkaar. Dit moet worden opgelost door het maken van goede afspraken en door er voor te zorgen dat de families niet aanwezig zijn bij de overdracht van [minderjarige 1] . Dit kan in het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en in de lopende hulpverleningstrajecten verder besproken worden. Het incident op zich leidt derhalve niet tot een noodzaak tot verhuizen. De vrouw heeft inmiddels, mede door het incident, de wens ontwikkeld om naar [plaats 1] te verhuizen. Haar belang daarbij ligt in haar behoefte om in de nabijheid van haar familie te wonen. Zij ervaart daar de steun van haar moeder bij wie zij nu ook al zo veel als mogelijk verblijft.
5.5
De rechtbank is van oordeel dat een verhuizing van [minderjarige 1] naar [plaats 1] op dit moment een grote impact op haar leven heeft. Het leven van [minderjarige 1] lag tot voor kort volledig in [woonplaats 1] . Het is voor haar belangrijk dat zij, te meer nu zij kampt met achterstanden in haar ontwikkeling, extra dagen naar de peuterspeelzaal kan gaan. De GI heeft de voor [minderjarige 1] en partijen noodzakelijke hulpverleningstrajecten op orde gebracht en deze zijn recent gestart. Ook is er een regeling van co-ouderschap gestart, waarbij er nog onderzoek wordt gedaan naar beide opvoedsituaties. Een verhuizing onder de huidige omstandigheden zal er toe gaan leiden dat de opvoedsituaties van de vrouw en de man niet volwaardig naast elkaar beoordeeld kunnen worden. Ook ontstaat de dreiging van een crisis in de ouderrelatie. Partijen zijn voor de onderlinge communicatie afhankelijk van de GI. Dat zal minder effectief kunnen werken wanneer de vrouw met [minderjarige 1] in [plaats 1] gaat wonen. De communicatie zal verder onder druk komen te staan. Het wordt, gegeven hoe deze ouders functioneren, dan lastiger om te overleggen over de beslissingen die er voor [minderjarige 1] genomen moeten worden. Ouders hebben ook ondersteuning in de opvoeding van [minderjarige 1] nodig. Er is geen zicht op de situatie van de vrouw bij haar moeder, die nog maar kort geleden het onderlinge contact hersteld hebben. Het is dan ook nog te vroeg om te kunnen vast stellen dat [minderjarige 1] naar [plaats 1] zou kunnen verhuizen. Bovendien zou met een verhuizing van [minderjarige 1] naar [plaats 1] , die nu plaats vindt, ook al vast komen te staan dat de thans lopende co-ouderschapsregeling zal eindigen op het moment dat [minderjarige 1] de vierjarige leeftijd bereikt. De man wordt daarmede in zijn contactmogelijkheden in de nabije toekomst beperkt. Ook in dat licht bezien is het verzoek van de vrouw prematuur, nu het ouderschapsonderzoek nog dient uit te wijzen wat voor zorg- en opvoedregeling voor [minderjarige 1] en haar ouders de meest passende zal zijn, alle omstandigheden daarbij in aanmerking nemende.
5.6
De vrouw stelt verder dat dat [minderjarige 3] inmiddels in [plaats 1] naar school gaat en dat de vader van [minderjarige 3] niet instemt met een terugkeer naar [woonplaats 1] . De verandering van school voor [minderjarige 3] is, vooruitlopend op andere ontwikkelingen, door de vrouw zelf gecreëerd en vormt geen doorslaggevende reden om nu met [minderjarige 1] naar [plaats 1] te mogen verhuizen.
5.7
De vrouw heeft de gevolgen van de verhuizing voor [minderjarige 1] niet goeddoordacht.
Dictum
De rechtbank
wijst af het verzoek van de vrouw om haar toestemming te geven te verhuizen;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, mr. Van Leuven en mr. Jurkovich, allen kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2025 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/427438 / FA RK 24-4686
datum uitspraak: 7 februari 2025
beschikking over vervangende toestemming voor verhuizing
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. E.M.A. Leijser in Tilburg,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
ingeschreven op een adres in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. J.C. Hissink in Tilburg,
over de minderjarige:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2021, hierna: [minderjarige 1] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt gezien:
- de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd in Amsterdam.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 4 oktober 2024 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 23 oktober 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen F9-formulier met bijlagen;
- het op 2 januari 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige 1] .
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 14 januari 2025. Bij die behandeling zijn gekomen partijen met hun advocaten. Ook waren er een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig.
