Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:3091
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,276 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/431054 / JE RK 25-128 (spoed)
C/02/431055 / JE RK 25-129 (regulier)
Datum uitspraak: 5 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
betreffende de minderjarige
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. D. Boudrad te Gilze.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],
hierna te noemen de vader.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
De beschikking van deze rechtbank van 23 januari 2025 en de daarin genoemde stukken;
Het op 30 januari 2025 van de advocaat van de moeder ontvangen verweerschrift met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader;
- de vertegenwoordigsters van de GI.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woonde met haar [broer] bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 9 oktober 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 oktober 2024 tot 9 oktober 2025.
3De verzoeken
C/02/431054 / JE RK 25-128 (spoed)
3.1.
De GI verzoekt een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van vier weken en om deze beschikking onverwijld af te geven, zonder daaraan voorafgaand horen van de belanghebbenden.
C/02/431055 / JE RK 25-129 (regulier)
3.2.
Daarnaast verzoekt de GI, naar de kinderrechter begrijpt, om [minderjarige] aansluitend uit huis te mogen plaatsen in een pleeggezin, gevolgd door een plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3.
De GI verzoekt verder om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI baseert het verzoek op het volgende. Bij aanvang van de ondertoezichtstelling waren er zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder, de hygiëne in de woning, de wisselende contacten met de vader van [minderjarige] en de veiligheid van de minderjarigen. De moeder is in het verleden meerdere keren fysiek mishandeld door de vader van [minderjarige]. De GI heeft met de moeder veiligheidsafspraken gemaakt. Hierin is afgesproken dat de vader van [minderjarige] haar alleen onder begeleiding van de GI of [hulpverlening] mocht zien. De moeder zegt dat zij geen contact meer heeft met hem, maar hij wordt wel bij de woning van de moeder gesignaleerd. Daarnaast is afgesproken dat de woning hygiënisch moet zijn voor de minderjarigen.
4.2.
Op 26 november 2024 zag de politie de auto van de vader bij de woning van de moeder. De politie is de woning binnengegaan en zagen geen acute onveiligheid van de minderjarigen. Zij mochten echter niet in de keuken komen, omdat daar de honden waren. De politie heeft gezien dat er ontlasting lag op het balkon. De politie heeft hierover een zorgmelding gemaakt. De GI heeft de moeder aangemeld voor Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding. De GI heeft bij een huisbezoek geconstateerd dat de woning van de moeder vervuild was. De moeder zegt de verdere huisbezoeken af. Toen de GI op 9 januari 2025 op huisbezoek bij de moeder ging, werd er niet opengedaan.
4.3.
Volgens de hulpverleners van [hulpverlening] heeft de moeder aangegeven dat ze naar België wil verhuizen, om zo van de ondertoezichtstelling en de hulpverleners af te komen. Op 23 januari 2025 legt de GI opnieuw een thuisbezoek af. Gezien wordt dat de moeder naar de woning loopt. Ze doet niet open voor de GI. De GI probeert vervolgens de moeder telefonisch te bereiken en hoort de telefoon van de moeder in de woning overgaan. Bij de deur van de woning is een penetrante geur te ruiken. Volgens Thuisvester doen omwonenden melding van schreeuwende mensen in de woning, flinke stank die uit de woning komt, blaffende honden en een baby die urenlang aan het huilen is.
4.4.
De moeder is niet verschenen op de afspraak met het consultatiebureau op 21 januari 2025. In de laatste vier weken gaat de moeder de hulpverlening structureel uit de weg. Er is weinig tot geen zicht op de minderjarigen. Het vermoeden bestaat dat de vader van [minderjarige] in de woning van de moeder aanwezig is en dat er opnieuw sprake is van huiselijk geweld. Ook zijn er zorgen over de hygiëne en de aanwezigheid van de honden. De GI heeft grote zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van de minderjarigen, die nog erg jong zijn en afhankelijk van de moeder zijn. Volgens de GI is het noodzakelijk dat de minderjarigen veiliggesteld worden middels een uithuisplaatsing. De GI zal de mogelijkheden voor opvang binnen het netwerk onderzoeken. Een plaatsing bij de vader is geen optie, gelet op zijn woonsituatie. De GI heeft het gezin aangemeld bij Sterk Huis voor een gezinsopname. De GI heeft geen zicht op de wachtlijsten en een eventuele datum waarop de plaatsing gerealiseerd zou kunnen worden. In de tussentijd zal er een omgangsregeling tussen de ouders en [minderjarige] worden uitgevoerd.
4.5.
Door en namens de moeder wordt in verweer aangegeven dat een uithuisplaatsing een ultimum remedium is en dat er eerst lichtere middelen moeten worden ingezet. De GI heeft volgens de moeder niet duidelijk gemaakt, waarom ambulante hulpverlening niet mogelijk is. De moeder verweert zich tegen de conclusies die door de GI worden getrokken.
De moeder heeft een opname bij de [stichting] geweigerd, omdat zij een grotere woning kon betrekken, wat meer in belang van minderjarigen was.
De moeder heeft de contactgegevens van de vader niet kunnen geven, omdat zij geen recente contactgegevens van hem heeft.
De moeder is uit contact gegaan met de GI, omdat het goed ging met haar en de minderjarigen. Dit is niet omdat de vader van [minderjarige] weer in beeld zou zijn. Volgens de moeder was een aanhoudend contact met de hulpverlening niet nodig.
De moeder heeft er zelf voor gekozen om haar honden naar het asiel te brengen. De dierenpolitie is inderdaad in verband met de hygiëne aan huis geweest, maar deze heeft alleen aanwijzingen gegeven over wat er moest gebeuren. De moeder heeft deze aanwijzingen opgevolgd. Bij controle is aangegeven dat alles op orde was. De GI bevestigt dit ook door te stellen dat er op 26 november 2024 geen sprake was van een acute onveiligheid voor de minderjarigen.
