Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-24
ECLI:NL:RBZWB:2025:3099
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
6,392 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/404938 / FA RK 23-19
datum uitspraak: 24 januari 2025
beschikking betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de vrouw]
, hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. A.M.P.M. Adank te Utrecht,
tegen
[de man] , hierna te noemen: de man,
In BRP ingeschreven op een adres in [plaats 1] ,
feitelijk verblijvende op een adres in [plaats 2] ,
advocaat mr. B. van Riel te Breda,
betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013;
[minderjarige 2]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda ,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
gecertificeerde instelling hierna te noemen: de GI.
1Het procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 7 april 2023 en de daarin genoemde stukken;
- de op 21 juni 2023 van de Raad ontvangen rapportage;
- het op 9 november 2023 van [begeleiding] ontvangen evaluatieverslag;
- het op 9 november 2023 van het zorgloket ontvangen e-mailbericht met bijlage;
- de op 29 april 2024 van het zorgloket ontvangen terugmelding;
- het op 29 april 2024 van de Raad ontvangen e-mailbericht;
- het op 30 april 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen e-mailbericht met bijlage;
- het op 25 juni 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen e-mailbericht;
- de op 1 juli en 2 september 2024 van de Raad ontvangen brieven;
- het op 3 december 2024 van de Raad ontvangen rapportage, houdende een verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen.
1.2
De verzoeken zijn besproken op de mondelinge behandeling van 20 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een medewerkster namens de Raad en twee medewerksters namens de GI.
1.3
De voortgezette mondelinge behandeling van het verzoek heeft, gelet op de nauwe samenhang tussen deze verzoeken, gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van het verzoek van de Raad, strekkende tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen. In dat kader is tevens aanwezig geweest een vertegenwoordigster van GI. Dit verzoek is geregistreerd onder het zaaknummer C/02/429641 / JE RK 24-2211. Op dit verzoek zal bij aparte beschikking worden beslist.
2De nadere beoordeling
2.1
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek van de vrouw om een verdeling in de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen.
2.2
Bij beschikking van 7 april 2023 heeft de rechtbank – onder meer – de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
De Raad is gevraagd daarover te rapporteren en te adviseren.
2.3
Bij vonnis van 9 november 2023 is bepaald dat de moeder en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig recht hebben op contact met elkaar:
- iedere dinsdagmiddag vanaf omstreeks 14.25 uur tot woensdagavond 18.30 uur. De vrouw haalt de minderjarigen op van school en zet ze woensdag ’s avonds af bij de voetbaltraining.
- iedere vrijdagmiddag vanaf omstreeks 14.45 uur tot 19.30 uur. De vrouw haalt de minderjarigen van school en brengt ze ’s avonds terug naar de man.
De voorzieningenrechter heeft aan de nakoming van deze contactregeling een dwangsom van € 250,00 verbonden. Tevens zijn partijen in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost voor een (jeugd)hulptraject.
2.4
De Raad heeft het onderzoek op 5 september 2024, naar aanleiding van een negatieve terugmelding van het UHA-traject, uitgebreid naar een beschermingsonderzoek.
2.5
De vader heeft de voorlopige contactregeling niet volledig uitgevoerd. In het weekend van 9 november 2024 heeft zich in de thuissituatie van de vader een escalatie voorgedaan tussen de vader en zijn partner, waarbij de politie heeft moeten interveniëren. De minderjarigen wonen sindsdien weer fulltime bij de moeder. De vader heeft aangegeven dat hij de minderjarigen voorlopig bij de moeder zal laten.
2.6
De ouders voeren onderling een contactregeling uit, waarbij de man meerdere keren per week contact heeft met de minderjarigen.