Feiten
2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige 1] geboren.
De vrouw heeft nog twee kinderen uit andere relaties, [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011 en [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016.
2.2
De man heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] .
2.3
Bij beschikking van 8 februari 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 februari 2024 tot 8 februari 2025.
De kinderrechter heeft in die beschikking het volgende overwogen.
“Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] gelegen in haar taal- en spraakontwikkeling, maar daarnaast ook in haar spel-, sociale en hechtingsontwikkeling. De ontwikkelingsproblematiek van [minderjarige 1] dient inzichtelijk gemaakt te worden en vervolgens dient de benodigde hulpverlening te worden ingezet. De ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Er is sprake van pedagogische onmacht bij ouders. Het is ouders niet gelukt om ondanks de hulp van verschillende instanties tegemoet te komen aan de opvoedingsbehoeften van [minderjarige 1] , het bieden van veiligheid, stabiliteit, zekerheid en een sensitieve en responsieve opvoeding. De moeder staat wisselend of beperkt open voor noodzakelijke vrijwillige hulpverlening, waardoor onvoldoende zicht is gekomen op het gezin en zorgen zijn blijven bestaan. De moeder wordt beperkt door persoonlijke factoren op het gebied van inzicht, impulsiviteit, leermogelijkheden en draagkracht. Er dient ook zicht te komen op het functioneren van de vader. Er bestaan zorgen over zijn cognitief functioneren. Er is sprake van complexe meervoudige problematiek, omdat er ook zorgen bestaan over de andere kinderen in het samengesteld gezin.”
2.4
Uit de brief van de GI van 6 september 2024 blijkt het volgende. [minderjarige 1] woont de ene week vier dagen bij de ene ouder en drie dagen bij de andere ouder. Iedere week draait dit vervolgens om, met een overdracht op woensdag en op zaterdag of zondag rond 13.00 uur. Iedere dag om 18.30 uur is er een belafspraak met [minderjarige 1] . Dit geldt voor beide ouders. De man zal bij zijn zus Cynthia verblijven als [minderjarige 1] bij hem is. Zij en haar man helpen mee met de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] . De vrouw accepteert ambulante gezinsondersteuning zodra deze kan starten. De peuterspeelzaal voor [minderjarige 1] moet doorgaan. Verder zijn er afspraken gemaakt om te zorgen dat partijen zich vrij en veilig voelen. Daarbij is afgesproken dat [woonplaats 1] de basis is voor [minderjarige 1] . De vrouw mag met [minderjarige 1] naar haar familie in [plaats 1] , als [minderjarige 1] geen afspraken heeft in [woonplaats 1] .
3Het verzoek
3.1
De vrouw verzoekt om haar, ter vervanging van de instemming van de man, toestemming te verlenen om binnen twee maanden, dan wel binnen een door de rechtbank vast te stellen termijn, met [minderjarige 1] te verhuizen naar de gemeente Almere .
4De standpunten
4.1
De vrouw baseert het verzoek op het volgende. Volgens de vrouw is zij afkomstig uit [plaats 1] en bevindt haar gehele netwerk zich in [plaats 1] . Zij is voor de relatie met de man naar [woonplaats 1] verhuisd. De vrouw voelt zich als gevolg van het handelen van de familie van de man niet meer veilig in [woonplaats 1] . De familie van de man heeft tijdens twee overdrachtsmomenten geweld gebruikt tegen de familie van de vrouw in het bijzijn van [minderjarige 1] . De vrouw is angstig en bang als gevolg van het handelen van de familie van de man. Zij voelt zich in de gaten gehouden door de familie van de man. De vrouw wil in alle rust en met de noodzakelijke veiligheid een nieuwe start maken in de gemeente waarin zij haar steunend netwerk heeft. De vrouw heeft vaker aangegeven dat zij niet kon aarden in [woonplaats 1] en dat zij terug wil keren naar [plaats 1] . De vrouw heeft de voorgenomen verhuizing zorgvuldig voorbereid. De vrouw ziet in dat haar verhuizing ingrijpende gevolgen heeft voor de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Zij probeert deze minder ingrijpend te maken, door zich actief richting de GI op te stellen. Volgens de vrouw zijn partijen in staat om met elkaar te overleggen, maar zorgt de invloed van derden voor escalaties. De vrouw geeft aan dat medio oktober 2024 de gezinsbegeleiding zal starten. De man wordt volledig ondersteund door zijn familie in de zorg voor [minderjarige 1] . De resultaten van de gezinsbegeleiding moet duidelijk maken wat voor [minderjarige 1] de meest wenselijke verdeling is. Tijdens de mondelinge behandeling is daar door en namens de vrouw het volgende nog aan toegevoegd. [minderjarige 2] is inmiddels geplaatst in een gezinshuis te [plaats 2]. De vrouw verwacht dat [minderjarige 2] op termijn weer bij haar (in [plaats 1] ) zal gaan wonen. Op de dagen dat [minderjarige 1] bij de man is, verblijft de vrouw met [minderjarige 3] bij haar moeder in [plaats 1] . [minderjarige 3] gaat inmiddels in [plaats 1] naar de basisschool. De huidige contactregeling wordt door de vrouw nagekomen. Ook werkt de vrouw mee met de hulpverleners die bij haar gezin betrokken zijn. De vrouw had na het verbreken van de relatie met de man, het voornemen om in [woonplaats 1] te blijven wonen. Om die reden is zij in de gemeenschappelijke woning blijven wonen en is de man vertrokken naar zijn zus. De vrouw beschikt nog steeds over deze woning. De vrouw voelt zich door toedoen van de familie van de man niet meer veilig in [woonplaats 1] . Volgens de vrouw is zij – als de familie van de man zich er niet mee bemoeit – goed in staat om met de man te overleggen over [minderjarige 1] . Op het moment dat er beslissingen over [minderjarige 1] genomen moeten worden, overleggen partijen via de GI met elkaar. De vrouw geeft nog aan dat de vader van [minderjarige 3] – vanwege haar veiligheid – niet instemt met een terugkeer van [minderjarige 3] naar [woonplaats 1] . Als er geen incidenten met de familie van de man zouden zijn geweest, zou de vrouw in [woonplaats 1] blijven wonen. Nu woont de vrouw de helft van de tijd bij haar moeder in [plaats 1] . De vrouw is opgegroeid in [plaats 1] en heeft daar 30 jaar gewoond. [minderjarige 1] is in [woonplaats 1] geboren. De vrouw ziet geen verbetering in de verstandhouding met de familie van de man. Op het moment dat [minderjarige 1] naar de basisschool zal gaan, zal de verdeling tussen partijen anders georganiseerd moeten worden. [minderjarige 1] zal dan alleen in de weekenden naar de man kunnen gaan. De vrouw verwacht dat partijen daarover zelf nieuwe afspraken kunnen maken. Er is op dit moment nog geen concreet plan voor opgesteld. Wel vindt de vrouw dat er begeleiding moet zijn, op het moment dat [minderjarige 1] bij de man is. De vrouw heeft nog geen plan gemaakt voor het geval dat haar verzoek afgewezen wordt.
4.2
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit af te wijzen. Volgens de man is de vrouw getroebleerd met haar familie en heeft zij pas sinds kort weer contact met haar moeder. [minderjarige 2] is onder toezicht gesteld en verblijft in een gezinshuis te [plaats 2]. Ook [minderjarige 3] is onder toezicht gesteld. Volgens de man is de vrouw eerder uit [plaats 1] vertrokken, omdat zij zich daar niet veilig voelde. De vrouw lijkt steeds te willen verhuizen, als het haar “te heet onder de voeten wordt”. De vrouw heeft een patroon waarbij zij vlucht en zich aan elk toezicht, behandeling en begeleiding onttrekt. Er is geen zicht op het leven van de vrouw.
Beoordeling
5.1
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat als ouders, die samen het gezag hebben over een kind, het niet eens kunnen worden over een beslissing over het kind, zij de rechtbank kunnen vragen die beslissing te nemen. De rechter moet dan een beslissing nemen die zij het meest in het belang van het kind vindt. Dat betekent niet dat de rechter alleen maar rekening houdt met het belang van het kind. De rechter moet alle omstandigheden mee laten wegen en dat kan betekenen dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind (Hoge Raad, 25 april 2008, LJN: BC5901).