De moeder laat geen mensen toe tot de keuken als de honden daar zitten. De honden worden anders erg onrustig.
Een enkele keer laat de moeder de honden hun behoefte op het balkon doen, als het avond is en de minderjarigen op bed liggen. Dit ruimt zij vervolgens op. Het is niet zo dat er structureel ontlasting op het balkon ligt.
De moeder heeft de afspraak op 16 december 2024 afgezegd in verband met ziekte. Een nieuwe huisafspraak kon pas na 24 december 2024 ingepland worden, omdat de moeder zich in de tussenliggende periode wilde wijden aan de verzorging van [broer], die geopereerd was.
De moeder betwist dat [hulpverlening] steeds moeizamer met haar in contact kon komen. Meerdere contactmomenten zijn vervallen, omdat [hulpverlening] op dat moment ook bezig was met een crisisgezin, wat veel tijd en mankracht opslokte. De moeder kan niet verweten worden dat zij uit contact is gegaan, terwijl [hulpverlening] zelf niet goed bereikbaar en beschikbaar is geweest.
De moeder is slecht ter been en verplaatst zich met een scootmobiel. Deze scootmobiel is niet in beslag genomen, maar voor reparatie van een lekke band teruggestuurd naar Welzorg.
De moeder heeft op 9 januari de deur niet open gedaan, omdat zij op dat moment niet thuis was. Dat zegt niets over de veiligheid van de minderjarigen. Soms komt het ook voor dat de deurbel op stil wordt gezet, als [minderjarige] een dutje moet doen. De moeder heeft dan niet in de gaten dat er wordt aangebeld.
De vader van [broer] is nog maar kort weer in beeld en is nog steeds zeer wisselend in zijn contacten met [broer]. De moeder staat dit contact niet in de weg, mits dit op een voor [broer] verantwoorde manier plaatsvindt.
De informatie vanuit Thuisvester is volgens de moeder achterhaald. Er is geen sprake van huiselijk geweld. In het complex waar de moeder woont, woont een luidruchtig gezin. Mogelijk wordt de moeder verward met dit gezin.
Beoordeling
C/02/431054 / JE RK 25-128 (spoed)
5.1.
Op basis van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de
kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar
verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit
noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot
onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over het verlenen van een machtiging tot
uithuisplaatsing onverwijld worden afgegeven, indien de mondelinge behandeling van het
verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
5.3.
Bij voornoemde beschikking van 23 januari 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 6 februari 2025 en iedere verdere beslissing aangehouden. Naar het oordeel van de kinderrechter is niet gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden, die maken dat die beschikking per direct dient te worden herroepen. Het resterende deel van het spoedverzoek zal worden afgewezen, aangezien de kinderrechter op dit moment ook zal beslissen op het reguliere verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige].
C/02/431055 / JE RK 25-129 (regulier)
5.4.
De kinderrechter dient dan ook de vraag te beantwoorden of een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg en aansluitend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder gerechtvaardigd is. In artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.5.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. In de afgelopen periode heeft de moeder de begeleiding van de GI en de betrokken hulpverleners gemeden. Hierdoor is er geen zicht geweest op de minderjarige en de opvoedsituatie waarin zij opgroeit. De GI heeft in die periode meerdere signalen gekregen, dat de woning van de moeder opnieuw vervuild zou zijn, dat zij overlast veroorzaakt in het flatgebouw waar zij woont en dat er sprake was van huiselijk geweld in de woning. Tegen de veiligheidsafspraken in heeft de moeder bovendien opnieuw contact met de vader van [minderjarige], die haar in het verleden meermaals mishandeld heeft. De moeder heeft, ondanks dat de minderjarige onder toezicht stond, verhinderd dat de GI haar taak kon uitoefenen. De moeder heeft de GI niet toegelaten tot haar woning om de omstandigheden te kunnen controleren, terwijl er grote zorgen waren over de veiligheid en de hygiëne van de minderjarige in die opvoedsituatie. De moeder heeft hierdoor gehandeld in strijd met het belang van [minderjarige]. Voor dat zij weer bij de moeder kan terugkeren, moet blijken dat de woning weer geschikt is en dat de situatie veilig is voor de minderjarige.
5.6.
De moeder zegt toe dat zij voortaan gaat meewerken met de GI. Zij heeft inmiddels haar woning opgeruimd en zoekt voor haar honden een nieuwe eigenaar. Ook geeft de moeder aan dat zij bereid is om mee te werken aan een gezinsopname van haar, [minderjarige] en [broer] bij Sterk Huis. Het is bemoedigend dat de moeder inmiddels tot een ander inzicht is gekomen, maar de kinderrechter is er op dit moment nog onvoldoende van overtuigd dat de moeder deze bereidheid weet vast te houden. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat het voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] noodzakelijk is dat de GI gemachtigd wordt om haar uit huis te plaatsen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat er nog geen zicht is op een datum, waarop de gezinsopname bij Sterk Huis zal starten en dat ook na de opname nog beoordeeld moet worden of de thuissituatie bij de moeder geschikt is om [minderjarige] bij haar te laten terugkeren. Voorkomen moet worden dat er op dit punt discussie gaat ontstaan tussen de GI en de moeder. Op het moment dat de GI het voor [minderjarige] verantwoord vindt, dat zij weer bij de moeder gaat wonen, dan kan de GI de machtiging op grond van artikel 1:265d BW beëindigen.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing per direct moet worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
5.8.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 9 oktober 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.