Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:3087
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,671 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/430342 / JE RK 24-2347
Datum uitspraak: 10 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT TILBURG, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige],
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. C.C.J. Mouwen te Tilburg,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats].
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 december 2024;
de op 8 januari 2025 van de GI ontvangen brief, houdende de mening van [minderjarige] over het verzoek;
de stelbrief van de advocaat van de moeder.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader van [minderjarige] heeft zich aangemeld bij de bode om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn. De vader is echter nog voor aanvang van de mondelinge behandeling weer vertrokken, terwijl de tijd die daarvoor ingepland was, nog niet verlopen was.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont per mei 2024 op de woon- en behandelgroep [accommodatie].
2.3.
Bij beschikking van 22 mei 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 juni 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2024 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 22 februari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van drie maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1
De GI baseert het verzoek op het volgende. Volgens de GI hebben zich op de groep waar [minderjarige] verblijft, verschillende incidenten voorgedaan, waar [minderjarige] bij betrokken is geweest. Tijdens het laatste incident is [minderjarige] door een groepsgenoot aangevallen met een mes. [minderjarige] komt volgens zijn begeleiders sindsdien niet meer toe aan zijn behandeling, omdat zijn veiligheid op de groep te veel beschadigd is. [minderjarige] heeft wel aangegeven dat hij traumabehandeling wil voor het verwerken van het steekincident. Bij aanvang van de plaatsing was het de bedoeling dat [minderjarige] eerst traumabehandeling zou ondergaan en dat er daarna met MST terug naar huis zou worden gewerkt. De begeleiders van [accommodatie] willen [minderjarige] eerst de traumatherapie voor het steekincident bieden, in de hoop dat er daarna bij [minderjarige] een ingang zou zijn om de trauma’s uit het verleden te behandelen. De GI heeft samen met de begeleiders van [accommodatie] gekeken of [minderjarige] doorgeplaatst zou kunnen worden naar [gezinshuis], omdat het verblijf van [minderjarige] bij [accommodatie] na november 2024 niet meer verlengd zou worden. [minderjarige] zou nog ter overbrugging bij [accommodatie] mogen blijven, mits hij daarmee zou instemmen. [minderjarige] en zijn ouders waren echter in de verkeerde veronderstelling dat [minderjarige] in november 2024 naar huis zou terugkeren. Het plan van doorplaatsing van [minderjarige] naar [gezinshuis] is met [minderjarige] en zijn ouders besproken, maar zij konden niet achter deze plaatsing staan. Ook de begeleiders van [accommodatie] en uiteindelijk ook [gezinshuis] vinden een plaatsing van [minderjarige] bij [gezinshuis] gelet hierop niet passend. Ondanks dat het steeds beter gaat met [minderjarige], is het volgens de GI van belang dat er niet meteen maar wel op een zorgvuldige manier naar huis gewerkt wordt. De GI heeft met [minderjarige] en de moeder een vervolglijn besproken. De GI heeft een aanmelding gedaan bij hulpverleningsorganisatie [naam 1] voor intensieve interculturele gezinsbegeleiding. De GI is in afwachting van wanneer de intakegesprekken plaats kunnen vinden. In de tussentijd wordt er met [minderjarige] in een opbouwend schema gewerkt naar huis. Tijdens de kerstvakantie heeft [minderjarige] een aantal dagen extra thuis doorgebracht.
In het veiligheidsplan worden de volgende veiligheidseisen gesteld, waar [minderjarige] en de
ouders zich aan dienen te houden:
- [minderjarige] en de ouders houden zich aan de gemaakte afspraken met Sterk Huis en de GI omtrent het terug werken naar huis.
- [minderjarige] en de ouders stellen zich open voor hulpverlening en blijven in contact met de
hulpverlening en de GI.
- [minderjarige] vertoont geen fysiek agressief gedrag.
- De ouders belasten [minderjarige] niet met volwassen problematiek, zoals geweld in alle vormen.
- [minderjarige] is in staat om zijn emoties op een andere wijze te uiten, door bijvoorbeeld een time out te nemen.
- [minderjarige] en de ouders zorgen ervoor dat de thuissituatie dusdanig veilig blijft, waardoor
[minderjarige] thuis kan blijven wonen en zijn broer en zus zich veilig blijven voelen.