5.2
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 1] . Dit betekent dat de
vrouw toestemming van de man nodig heeft om samen met [minderjarige 1] naar [plaats 1] te mogen verhuizen. De man heeft aan de vrouw geen toestemming verleend om naar [plaats 1] te verhuizen. Op grond van het hiervoor genoemde artikel 1:253a lid 1 BW kunnen ouders geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, zoals het onderhavig geschil, aan de rechtbank voorleggen. Zoals hiervoor aangegeven neemt de rechtbank een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, maar moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen en kan dat er toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind. In de beschikking van 25 april 2008 (LJN: BC5901) heeft de Hoge Raad bepaald dat de rechter bij zijn beslissing over een kwestie zo als de onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen. In de rechtspraak zijn criteria ontwikkeld aan de hand waarvan een verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing kan worden beoordeeld.
Deze criteria zijn:
- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van
de verhuizing van de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op contact met elkaar in een
vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de
verhuizing;
- de leeftijd van de minderjarige, zijn omgeving en de mate waarin de minderjarige
geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing;
- het belang van de ouder die wil verhuizen om elders een toekomst op te bouwen;
- het belang van de andere ouder om op een zelfde manier voor de minderjarige te kunnen zorgen.
5.3
De vrouw heeft het recht om te kiezen waar zij woont en om een nieuw leven op te bouwen. Omdat zij met de man een kind heeft, moet ze bij haar beslissing ook rekening houden met hun belangen. Dat betekent dat de vrijheid van de vrouw om keuzes te maken, kan worden beperkt. In dit geval hebben de man en de vrouw samen het gezag over [minderjarige 1] . Er is een co-ouderschapsregeling waarbij [minderjarige 1] haar tijd tussen partijen deelt. Als de vrouw verhuist naar [plaats 1] , dan is die regeling op het moment dat [minderjarige 1] naar de basisschool zal gaan, niet meer uit te voeren. Het contact tussen de man en [minderjarige 1] zal dan dus minder vaak kunnen plaatsvinden. Om dat contact te beschermen, kan de vrijheid van de vrouw om te kiezen voor een verhuizing worden beperkt. Daarnaast kan ook het belang van [minderjarige 1] zelf om tenminste voorlopig in [woonplaats 1] haar hoofdverblijf te houden zwaarwegender zijn dan het belang van de vrouw om te verhuizen.
5.4
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling blijkt het volgende. De vrouw heeft aangegeven dat zij steeds de intentie heeft gehad om met [minderjarige 1] in [woonplaats 1] te blijven wonen. Zij is om die reden in de gemeenschappelijke woning blijven wonen. De wens om te verhuizen naar [plaats 1] , is ontstaan door het incident dat tussen partijen en hun families heeft plaatsgevonden. De vrouw voelt zich hierdoor niet meer veilig in [woonplaats 1] . Er zijn na dat incident geen ernstige voorvallen meer geweest. Voorstelbaar is dat het incident op de vrouw een grote impact heeft gehad, maar een enkel incident leidt niet tot een situatie van structurele onveiligheid. Een incident kan zich immers ook in [plaats 1] voordoen. De families van beide partijen reageren enigszins impulsief op elkaar. Dit moet worden opgelost door het maken van goede afspraken en door er voor te zorgen dat de families niet aanwezig zijn bij de overdracht van [minderjarige 1] . Dit kan in het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en in de lopende hulpverleningstrajecten verder besproken worden. Het incident op zich leidt derhalve niet tot een noodzaak tot verhuizen. De vrouw heeft inmiddels, mede door het incident, de wens ontwikkeld om naar [plaats 1] te verhuizen. Haar belang daarbij ligt in haar behoefte om in de nabijheid van haar familie te wonen. Zij ervaart daar de steun van haar moeder bij wie zij nu ook al zo veel als mogelijk verblijft.
5.5
De rechtbank is van oordeel dat een verhuizing van [minderjarige 1] naar [plaats 1] op dit moment een grote impact op haar leven heeft. Het leven van [minderjarige 1] lag tot voor kort volledig in [woonplaats 1] . Het is voor haar belangrijk dat zij, te meer nu zij kampt met achterstanden in haar ontwikkeling, extra dagen naar de peuterspeelzaal kan gaan. De GI heeft de voor [minderjarige 1] en partijen noodzakelijke hulpverleningstrajecten op orde gebracht en deze zijn recent gestart. Ook is er een regeling van co-ouderschap gestart, waarbij er nog onderzoek wordt gedaan naar beide opvoedsituaties. Een verhuizing onder de huidige omstandigheden zal er toe gaan leiden dat de opvoedsituaties van de vrouw en de man niet volwaardig naast elkaar beoordeeld kunnen worden. Ook ontstaat de dreiging van een crisis in de ouderrelatie. Partijen zijn voor de onderlinge communicatie afhankelijk van de GI. Dat zal minder effectief kunnen werken wanneer de vrouw met [minderjarige 1] in [plaats 1] gaat wonen. De communicatie zal verder onder druk komen te staan. Het wordt, gegeven hoe deze ouders functioneren, dan lastiger om te overleggen over de beslissingen die er voor [minderjarige 1] genomen moeten worden. Ouders hebben ook ondersteuning in de opvoeding van [minderjarige 1] nodig. Er is geen zicht op de situatie van de vrouw bij haar moeder, die nog maar kort geleden het onderlinge contact hersteld hebben. Het is dan ook nog te vroeg om te kunnen vast stellen dat [minderjarige 1] naar [plaats 1] zou kunnen verhuizen. Bovendien zou met een verhuizing van [minderjarige 1] naar [plaats 1] , die nu plaats vindt, ook al vast komen te staan dat de thans lopende co-ouderschapsregeling zal eindigen op het moment dat [minderjarige 1] de vierjarige leeftijd bereikt. De man wordt daarmede in zijn contactmogelijkheden in de nabije toekomst beperkt. Ook in dat licht bezien is het verzoek van de vrouw prematuur, nu het ouderschapsonderzoek nog dient uit te wijzen wat voor zorg- en opvoedregeling voor [minderjarige 1] en haar ouders de meest passende zal zijn, alle omstandigheden daarbij in aanmerking nemende.
5.6
De vrouw stelt verder dat dat [minderjarige 3] inmiddels in [plaats 1] naar school gaat en dat de vader van [minderjarige 3] niet instemt met een terugkeer naar [woonplaats 1] . De verandering van school voor [minderjarige 3] is, vooruitlopend op andere ontwikkelingen, door de vrouw zelf gecreëerd en vormt geen doorslaggevende reden om nu met [minderjarige 1] naar [plaats 1] te mogen verhuizen.
5.7
De vrouw heeft de gevolgen van de verhuizing voor [minderjarige 1] niet goeddoordacht.
Dictum
De rechtbank
wijst af het verzoek van de vrouw om haar toestemming te geven te verhuizen;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, mr. Van Leuven en mr. Jurkovich, allen kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2025 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Feiten
Vanuit [hulpverlening] is te kennen gegeven dat de vrouw niet de nodige begeleiding en ondersteuning geboden kan worden, omdat zij feitelijk niet in [woonplaats 1] verblijft. Ook de man heeft het idee dat de vrouw, vooruitlopend op de beslissing van de rechtbank, al in [plaats 1] woont. Inmiddels is Groei Jeugdhulp vanuit De Gezinsmanager betrokken. De man heeft op 17 januari 2025 het eerste gesprek bij Groei Jeugdhulp. Vervolgens zal er een observatie plaatsvinden van de interactie tussen de man en [minderjarige 1] . Het is de man niet duidelijk waar en bij wie de vrouw verblijft, als zij in [plaats 1] is. Tegen de afspraken in heeft de vrouw de opvang door de peuterspeelzaal opgezegd. Op de dagen dat [minderjarige 1] bij de vrouw is, wordt zij volgens de man onvoldoende verzorgd en gaat zij niet naar de peuterspeelzaal. [minderjarige 1] heeft een ontwikkelingsachterstand en loopt achter in spraak- en taalontwikkeling. De man heeft ervoor gezorgd dat [minderjarige 1] door een logopedist wordt begeleid. Voor [minderjarige 1] is een bijtketting gekocht, omdat zij anders op alles bijt, vooral op haar vingers. Het consultatiebureau ziet dat de zorg en aandacht die [minderjarige 1] bij de man krijgt, haar goed doen. Juist [minderjarige 1] heeft volgens de man baat bij een vast ritme, structuur en duidelijkheid, wat de vrouw haar niet kan geven. Volgens de man zijn er geen perikelen meer rondom de relatiebreuk. Ook betwist de man dat zijn familie de confrontatie zou zoeken met de vrouw. De man geeft aan dat de vrouw niet voor hem naar [woonplaats 1] is verhuisd, maar vanwege de verstoorde verstandhouding met haar familie. De vrouw stelt dat zij in [woonplaats 1] geen netwerk heeft, maar dat heeft zij volgens de man ook niet in [plaats 1] of elders. De vrouw heeft niet onderbouwd dat zij de voorgenomen verhuizing zorgvuldig heeft voorbereid. Een verhuizing naar [plaats 1] zorgt er bovendien voor dat de huidige verdeling in de zorg- en opvoedingstaken niet meer kan worden uitgevoerd. Volgens de man valt er niet te communiceren met de vrouw. De man stelt dat er ernstige zorgen bestaan omtrent de wijze waarop de vrouw invulling geeft aan de ouderlijke verantwoordelijkheid en zorgtaken. De man heeft eerder al een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] ter sprake gebracht, waarbij plaatsing in zijn netwerk het meest voor de hand zou liggen. De man vreest dat hij, net als de vaders van de andere kinderen van de vrouw, uiteindelijk uit het leven van [minderjarige 1] zal worden geweerd. Volgens de man is een verhuizing naar [plaats 1] in strijd met het belang van [minderjarige 1] . De man geeft verder nog aan dat het incident waar de vrouw aan refereert aan haarzelf te wijten is geweest. De dag ervoor zijn er in het bijzijn van de politie afspraken gemaakt over [minderjarige 1] . De vrouw kwam deze afspraken echter niet na. De man stelt dat partijen alleen via de GI met elkaar kunnen overleggen. De man wil niet dat de vrouw naar [plaats 1] verhuist, omdat [minderjarige 1] dan veel minder contact met hem en zijn familie kan hebben.
4.3
De GI brengt naar voren dat [minderjarige 1] tussen partijen in staat en dat zij een loyaliteitsconflict aan het ontwikkelen is. Om die reden is er een zorgregeling afgesproken waarbij [minderjarige 1] de helft van de tijd bij elk van partijen is. De communicatie over [minderjarige 1] verloopt via de GI omdat elke vorm van communicatie tussen partijen uitloopt op conflicten. De minste of geringste aanpassing in de zorgregeling leidt meteen tot veel strijd tussen partijen en hun families. De GI probeert om [minderjarige 1] uit de strijd te houden, maar het is maar de vraag in hoeverre dat lukt. De peuterspeelzaal heeft veel zorgen over [minderjarige 1] . Zo is er sprake van een achterstand in spraak en taal, en ook haar gedrag is een punt van zorg. Waar zij eerst nog een kleine opmars had in haar gedrag wordt nu gezien dat zij een terugval heeft. Dit wordt mogelijk veroorzaakt door de spanningen tussen partijen Het zou het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] beter zijn als zij extra dagen naar de peuterspeelzaal kan gaan maar ook dat lukt nu niet omdat de moeder met haar in [plaats 1] verblijft. Voor [minderjarige 1] is nodig dat zij duidelijkheid krijgt over waar zij de komende jaren zal wonen. Daarnaast moet er een vorm gevonden worden waarin partijen met elkaar kunnen communiceren zonder dat [minderjarige 1] daar last van heeft, moet een definitieve zorgregeling worden afgesproken en moet een keuze worden gemaakt voor een basisschool. De GI heeft er, gelet op geen vertrouwen in dat partijen hierover zelf afspraken kunnen maken. Daarom heeft de GI bij de rechtbank een verzoek ingediend om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen. Ook moet er nog ouderschapsbemiddeling voor partijen worden ingezet. Daarvoor is nodig dat duidelijk is bij welke gemeente dat aangevraagd moet worden. Ook voor de inschrijving van [minderjarige 1] op een school is nodig dat duidelijk is waar zij gaat wonen. Het gezinsonderzoek is inmiddels gestart. Door dit onderzoek kan er zicht worden verkregen op de opvoedcapaciteiten van partijen. De vrouw wordt nu in de zorg voor [minderjarige 1] ondersteund door haar moeder. De man heeft hierin de steun van zijn zus. Er zijn al jaren zorgen om het gezin en om de opvoedcapaciteiten van partijen. Het is belangrijk dat er een goed actueel beeld komt.
