Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:3088
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
10,266 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/430696 / JE RK 25-57
Datum uitspraak: 10 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. A. Koop-van Vliet te Breda.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- de vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juni 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 februari 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juni 2024 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader tot 18 februari 2025. Op grond van deze machtiging woont [minderjarige] bij de vader.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI is van mening dat de ondertoezichtstelling en machtiging
uithuisplaatsing voor [minderjarige] bij de vader verlengd moet te worden, om de huidige positieve
effecten vast te houden en de voortgang van de systemische hulpverlening vanuit [praktijk]
voort te zetten. Het doel is dat de ouders los van elkaar hun ouderschap vorm kunnen geven in het belang van [minderjarige]. Zonder het gedwongen kader is de verwachtging dat de situatie van [minderjarige] verslechtert. De GI is van mening dat huidige situatie het meest recht doet aan [minderjarige]. Op dit moment laat [minderjarige] een positieve ontwikkeling zien, waarbij hij baat heeft bij de structuur die vader biedt. Ook voor zijn [zusje] (die bij moeder woont) betekent het verblijf van [minderjarige] bij de vader, dat er meer rust is. De vader overweegt het hoofdverblijf voor [minderjarige] aan te gaan vragen bij de rechtbank. De GI vindt het van belang dat het toekomstperspectief van [minderjarige] duidelijk wordt. De moeder is voor de GI lastig bereikbaar. Zij reageert wisselend op e-mails en op afspraken. De GI heeft de indruk dat dit samenhangt met het verblijf van [minderjarige] bij de vader. De wens van de moeder is om [minderjarige] weer terug te laten keren bij haar. De moeder beaamt dat het in algemene zin wel beter gaat met [minderjarige], maar dit hangt volgens de moeder niet samen met de uithuisplaatsing bij de vader. De GI is van mening dat het van belang is om de moeder mee te nemen in de beweegredenen om het verblijf van [minderjarige] bij de vader te verlengen, maar dit is lastig omdat de moeder niet in gesprek wil gaan met de GI.
Tijdens de mondelinge behandeling voegt de GI nog toe dat er voor [minderjarige] gekeken wordt naar een vorm van dagbesteding als vervanging voor een stageplek. Voor [minderjarige] is er meer rust gekomen. Op de doordeweekse momenten, waar er van [minderjarige] meer verwacht wordt, profiteert hij van de structuur bij de vader. De GI is van mening dat de vader van nature meer duidelijkheid en structuur kan bieden aan [minderjarige]. Het is aan de vader om stappen te ondernemen om deze situatie te bestendigen. [minderjarige] heeft behoefte aan duidelijkheid. Voor hem is het belangrijk dat hij weet waar hij gaat opgroeien en dat hij niet steeds wordt geconfronteerd met verzoeken om de uithuisplaatsing bij de vader te verlengen. De moeder kan zich niet vinden in de lijn die er voor [minderjarige] is uitgezet. De GI heeft geprobeerd om de communicatie met de moeder weer vlot te trekken, maar daarop heeft de moeder niet gereageerd. De GI heeft gevraagd om beide maatregelen met een jaar te verlengen, zodat er ruim de tijd is om te onderzoeken hoe de ouders in een vrijwillig kader verder zouden kunnen gaan. Het voortzetten van de systeemtherapie kan ook in een vrijwillig kader.
4.2.
De moeder stemt niet in met een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige]. Volgens de moeder werden de gedragsproblemen van [minderjarige] veroorzaakt door de grote druk die er op hem werd uitgeoefend. Nu is duidelijk geworden dat [minderjarige] het niveau van onderwijs niet aan kon en dat hij onderwijs van een lager niveau nodig heeft. [minderjarige] doet het daarom nu een stuk beter. De moeder is van mening dat [minderjarige] weer bij haar kan komen wonen en dat hij op de gebruikelijke wijze contact kan hebben met de vader. De moeder zou zich ook kunnen vinden in een regeling waarbij [minderjarige] drie weekenden van de maand bij de vader is. Volgens de moeder is zij steeds de hoofdopvoeder geweest en moet zij de kans krijgen om te laten zien dat zij de opvoeding van [minderjarige] weer kan dragen. De moeder verwijt de GI dat er niet eerder naar haar geluisterd werd. [minderjarige] krijgt nu de hulp waar zij al die tijd om gevraagd heeft. Volgens de moeder gaat het nog niet helemaal goed met [minderjarige]. Hij loopt nog steeds weg en vraagt de moeder om hem op te halen. Ook is zijn stage mislukt. De moeder is vaker thuis en daarmee meer dan de vader beschikbaar voor [minderjarige]. Bij de vader is [minderjarige] vaak alleen thuis. De moeder erkent dat het voor haar lastig is om met de GI contact te hebben. De moeder heeft het idee dat alles wat zij zegt, tegen haar gebruikt wordt. Volgens de moeder deelt zij alles over haar situatie met de GI, maar krijgt zij niet of nauwelijks informatie over [minderjarige]. De moeder herkent zich niet in de stelling dat zij [minderjarige] geen emotionele toestemming heeft gegeven om bij de vader te wonen. Zij heeft immers ingestemd met een tijdelijk verblijf van [minderjarige] bij de vader. De moeder vraagt om, als beide maatregelen nog nodig geacht worden, deze voor de verzochte duur van een jaar toe te wijzen. Een extra zitting is voor alle betrokkenen alleen maar meer belastend.
4.3.
Volgens de vader is het voor [minderjarige] belangrijk dat hij voor de lange termijn bij hem blijft wonen. Zijn advocaat voegt hier nog aan toe, dat er al langer dan de moeder nu voordoet, sprake is van problematiek bij [minderjarige]. [minderjarige] functioneert niet goed in groepsverband. Hij heeft suïcidale gedachten gehad. Ook was de moeder bang voor [minderjarige]. Deze grote zorgen hebben geleid tot een uithuisplaatsing van [minderjarige]. De moeder heeft een meer vrije stijl van opvoeding dan de vader. Bij de moeder is er al acht jaar hulp ingezet, maar dat heeft niet genoeg resultaat gehad. Sinds [minderjarige] bij de vader woont, heeft hij geen suïcidale neigingen meer. [minderjarige] gedijt goed op de rust en de structuur die de vader hem kan bieden. Dit blijkt ook uit de resultaten die nu al zijn bereikt. De stage van [minderjarige] is mislukt, omdat [minderjarige] meer dan gemiddeld gevoelig is voor opmerkingen. Op zijn stageplaats werd er gezegd dat hij te veel op zijn telefoon zat en dat hij gedemotiveerd was. Hij vond het ook moeilijk om om te gaan met seksueel getinte opmerkingen die daar gemaakt werden. De vader heeft [minderjarige] geadviseerd om hierover met zijn stagebegeleider in gesprek te gaan. In plaats daarvan heeft [minderjarige] er voor gekozen om naar de moeder te gaan. De vader heeft vervolgens samen met [minderjarige] gezocht naar een oplossing. Er is toen besloten dat [minderjarige] niet meer terug naar zijn stage zal gaan. Er wordt met SDW gewerkt naar solo parallel ouderschap. Daarnaast wordt met SDW gezocht naar een vorm van dagbesteding voor [minderjarige]. De vader vraagt om de maatregelen voor de duur van negen maanden uit te spreken en het resterende deel van het verzoek aan te houden. In de tussentijd kan er gekeken worden of de moeder kan instemmen met wijziging van het hoofdverblijf naar de vader. In het geval dat zij niet kan instemmen, zal de vader bij de rechtbank een verzoek doen om het hoofdverblijf te wijzigen.
Beoordeling
5.1.
In artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.
In artikel 1:260, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 255 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
In artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
In artikel 1:265c, tweede lid, BW is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de GI de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen.
5.3.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. [minderjarige] is in april 2023 met spoed uit huis geplaatst naar een crisisgroep. Er waren op dat moment grote zorgen rondom de suïcidale uitingen en het gedrag van [minderjarige]. [minderjarige] gaf aan dat hij niet meer wilde leven. [minderjarige] verzuimde veel van school, raakte in conflict met anderen en de spanningen in de thuissituatie namen steeds meer toe. In de thuissituatie bij de moeder liet [minderjarige] fysieke agressie zien, waarbij hij meubels kapot sloeg en zijn [zusje] zich met momenten onveilig voelde. Met hulp van ambulante hulpverlening is [minderjarige] bij de vader gaan wonen. Gezien wordt dat [minderjarige] baat heeft bij de structuur en de regels die de vader biedt. [minderjarige] gaat consequenter naar school en er vinden geen escalaties meer plaats. De opvoedstijl van de vader past beter bij [minderjarige] dan de opvoedstijl van de moeder. Gezien wordt dat [minderjarige] beter in zijn vel zit, rustiger is, minder somber is en toegankelijker is.
5.4.
De moeder stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar vraagt om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet meer te verlengen, zodat [minderjarige] weer bij haar kan terugkeren. De vader stemt in met het verzoek van de GI, maar vraagt om de maatregelen maar voor de duur van negen maanden te verlengen, zodat er op dat moment getoetst kan worden of de maatregelen nog noodzakelijk zijn.
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat zijn ouders op dit moment nog niet in staat zijn om die bedreiging in een vrijwillig kader weg te nemen. Hiermee wordt voldaan aan de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling, welke de kinderrechter dan ook zal toewijzen.
Ten aanzien van het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader nog te verlengen, overweegt de kinderrechter het volgende. Om de positieve ontwikkeling bij [minderjarige] vast te houden en om middels hulp vanuit [praktijk] te kunnen werken aan solo parallel ouderschap, is het nog noodzakelijk dat deze machtiging wordt verlengd. De gedragsproblemen van [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder waren zeer zorgelijk en hebben geleid tot onveilige situaties. Na de uithuisplaatsing van [minderjarige] is er met de ouders en [minderjarige] gezocht naar een modus, waarin hij het meest op zijn plaats zou zijn. De bij [minderjarige] betrokken deskundigen zijn van mening dat [minderjarige] het sinds de uithuisplaatsing beter doet. Dat zegt niet wie van de ouders het beter doet in de opvoeding van [minderjarige], maar wel dat het beter met [minderjarige] gaat sinds hij bij de vader woont.
Het is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk om duidelijkheid te krijgen over de plaats waar hij zal opgroeien. Dit geldt te meer gelet op de kindeigenproblematiek van [minderjarige]. [minderjarige] kan niet goed tegen veranderingen en heeft behoefte aan stabiliteit. Het is daarbij belangrijk dat de ouders de tijd krijgen om te berusten in de huidige situatie. De kinderrechter kan zich goed voorstellen dat het doordeweeks wonen van [minderjarige] bij de vader voor de moeder als verlieservaring voelt. Zij drukt haar op het hart toch ruimte te vinden voor emotionele toestemming, omdat dat voor [minderjarige] belangrijk is. Op de GI rust een belangrijke taak om de ouders bij de hand te nemen en om met hen te onderzoeken, of en hoe zij naar een vrijwillig kader kunnen werken. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in duur bekorten tot 18 augustus 2025, zodat er voor het nieuwe schooljaar duidelijk wordt of het de ouders is gelukt om in de huidige situatie te berusten en toe te werken naar een vrijwillig kader. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij tijdig een verslag stuurt over de situatie op dat moment en of er nog behoefte is aan een mondelinge behandeling. De advocaten van de ouders zullen daarna de gelegenheid krijgen om schriftelijk een standpunt in te nemen over de situatie op dat moment en of er nog behoefte is aan een mondelinge behandeling.
5.6.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] zelf van haar te horen krijgt wat er in deze procedure wordt beslist, maar ook dat de andere betrokkenen weten wat de kinderrechter hierover aan [minderjarige] terugkoppelt. Hierna zal de kinderrechter zich daarom tot [minderjarige] richten. Deze tekst zal worden overgenomen in een brief, die naar [minderjarige] wordt gestuurd.
“Beste [minderjarige],
Op 7 februari 2025 heb ik met jou gesproken over het verzoek dat Jeugdbescherming Brabant (de jeugdbescherming) over jou heeft gedaan. Ik heb je toen beloofd te laten weten wat mijn beslissing is en waarom.
Ik heb besloten dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden worden verlengd. Dit betekent voor jou dat alles blijft zoals het nu is: je woont bij papa en je gaat op donderdagen en in het weekend naar moeke. Ik zie dat het beter met je gaat, sinds je doordeweeks bij papa woont. Ik vind het knap hoe je het doet bij papa en mama en ik vind het ook belangrijk dat dit zo blijft. Met deze beslissing wil ik jou en je ouders daarover duidelijkheid geven, zodat jij weet waar je aan toe bent.
Ik vind het ook belangrijk dat je ouders dit steunen en ik ben benieuwd hoe het over een tijdje met je gaat. Over zes maanden wil ik daarom van de jeugdbescherming horen hoe het met je gaat en of de ondertoezichtstelling nog nodig is. Je ouders schrijven daarna met hulp van de advocaten een brief, waarin staat wat zij vinden. Ik zal daarna beslissen of ik nog een gesprek wil met je ouders en Jeugdbescherming Brabant om te praten over of de ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing nog nodig zijn. Als dat zo is, dan zul je weer een brief krijgen met een uitnodiging om met mij, of een collega kinderrechter, te praten. Je mag dan op gesprek komen, maar je mag ook een brief sturen waarin je schrijft hoe jij het dan vindt gaan.
Dankjewel [minderjarige] voor het gesprek.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 18 augustus 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader tot 18 augustus 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot 18 juli 2025 Pro Forma in afwachting van het bericht van de GI en de berichten van de advocaten van de ouders zoals overwogen in r.o. 5.5.;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/430696 / JE RK 25-57
Datum uitspraak: 10 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. A. Koop-van Vliet te Breda.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- de vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juni 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 februari 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juni 2024 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader tot 18 februari 2025. Op grond van deze machtiging woont [minderjarige] bij de vader.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI is van mening dat de ondertoezichtstelling en machtiging
uithuisplaatsing voor [minderjarige] bij de vader verlengd moet te worden, om de huidige positieve
effecten vast te houden en de voortgang van de systemische hulpverlening vanuit [praktijk]
voort te zetten. Het doel is dat de ouders los van elkaar hun ouderschap vorm kunnen geven in het belang van [minderjarige]. Zonder het gedwongen kader is de verwachtging dat de situatie van [minderjarige] verslechtert. De GI is van mening dat huidige situatie het meest recht doet aan [minderjarige]. Op dit moment laat [minderjarige] een positieve ontwikkeling zien, waarbij hij baat heeft bij de structuur die vader biedt. Ook voor zijn [zusje] (die bij moeder woont) betekent het verblijf van [minderjarige] bij de vader, dat er meer rust is. De vader overweegt het hoofdverblijf voor [minderjarige] aan te gaan vragen bij de rechtbank. De GI vindt het van belang dat het toekomstperspectief van [minderjarige] duidelijk wordt. De moeder is voor de GI lastig bereikbaar. Zij reageert wisselend op e-mails en op afspraken. De GI heeft de indruk dat dit samenhangt met het verblijf van [minderjarige] bij de vader. De wens van de moeder is om [minderjarige] weer terug te laten keren bij haar. De moeder beaamt dat het in algemene zin wel beter gaat met [minderjarige], maar dit hangt volgens de moeder niet samen met de uithuisplaatsing bij de vader. De GI is van mening dat het van belang is om de moeder mee te nemen in de beweegredenen om het verblijf van [minderjarige] bij de vader te verlengen, maar dit is lastig omdat de moeder niet in gesprek wil gaan met de GI.
Tijdens de mondelinge behandeling voegt de GI nog toe dat er voor [minderjarige] gekeken wordt naar een vorm van dagbesteding als vervanging voor een stageplek. Voor [minderjarige] is er meer rust gekomen. Op de doordeweekse momenten, waar er van [minderjarige] meer verwacht wordt, profiteert hij van de structuur bij de vader. De GI is van mening dat de vader van nature meer duidelijkheid en structuur kan bieden aan [minderjarige]. Het is aan de vader om stappen te ondernemen om deze situatie te bestendigen. [minderjarige] heeft behoefte aan duidelijkheid. Voor hem is het belangrijk dat hij weet waar hij gaat opgroeien en dat hij niet steeds wordt geconfronteerd met verzoeken om de uithuisplaatsing bij de vader te verlengen. De moeder kan zich niet vinden in de lijn die er voor [minderjarige] is uitgezet. De GI heeft geprobeerd om de communicatie met de moeder weer vlot te trekken, maar daarop heeft de moeder niet gereageerd. De GI heeft gevraagd om beide maatregelen met een jaar te verlengen, zodat er ruim de tijd is om te onderzoeken hoe de ouders in een vrijwillig kader verder zouden kunnen gaan. Het voortzetten van de systeemtherapie kan ook in een vrijwillig kader.
4.2.
De moeder stemt niet in met een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige]. Volgens de moeder werden de gedragsproblemen van [minderjarige] veroorzaakt door de grote druk die er op hem werd uitgeoefend. Nu is duidelijk geworden dat [minderjarige] het niveau van onderwijs niet aan kon en dat hij onderwijs van een lager niveau nodig heeft. [minderjarige] doet het daarom nu een stuk beter. De moeder is van mening dat [minderjarige] weer bij haar kan komen wonen en dat hij op de gebruikelijke wijze contact kan hebben met de vader. De moeder zou zich ook kunnen vinden in een regeling waarbij [minderjarige] drie weekenden van de maand bij de vader is. Volgens de moeder is zij steeds de hoofdopvoeder geweest en moet zij de kans krijgen om te laten zien dat zij de opvoeding van [minderjarige] weer kan dragen. De moeder verwijt de GI dat er niet eerder naar haar geluisterd werd. [minderjarige] krijgt nu de hulp waar zij al die tijd om gevraagd heeft. Volgens de moeder gaat het nog niet helemaal goed met [minderjarige]. Hij loopt nog steeds weg en vraagt de moeder om hem op te halen. Ook is zijn stage mislukt. De moeder is vaker thuis en daarmee meer dan de vader beschikbaar voor [minderjarige]. Bij de vader is [minderjarige] vaak alleen thuis. De moeder erkent dat het voor haar lastig is om met de GI contact te hebben. De moeder heeft het idee dat alles wat zij zegt, tegen haar gebruikt wordt. Volgens de moeder deelt zij alles over haar situatie met de GI, maar krijgt zij niet of nauwelijks informatie over [minderjarige]. De moeder herkent zich niet in de stelling dat zij [minderjarige] geen emotionele toestemming heeft gegeven om bij de vader te wonen. Zij heeft immers ingestemd met een tijdelijk verblijf van [minderjarige] bij de vader. De moeder vraagt om, als beide maatregelen nog nodig geacht worden, deze voor de verzochte duur van een jaar toe te wijzen. Een extra zitting is voor alle betrokkenen alleen maar meer belastend.
4.3.
Volgens de vader is het voor [minderjarige] belangrijk dat hij voor de lange termijn bij hem blijft wonen. Zijn advocaat voegt hier nog aan toe, dat er al langer dan de moeder nu voordoet, sprake is van problematiek bij [minderjarige]. [minderjarige] functioneert niet goed in groepsverband. Hij heeft suïcidale gedachten gehad. Ook was de moeder bang voor [minderjarige]. Deze grote zorgen hebben geleid tot een uithuisplaatsing van [minderjarige]. De moeder heeft een meer vrije stijl van opvoeding dan de vader. Bij de moeder is er al acht jaar hulp ingezet, maar dat heeft niet genoeg resultaat gehad. Sinds [minderjarige] bij de vader woont, heeft hij geen suïcidale neigingen meer. [minderjarige] gedijt goed op de rust en de structuur die de vader hem kan bieden. Dit blijkt ook uit de resultaten die nu al zijn bereikt. De stage van [minderjarige] is mislukt, omdat [minderjarige] meer dan gemiddeld gevoelig is voor opmerkingen. Op zijn stageplaats werd er gezegd dat hij te veel op zijn telefoon zat en dat hij gedemotiveerd was. Hij vond het ook moeilijk om om te gaan met seksueel getinte opmerkingen die daar gemaakt werden. De vader heeft [minderjarige] geadviseerd om hierover met zijn stagebegeleider in gesprek te gaan. In plaats daarvan heeft [minderjarige] er voor gekozen om naar de moeder te gaan. De vader heeft vervolgens samen met [minderjarige] gezocht naar een oplossing. Er is toen besloten dat [minderjarige] niet meer terug naar zijn stage zal gaan. Er wordt met SDW gewerkt naar solo parallel ouderschap. Daarnaast wordt met SDW gezocht naar een vorm van dagbesteding voor [minderjarige]. De vader vraagt om de maatregelen voor de duur van negen maanden uit te spreken en het resterende deel van het verzoek aan te houden. In de tussentijd kan er gekeken worden of de moeder kan instemmen met wijziging van het hoofdverblijf naar de vader. In het geval dat zij niet kan instemmen, zal de vader bij de rechtbank een verzoek doen om het hoofdverblijf te wijzigen.
Beoordeling
5.1.
In artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.
In artikel 1:260, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 255 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
In artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
In artikel 1:265c, tweede lid, BW is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de GI de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen.
5.3.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. [minderjarige] is in april 2023 met spoed uit huis geplaatst naar een crisisgroep. Er waren op dat moment grote zorgen rondom de suïcidale uitingen en het gedrag van [minderjarige]. [minderjarige] gaf aan dat hij niet meer wilde leven. [minderjarige] verzuimde veel van school, raakte in conflict met anderen en de spanningen in de thuissituatie namen steeds meer toe. In de thuissituatie bij de moeder liet [minderjarige] fysieke agressie zien, waarbij hij meubels kapot sloeg en zijn [zusje] zich met momenten onveilig voelde. Met hulp van ambulante hulpverlening is [minderjarige] bij de vader gaan wonen. Gezien wordt dat [minderjarige] baat heeft bij de structuur en de regels die de vader biedt. [minderjarige] gaat consequenter naar school en er vinden geen escalaties meer plaats. De opvoedstijl van de vader past beter bij [minderjarige] dan de opvoedstijl van de moeder. Gezien wordt dat [minderjarige] beter in zijn vel zit, rustiger is, minder somber is en toegankelijker is.
5.4.
De moeder stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar vraagt om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet meer te verlengen, zodat [minderjarige] weer bij haar kan terugkeren. De vader stemt in met het verzoek van de GI, maar vraagt om de maatregelen maar voor de duur van negen maanden te verlengen, zodat er op dat moment getoetst kan worden of de maatregelen nog noodzakelijk zijn.
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat zijn ouders op dit moment nog niet in staat zijn om die bedreiging in een vrijwillig kader weg te nemen. Hiermee wordt voldaan aan de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling, welke de kinderrechter dan ook zal toewijzen.
Ten aanzien van het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader nog te verlengen, overweegt de kinderrechter het volgende. Om de positieve ontwikkeling bij [minderjarige] vast te houden en om middels hulp vanuit [praktijk] te kunnen werken aan solo parallel ouderschap, is het nog noodzakelijk dat deze machtiging wordt verlengd. De gedragsproblemen van [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder waren zeer zorgelijk en hebben geleid tot onveilige situaties. Na de uithuisplaatsing van [minderjarige] is er met de ouders en [minderjarige] gezocht naar een modus, waarin hij het meest op zijn plaats zou zijn. De bij [minderjarige] betrokken deskundigen zijn van mening dat [minderjarige] het sinds de uithuisplaatsing beter doet. Dat zegt niet wie van de ouders het beter doet in de opvoeding van [minderjarige], maar wel dat het beter met [minderjarige] gaat sinds hij bij de vader woont.
Het is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk om duidelijkheid te krijgen over de plaats waar hij zal opgroeien. Dit geldt te meer gelet op de kindeigenproblematiek van [minderjarige]. [minderjarige] kan niet goed tegen veranderingen en heeft behoefte aan stabiliteit. Het is daarbij belangrijk dat de ouders de tijd krijgen om te berusten in de huidige situatie. De kinderrechter kan zich goed voorstellen dat het doordeweeks wonen van [minderjarige] bij de vader voor de moeder als verlieservaring voelt. Zij drukt haar op het hart toch ruimte te vinden voor emotionele toestemming, omdat dat voor [minderjarige] belangrijk is. Op de GI rust een belangrijke taak om de ouders bij de hand te nemen en om met hen te onderzoeken, of en hoe zij naar een vrijwillig kader kunnen werken. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in duur bekorten tot 18 augustus 2025, zodat er voor het nieuwe schooljaar duidelijk wordt of het de ouders is gelukt om in de huidige situatie te berusten en toe te werken naar een vrijwillig kader. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij tijdig een verslag stuurt over de situatie op dat moment en of er nog behoefte is aan een mondelinge behandeling. De advocaten van de ouders zullen daarna de gelegenheid krijgen om schriftelijk een standpunt in te nemen over de situatie op dat moment en of er nog behoefte is aan een mondelinge behandeling.
5.6.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] zelf van haar te horen krijgt wat er in deze procedure wordt beslist, maar ook dat de andere betrokkenen weten wat de kinderrechter hierover aan [minderjarige] terugkoppelt. Hierna zal de kinderrechter zich daarom tot [minderjarige] richten. Deze tekst zal worden overgenomen in een brief, die naar [minderjarige] wordt gestuurd.
“Beste [minderjarige],
Op 7 februari 2025 heb ik met jou gesproken over het verzoek dat Jeugdbescherming Brabant (de jeugdbescherming) over jou heeft gedaan. Ik heb je toen beloofd te laten weten wat mijn beslissing is en waarom.
Ik heb besloten dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden worden verlengd. Dit betekent voor jou dat alles blijft zoals het nu is: je woont bij papa en je gaat op donderdagen en in het weekend naar moeke. Ik zie dat het beter met je gaat, sinds je doordeweeks bij papa woont. Ik vind het knap hoe je het doet bij papa en mama en ik vind het ook belangrijk dat dit zo blijft. Met deze beslissing wil ik jou en je ouders daarover duidelijkheid geven, zodat jij weet waar je aan toe bent.
Ik vind het ook belangrijk dat je ouders dit steunen en ik ben benieuwd hoe het over een tijdje met je gaat. Over zes maanden wil ik daarom van de jeugdbescherming horen hoe het met je gaat en of de ondertoezichtstelling nog nodig is. Je ouders schrijven daarna met hulp van de advocaten een brief, waarin staat wat zij vinden. Ik zal daarna beslissen of ik nog een gesprek wil met je ouders en Jeugdbescherming Brabant om te praten over of de ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing nog nodig zijn. Als dat zo is, dan zul je weer een brief krijgen met een uitnodiging om met mij, of een collega kinderrechter, te praten. Je mag dan op gesprek komen, maar je mag ook een brief sturen waarin je schrijft hoe jij het dan vindt gaan.
Dankjewel [minderjarige] voor het gesprek.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 18 augustus 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader tot 18 augustus 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot 18 juli 2025 Pro Forma in afwachting van het bericht van de GI en de berichten van de advocaten van de ouders zoals overwogen in r.o. 5.5.;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.