Momenteel gaat [minderjarige] op de woensdagen na school tot 20:00 uur naar huis. Van
vrijdagavond tot maandagochtend voor school is [minderjarige] ook thuis. Na school keert [minderjarige] terug naar de groep. Om de drie weken zal er gekeken worden, hoe de situatie ervoor staat en of [minderjarige] nog een extra nacht thuis kan zijn. Het is hierbij van belang dat de intensieve interculturele gezinsbegeleiding ook gestart is. De GI vindt een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nog noodzakelijk, zodat de thuisplaatsing op een goede wijze kan worden geborgd. Volgens de GI staat de ondersteuning van [naam 1] op punt van beginnen. Een terugkeer van [minderjarige] naar huis heeft meer kans van slagen, als dit rustig wordt opgebouwd en goed wordt begeleid. Niet alleen [minderjarige], maar ook de overige gezinsleden zullen weer aan elkaar moeten wennen. De GI hoopt dat er snel opgebouwd kan worden naar huis, maar dan moet wel de juiste hulp beschikbaar zijn. De GI gaat er van uit dat een termijn van drie maanden voldoende is, om het traject naar huis af te kunnen ronden.
4.2.
De moeder verklaart dat zij graag zou zien dat [minderjarige] weer thuis komt wonen. Zij vindt het belangrijk dat de stem van [minderjarige] en ook haar stem gehoord worden. [minderjarige] slaapt op een plaats waar hij zich niet veilig voelt. Hij zit niet gesloten, wat volgens de moeder betekent dat hij kan gaan en staan waar hij wil. Voor de uithuisplaatsing is [minderjarige] ambulant behandeld, welke behandeling helaas niet het gewenste resultaat heeft gehad.. De moeder hoopte dat [minderjarige] behandeling zou accepteren, als hij uit huis geplaatst zou zijn. Maar de uithuisplaatsing heeft alleen maar geleid tot boosheid en trauma’s bij [minderjarige]. [minderjarige] heeft de moeder beloofd dat hij aan behandeling zal meewerken, als hij weer thuis mag terugkeren. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zal volgens de moeder alleen maar leiden tot meer trauma’s. Er was afgesproken dat [minderjarige] in november 2024 weer naar huis zou gaan. Dat is al verlengd tot februari 2025. Als er nu weer verlengd wordt, zal dat [minderjarige] opnieuw beschadigen. De moeder verwijt de GI en de hulpverleners dat zij steeds van mening wisselen. Iedereen heeft een eigen idee en plan, wat leidt tot verwarring bij haar en [minderjarige]. De moeder vindt het belangrijk dat er aandacht is voor de culturele achtergrond van [minderjarige]. De moeder voelt zich schuldig voor wat [minderjarige] heeft moeten meemaken. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt in zijn leven en verliest zo het vertrouwen in mensen. De moeder gunt het [minderjarige], dat er naar hem geluisterd wordt en dat hij weer naar huis mag. Zij heeft het vertrouwen in de GI verloren, maar wil de hulp vanuit [naam 1] nog wel een kans geven. De moeder verwacht dat er nu stappen worden gezet met [minderjarige] en dat de uithuisplaatsing niet langer duurt dan echt noodzakelijk is. [minderjarige] moet de kans krijgen om te laten zien dat hij de behandeling accepteert en dat hij zich aan de afspraken zal houden. De moeder hoopt dat door verruiming van de dagen dat [minderjarige] thuis mag zijn, hij gaat meewerken aan de behandeling. De moeder kan instemmen met het verzoek van de GI, maar heeft wel de nadrukkelijke hoop dat het daarbij blijft.
Beoordeling
5.1.
In artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
In artikel 1:265c, tweede lid, BW is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de GI de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen.
5.2.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. [minderjarige] is opgegroeid in een opvoedsituatie, waarin sprake was van forse echtscheidingsproblematiek tussen de ouders. Deze problematiek heeft een negatieve weerslag gehad op [minderjarige]. [minderjarige] had en heeft veel boosheid in zich, wat zich uitte en nog steeds uit in verbaal en fysiek geweld. [minderjarige] heeft ook suïcidale gedachten gehad en hij is thuis weggelopen. De moeder, broer en zus van [minderjarige] hebben veel last gehad van het gedrag van [minderjarige] en zijn dagelijks geconfronteerd met verbale en fysieke agressie vanuit hem. In de thuissituatie bij de moeder hebben zich verschillende escalaties voorgedaan, waardoor [minderjarige] thuis niet meer te handhaven was. De GI heeft het gezin aangemeld voor een verklarende analyse. Uit deze analyse kwam naar voren dat opname van [minderjarige] op een behandelgroep noodzakelijk was, zodat hij daar aan zijn problematiek zou kunnen werken en dat hij daarna met de inzet van MST weer naar huis zou kunnen terugkeren. De plaatsing op de groep [accommodatie] heeft echter niet het gewenste