2.7
Uit de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt het volgende. De minderjarigen zijn al langere tijd getuige van conflictsituaties en spanningen tussen partijen. Partijen maken zich zorgen over elkaars opvoedsituatie. De vrouw maakt zich zorgen over de ruzies tussen de man en zijn partner. De man maakt zich zorgen om het mogelijk alcohol- en drugsgebruik bij de vrouw en opa aan moeders zijde. De partijen hebben de wens dat de communicatie tussen beiden verbetert en dat er zicht komt op de opvoedsituatie van de ander. De Raad heeft geen zicht kunnen krijgen op de opvoedsituaties van partijen. De minderjarigen wonen inmiddels weer bij de vrouw en de man ziet de minderjarigen hier ongeveer dagelijks. Er moet volgens de Raad rust komen voor de minderjarigen. Daarvoor is nodig dat er duidelijkheid komt over de opvoedsituaties van de partijen. Daarnaast moet de opvoedsituatie van de minderjarigen stabiel worden. De minderjarigen moeten duidelijkheid krijgen over waar zij wonen en wanneer zij de andere ouder zien. Er moeten verder duidelijke afspraken komen, zodat er sprake is van gelijkwaardig ouderschap. Ook is van belang dat er zicht komt op de gevoelens en de gedragingen van de man. Er ligt een verwijzing voor de man bij [hulpverlening] , die hem kunnen helpen bij zijn opvliegendheid, PTSS en de relatieproblematiek. Na onderzoek zal er voor de man behandeling moeten worden ingezet. Volgens de Raad is de situatie tussen de partijen zodanig complex, dat het noodzakelijk is dat er in een gedwongen kader regie wordt gevoerd. Het vrijwillig kader is onvoldoende toereikend gebleken om de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen af te wenden. Gezien de aard van de problematiek is een ondertoezichtstelling voor de duur van 12 maanden noodzakelijk. De Raad adviseert om de vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan te houden voor de duur van negen maanden. In die periode kan er onder regie van de GI gekeken worden naar een duurzame contactregeling. Daarnaast moet er zicht komen op hoe de samenwerking tussen partijen verbeterd kan worden, of het de man lukt om aan te sluiten bij de hulpverlening (door hulpverlening voor zijn persoonlijke problematiek aan te gaan) en of partijen vertrouwen kunnen krijgen in elkaars opvoedsituatie. De GI kan vervolgens de rechtbank adviseren ten aanzien van de vaststelling van een definitieve contactregeling.
Beoordeling
3.1
De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.2
Bij beschikking van 24 januari 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van 12 maanden.
In dat kader zal er gewerkt moeten worden aan het bereiken van de volgende doelen:
- het verkrijgen van zicht op de minderjarigen;
- het creëren van rust en stabiliteit in de opvoedsituatie van de minderjarigen;
- het verkrijgen van duidelijkheid over de opvoedsituaties van de ouders;
- het maken van duidelijke afspraken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zodat er sprake is van gelijkwaardig ouderschap;
- het verkrijgen van zicht op de gevoelens en gedragingen van de man.
Gelet op het voorgaande, waarbij de inzet van de GI ook ziet op het onderzoeken van en het begeleiden naar het vaststellen van een definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen, ziet de rechtbank aanleiding om de onderhavige procedure op dit punt af te sluiten. Er is immers nog geen duidelijkheid over wat de problematiek van de minderjarigen is, welke vormen van hulpverlening zij nodig hebben en welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het meest past bij de stabiele opvoedsituatie van de minderjarigen. Dat maakt dat de rechtbank zal beslissen dat de man en de minderjarigen recht hebben op contact met elkaar onder regie van de GI. Daarbij wordt de GI in overweging gegeven dat er rekening gehouden moet worden met het gegeven dat de man de minderjarigen nu een paar keer per week ziet en dat deze regeling tot op heden rustig verloopt en de minderjarigen de man graag zien, zodat zij zien dat het goed met hem gaat.
3.3
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
Dictum
De rechtbank
bepaalt dat de man en
[minderjarige 1] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015;
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar, waarbij de regie over de frequentie, duur en locatie bij de GI komt te liggen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2025 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda .
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/404938 / FA RK 23-19
datum uitspraak: 24 januari 2025
beschikking betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de vrouw]
, hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. A.M.P.M. Adank te Utrecht,
tegen
[de man] , hierna te noemen: de man,
In BRP ingeschreven op een adres in [plaats 1] ,
feitelijk verblijvende op een adres in [plaats 2] ,
advocaat mr. B. van Riel te Breda,
betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013;
[minderjarige 2]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda ,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
gecertificeerde instelling hierna te noemen: de GI.
1Het procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 7 april 2023 en de daarin genoemde stukken;
- de op 21 juni 2023 van de Raad ontvangen rapportage;
- het op 9 november 2023 van [begeleiding] ontvangen evaluatieverslag;
- het op 9 november 2023 van het zorgloket ontvangen e-mailbericht met bijlage;
- de op 29 april 2024 van het zorgloket ontvangen terugmelding;
- het op 29 april 2024 van de Raad ontvangen e-mailbericht;
- het op 30 april 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen e-mailbericht met bijlage;
- het op 25 juni 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen e-mailbericht;
- de op 1 juli en 2 september 2024 van de Raad ontvangen brieven;
- het op 3 december 2024 van de Raad ontvangen rapportage, houdende een verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen.
1.2
De verzoeken zijn besproken op de mondelinge behandeling van 20 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een medewerkster namens de Raad en twee medewerksters namens de GI.
1.3
De voortgezette mondelinge behandeling van het verzoek heeft, gelet op de nauwe samenhang tussen deze verzoeken, gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van het verzoek van de Raad, strekkende tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen. In dat kader is tevens aanwezig geweest een vertegenwoordigster van GI. Dit verzoek is geregistreerd onder het zaaknummer C/02/429641 / JE RK 24-2211. Op dit verzoek zal bij aparte beschikking worden beslist.
2De nadere beoordeling
2.1
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek van de vrouw om een verdeling in de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen.
2.2
Bij beschikking van 7 april 2023 heeft de rechtbank – onder meer – de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
De Raad is gevraagd daarover te rapporteren en te adviseren.
2.3
Bij vonnis van 9 november 2023 is bepaald dat de moeder en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig recht hebben op contact met elkaar:
- iedere dinsdagmiddag vanaf omstreeks 14.25 uur tot woensdagavond 18.30 uur. De vrouw haalt de minderjarigen op van school en zet ze woensdag ’s avonds af bij de voetbaltraining.
- iedere vrijdagmiddag vanaf omstreeks 14.45 uur tot 19.30 uur. De vrouw haalt de minderjarigen van school en brengt ze ’s avonds terug naar de man.
De voorzieningenrechter heeft aan de nakoming van deze contactregeling een dwangsom van € 250,00 verbonden. Tevens zijn partijen in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost voor een (jeugd)hulptraject.
2.4
De Raad heeft het onderzoek op 5 september 2024, naar aanleiding van een negatieve terugmelding van het UHA-traject, uitgebreid naar een beschermingsonderzoek.
2.5
De vader heeft de voorlopige contactregeling niet volledig uitgevoerd. In het weekend van 9 november 2024 heeft zich in de thuissituatie van de vader een escalatie voorgedaan tussen de vader en zijn partner, waarbij de politie heeft moeten interveniëren. De minderjarigen wonen sindsdien weer fulltime bij de moeder. De vader heeft aangegeven dat hij de minderjarigen voorlopig bij de moeder zal laten.
2.6
De ouders voeren onderling een contactregeling uit, waarbij de man meerdere keren per week contact heeft met de minderjarigen.