4.4
De Raad adviseert om het verzoek van de vrouw af te wijzen. Als de vrouw met [minderjarige 1] naar [plaats 1] verhuist, dan is het risico groot dat het contact tussen [minderjarige 1] en de man flink beperkt wordt. Het voornemen om te gaan verhuizen lijkt een impulsieve en ondoordachte actie. Volgens de Raad moet nog maar blijken of partijen samen het ouderschap kunnen uitvoeren. Er is sprake van een zeer slechte oudercommunicatie. Als de vrouw op afstand gaat wonen, zal de oudercommunicatie nog verder verstoord raken. Ook is het lastig om hulpverlening voor [minderjarige 1] in te zetten, als partijen ver uit elkaar wonen. De hulpverleningstrajecten aan [minderjarige 1] en partijen zijn inmiddels opgestart en lopen nu. Bij een verhuizing zullen partijen opnieuw aangemeld moeten worden voor soortgelijke trajecten, waar doorgaans flinke wachtlijsten voor zijn. [minderjarige 1] kampt met een achterstand in haar ontwikkeling. Voor haar is het ook belangrijk dat zij een deel van de tijd bij de man kan zijn. Als [minderjarige 1] op afstand van de man gaat wonen, is het voor hem lastig om bij [minderjarige 1] aan te sluiten als zij specifieke zorg nodig heeft. De Raad acht het dan ook niet in het belang van [minderjarige 1] om met de vrouw mee te verhuizen naar [plaats 1] . Ook vindt de Raad het zorgelijk dat [minderjarige 1] niet op extra dagen naar de peuterspeelzaal gaat. Dat zou voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en het inhalen van haar achterstand heel helpend zijn.
4.5
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
Feiten
Vanuit [hulpverlening] is te kennen gegeven dat de vrouw niet de nodige begeleiding en ondersteuning geboden kan worden, omdat zij feitelijk niet in [woonplaats 1] verblijft. Ook de man heeft het idee dat de vrouw, vooruitlopend op de beslissing van de rechtbank, al in [plaats 1] woont. Inmiddels is Groei Jeugdhulp vanuit De Gezinsmanager betrokken. De man heeft op 17 januari 2025 het eerste gesprek bij Groei Jeugdhulp. Vervolgens zal er een observatie plaatsvinden van de interactie tussen de man en [minderjarige 1] . Het is de man niet duidelijk waar en bij wie de vrouw verblijft, als zij in [plaats 1] is. Tegen de afspraken in heeft de vrouw de opvang door de peuterspeelzaal opgezegd. Op de dagen dat [minderjarige 1] bij de vrouw is, wordt zij volgens de man onvoldoende verzorgd en gaat zij niet naar de peuterspeelzaal. [minderjarige 1] heeft een ontwikkelingsachterstand en loopt achter in spraak- en taalontwikkeling. De man heeft ervoor gezorgd dat [minderjarige 1] door een logopedist wordt begeleid. Voor [minderjarige 1] is een bijtketting gekocht, omdat zij anders op alles bijt, vooral op haar vingers. Het consultatiebureau ziet dat de zorg en aandacht die [minderjarige 1] bij de man krijgt, haar goed doen. Juist [minderjarige 1] heeft volgens de man baat bij een vast ritme, structuur en duidelijkheid, wat de vrouw haar niet kan geven. Volgens de man zijn er geen perikelen meer rondom de relatiebreuk. Ook betwist de man dat zijn familie de confrontatie zou zoeken met de vrouw. De man geeft aan dat de vrouw niet voor hem naar [woonplaats 1] is verhuisd, maar vanwege de verstoorde verstandhouding met haar familie. De vrouw stelt dat zij in [woonplaats 1] geen netwerk heeft, maar dat heeft zij volgens de man ook niet in [plaats 1] of elders. De vrouw heeft niet onderbouwd dat zij de voorgenomen verhuizing zorgvuldig heeft voorbereid. Een verhuizing naar [plaats 1] zorgt er bovendien voor dat de huidige verdeling in de zorg- en opvoedingstaken niet meer kan worden uitgevoerd. Volgens de man valt er niet te communiceren met de vrouw. De man stelt dat er ernstige zorgen bestaan omtrent de wijze waarop de vrouw invulling geeft aan de ouderlijke verantwoordelijkheid en zorgtaken. De man heeft eerder al een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] ter sprake gebracht, waarbij plaatsing in zijn netwerk het meest voor de hand zou liggen. De man vreest dat hij, net als de vaders van de andere kinderen van de vrouw, uiteindelijk uit het leven van [minderjarige 1] zal worden geweerd. Volgens de man is een verhuizing naar [plaats 1] in strijd met het belang van [minderjarige 1] . De man geeft verder nog aan dat het incident waar de vrouw aan refereert aan haarzelf te wijten is geweest. De dag ervoor zijn er in het bijzijn van de politie afspraken gemaakt over [minderjarige 1] . De vrouw kwam deze afspraken echter niet na. De man stelt dat partijen alleen via de GI met elkaar kunnen overleggen. De man wil niet dat de vrouw naar [plaats 1] verhuist, omdat [minderjarige 1] dan veel minder contact met hem en zijn familie kan hebben.
4.3
De GI brengt naar voren dat [minderjarige 1] tussen partijen in staat en dat zij een loyaliteitsconflict aan het ontwikkelen is. Om die reden is er een zorgregeling afgesproken waarbij [minderjarige 1] de helft van de tijd bij elk van partijen is. De communicatie over [minderjarige 1] verloopt via de GI omdat elke vorm van communicatie tussen partijen uitloopt op conflicten. De minste of geringste aanpassing in de zorgregeling leidt meteen tot veel strijd tussen partijen en hun families. De GI probeert om [minderjarige 1] uit de strijd te houden, maar het is maar de vraag in hoeverre dat lukt. De peuterspeelzaal heeft veel zorgen over [minderjarige 1] . Zo is er sprake van een achterstand in spraak en taal, en ook haar gedrag is een punt van zorg. Waar zij eerst nog een kleine opmars had in haar gedrag wordt nu gezien dat zij een terugval heeft. Dit wordt mogelijk veroorzaakt door de spanningen tussen partijen Het zou het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] beter zijn als zij extra dagen naar de peuterspeelzaal kan gaan maar ook dat lukt nu niet omdat de moeder met haar in [plaats 1] verblijft. Voor [minderjarige 1] is nodig dat zij duidelijkheid krijgt over waar zij de komende jaren zal wonen. Daarnaast moet er een vorm gevonden worden waarin partijen met elkaar kunnen communiceren zonder dat [minderjarige 1] daar last van heeft, moet een definitieve zorgregeling worden afgesproken en moet een keuze worden gemaakt voor een basisschool. De GI heeft er, gelet op geen vertrouwen in dat partijen hierover zelf afspraken kunnen maken. Daarom heeft de GI bij de rechtbank een verzoek ingediend om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen. Ook moet er nog ouderschapsbemiddeling voor partijen worden ingezet. Daarvoor is nodig dat duidelijk is bij welke gemeente dat aangevraagd moet worden. Ook voor de inschrijving van [minderjarige 1] op een school is nodig dat duidelijk is waar zij gaat wonen. Het gezinsonderzoek is inmiddels gestart. Door dit onderzoek kan er zicht worden verkregen op de opvoedcapaciteiten van partijen. De vrouw wordt nu in de zorg voor [minderjarige 1] ondersteund door haar moeder. De man heeft hierin de steun van zijn zus. Er zijn al jaren zorgen om het gezin en om de opvoedcapaciteiten van partijen. Het is belangrijk dat er een goed actueel beeld komt.
4.4
De Raad adviseert om het verzoek van de vrouw af te wijzen. Als de vrouw met [minderjarige 1] naar [plaats 1] verhuist, dan is het risico groot dat het contact tussen [minderjarige 1] en de man flink beperkt wordt. Het voornemen om te gaan verhuizen lijkt een impulsieve en ondoordachte actie. Volgens de Raad moet nog maar blijken of partijen samen het ouderschap kunnen uitvoeren. Er is sprake van een zeer slechte oudercommunicatie. Als de vrouw op afstand gaat wonen, zal de oudercommunicatie nog verder verstoord raken. Ook is het lastig om hulpverlening voor [minderjarige 1] in te zetten, als partijen ver uit elkaar wonen. De hulpverleningstrajecten aan [minderjarige 1] en partijen zijn inmiddels opgestart en lopen nu. Bij een verhuizing zullen partijen opnieuw aangemeld moeten worden voor soortgelijke trajecten, waar doorgaans flinke wachtlijsten voor zijn. [minderjarige 1] kampt met een achterstand in haar ontwikkeling. Voor haar is het ook belangrijk dat zij een deel van de tijd bij de man kan zijn. Als [minderjarige 1] op afstand van de man gaat wonen, is het voor hem lastig om bij [minderjarige 1] aan te sluiten als zij specifieke zorg nodig heeft. De Raad acht het dan ook niet in het belang van [minderjarige 1] om met de vrouw mee te verhuizen naar [plaats 1] . Ook vindt de Raad het zorgelijk dat [minderjarige 1] niet op extra dagen naar de peuterspeelzaal gaat. Dat zou voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en het inhalen van haar achterstand heel helpend zijn.
4.5
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.