verloop gehad. [minderjarige] is betrokken geraakt bij een aantal incidenten en is daarbij aangevallen met een mes, wat voor hem een ontzettend traumatische ervaring is geweest. [minderjarige] is mede hierdoor niet toegekomen aan traumabehandeling, welke noodzakelijk is om tot behandeling van zijn gedragsproblemen te komen. De kinderrechter betreurt dat [minderjarige] dit heeft moeten meemaken. Zij kan zich voorstellen dat het een enorme impact op hem heeft gehad en dat hij daardoor weinig ruimte heeft gehad om zich op zijn behandeling te kunnen richten en ook het vertrouwen in de hulp is verloren. Er is hierdoor echter een situatie ontstaan, waarbij [minderjarige] nog niet de behandeling heeft gehad die hij nodig heeft en er dus nog geen basis is op grond waarvan hij meteen terug naar huis zou kunnen gaan. Met de GI vindt de kinderrechter het belangrijk dat er met [minderjarige] wordt gewerkt aan een terugkeer naar huis, maar wel met de inzet van ambulante hulpverlening in de thuissituatie en met traumatherapie voor [minderjarige]. De GI heeft de verwachting dat dit traject binnen de komende drie maanden kan worden afgerond. Nu er al een opbouwende verlofregeling is, waarbij [minderjarige] steeds meer nachten per week thuis zal doorbrengen, is de kinderrechter van oordeel dat het het meest in het belang van [minderjarige] is, dat hij deze fase van zijn terugkeer naar huis, nog vanuit [accommodatie] zal doormaken. De kinderrechter zal het verzoek van de GI dan ook toewijzen, met dien verstande dat het gaat om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van drie maanden, waarbij hij in het weekend van vrijdag tot maandagochtend en op woensdag na school thuis doorbrengt en deze regeling steeds zal worden geëvalueerd en wordt uitgebreid, als dat mogelijk is.
5.3.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] zelf van haar te horen krijgt wat er in deze procedure wordt beslist maar ook dat de andere betrokkenen weten wat de kinderrechter hierover aan [minderjarige] terugkoppelt. Hierna zal de kinderrechter zich daarom tot [minderjarige] richten. Deze tekst zal worden overgenomen in een brief, die naar [minderjarige] wordt gestuurd.
“Beste [minderjarige],
Op 7 februari 2025 heb je met mij gesproken over het verzoek dat Jeugdbescherming Brabant over jou heeft gedaan. Ik heb je toen beloofd te laten weten wat mijn beslissing is en waarom.
Ik vind het heel knap hoe open je met mij hebt gesproken en hoe je woorden hebt gegeven aan jouw gevoel. Het incident op de groep bij [accommodatie] heeft een grote impact op jou gehad. Jouw verdriet en boosheid mogen er zijn. Ik snap dan ook dat je het liefst zo snel mogelijk, eigenlijk meteen, weer thuis gaat wonen.
Ik heb naast jou ook je moeder en de jeugdbeschermer gesproken. Iedereen is het erover eens dat het niet goed voor je is om nog langer bij [accommodatie], of op een andere groep, te wonen. De bedoeling is dan ook dat je met de nodige hulp weer terug thuis bij je moeder en je broertje en zusje kan wonen. Het is belangrijk dat jij toekomt aan stukje heling en dat iedereen zich veilig voelt. Daarvoor is het nodig dat je moeder hulp thuis krijgt ([naam 1]) en dat jij de voor jou nodige begeleiding (door [naam 2]) en hulp ([naam 1] en traumatherapie) krijgt. Om ervoor te zorgen dat het terug thuis wonen gaat lukken vind ik het nodig dat jullie kunnen wennen aan de nieuwe situatie, waarin je steeds een beetje vaker thuis bent. Er zal iemand meekijken om te zien hoe het gaat en wat daarin nodig is.
Ik heb daarom besloten dat de machtiging tot uithuisplaatsing met drie maanden, tot 22 mei 2025, deeltijds wordt verlengd. In de komende tijd zal je stapsgewijs werken aan terug thuis wonen. Dit betekent voor jou dat je voorlopig nog zowel op de groep blijft als bij je moeder. Bij je moeder is dat in ieder geval op woensdag en van vrijdagavond tot maandag en daar komt zodra [naam 1] begint steeds een beetje bij. In mijn beslissing omschrijf ik het zo dat je deels op de groep woont en dat je deels thuis woont. Ik besef mij goed dat dit niet is wat je had gehoopt, maar ik vind het wel het beste voor jou op deze manier.
Ik hoop dat mijn beslissing zo duidelijk voor je is. Bedankt voor het gesprek, [minderjarige]. Ik wens je veel goeds de komende tijd.”.
5.4.
De kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregelen, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 februari 2025 tot 22 mei 2025, waarbij geldt dat [minderjarige] in het weekend van vrijdag tot maandagochtend en op woensdag na school tot 20.00 uur thuis doorbrengt en deze regeling steeds zal worden geëvalueerd en wordt uitgebreid, als de GI dit mogelijk acht;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.