2.7
Uit de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt het volgende. De minderjarigen zijn al langere tijd getuige van conflictsituaties en spanningen tussen partijen. Partijen maken zich zorgen over elkaars opvoedsituatie. De vrouw maakt zich zorgen over de ruzies tussen de man en zijn partner. De man maakt zich zorgen om het mogelijk alcohol- en drugsgebruik bij de vrouw en opa aan moeders zijde. De partijen hebben de wens dat de communicatie tussen beiden verbetert en dat er zicht komt op de opvoedsituatie van de ander. De Raad heeft geen zicht kunnen krijgen op de opvoedsituaties van partijen. De minderjarigen wonen inmiddels weer bij de vrouw en de man ziet de minderjarigen hier ongeveer dagelijks. Er moet volgens de Raad rust komen voor de minderjarigen. Daarvoor is nodig dat er duidelijkheid komt over de opvoedsituaties van de partijen. Daarnaast moet de opvoedsituatie van de minderjarigen stabiel worden. De minderjarigen moeten duidelijkheid krijgen over waar zij wonen en wanneer zij de andere ouder zien. Er moeten verder duidelijke afspraken komen, zodat er sprake is van gelijkwaardig ouderschap. Ook is van belang dat er zicht komt op de gevoelens en de gedragingen van de man. Er ligt een verwijzing voor de man bij [hulpverlening] , die hem kunnen helpen bij zijn opvliegendheid, PTSS en de relatieproblematiek. Na onderzoek zal er voor de man behandeling moeten worden ingezet. Volgens de Raad is de situatie tussen de partijen zodanig complex, dat het noodzakelijk is dat er in een gedwongen kader regie wordt gevoerd. Het vrijwillig kader is onvoldoende toereikend gebleken om de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen af te wenden. Gezien de aard van de problematiek is een ondertoezichtstelling voor de duur van 12 maanden noodzakelijk. De Raad adviseert om de vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan te houden voor de duur van negen maanden. In die periode kan er onder regie van de GI gekeken worden naar een duurzame contactregeling. Daarnaast moet er zicht komen op hoe de samenwerking tussen partijen verbeterd kan worden, of het de man lukt om aan te sluiten bij de hulpverlening (door hulpverlening voor zijn persoonlijke problematiek aan te gaan) en of partijen vertrouwen kunnen krijgen in elkaars opvoedsituatie. De GI kan vervolgens de rechtbank adviseren ten aanzien van de vaststelling van een definitieve contactregeling.
Beoordeling
3.1
De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.2
Bij beschikking van 24 januari 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van 12 maanden.
In dat kader zal er gewerkt moeten worden aan het bereiken van de volgende doelen:
- het verkrijgen van zicht op de minderjarigen;
- het creëren van rust en stabiliteit in de opvoedsituatie van de minderjarigen;
- het verkrijgen van duidelijkheid over de opvoedsituaties van de ouders;
- het maken van duidelijke afspraken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zodat er sprake is van gelijkwaardig ouderschap;
- het verkrijgen van zicht op de gevoelens en gedragingen van de man.
Gelet op het voorgaande, waarbij de inzet van de GI ook ziet op het onderzoeken van en het begeleiden naar het vaststellen van een definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen, ziet de rechtbank aanleiding om de onderhavige procedure op dit punt af te sluiten. Er is immers nog geen duidelijkheid over wat de problematiek van de minderjarigen is, welke vormen van hulpverlening zij nodig hebben en welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het meest past bij de stabiele opvoedsituatie van de minderjarigen. Dat maakt dat de rechtbank zal beslissen dat de man en de minderjarigen recht hebben op contact met elkaar onder regie van de GI. Daarbij wordt de GI in overweging gegeven dat er rekening gehouden moet worden met het gegeven dat de man de minderjarigen nu een paar keer per week ziet en dat deze regeling tot op heden rustig verloopt en de minderjarigen de man graag zien, zodat zij zien dat het goed met hem gaat.
3.3
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
Dictum
De rechtbank
bepaalt dat de man en
[minderjarige 1] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015;
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar, waarbij de regie over de frequentie, duur en locatie bij de GI komt te liggen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2025 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda .