Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:3047
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,775 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11064284 \ CV EXPL 24-1348
Vonnis van 5 februari 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. D. Madrawski,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf van gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 31 juli 2024 met de daarin genoemde processtukken;
- het bericht van 12 december 2024 met aanvullende productie van [eiser];- de mondelinge behandeling van 17 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] bouwwerkzaamheden verricht aan badkamers, toiletten en keukens op verschillende adressen.
2.2.
Op 30 mei 2023 hebben partijen schriftelijke prijsafspraken gemaakt waarbij vaste bedragen zijn afgesproken per badkamer, toilet en keuken.
2.3.
In de periode van 31 mei 2023 tot en met 30 juni 2023 zijn door [eiser] in ieder geval 14 facturen aan [gedaagde] verzonden. [gedaagde] heeft 9 van deze facturen betaald. De overige 5 facturen heeft [gedaagde] onbetaald gelaten. Het gaat om een totaalbedrag van € 13.210,00.
2.4.
Per WhatsApp-berichten van 7 augustus 2023, 10 augustus 2023 en 14 augustus 2023 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht het openstaande bedrag alsnog te betalen.
2.5.
[gedaagde] heeft op zijn beurt 8 facturen met factuurdatum 12 augustus 2023 en een totaalbedrag van € 11.149,45 aan [eiser] verzonden. Op 15 augustus 2023 heeft [gedaagde] een bedrag van € 2.060,45 aan [eiser] betaald en heeft betwist het restant verschuldigd te zijn.
2.6.
Op 9 november 2023 en 16 december 2023 heeft de gemachtigde van [gedaagde] , als reactie op brieven van de gemachtigde van [eiser] van 24 oktober 2023 en 27 november 2023, de betwisting onderbouwd.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:
I. een bedrag van € 13.039,88 aan (restant) hoofdsom;
II. de wettelijke handelsrente over de (restant) hoofdsom van € 13.047,23 vanaf 17 maart 2024 tot de dag van volledige betaling;
III. de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis tot de dag van volledige betaling;
IV. het nasalaris en betekeningskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden uitgevoerd. Daarvoor is [gedaagde] betaling verschuldigd. De bedragen vloeien voort uit de prijsafspraken die partijen op 30 mei 2023 op papier hebben gezet. De facturen zijn niet betwist. De betaling door [gedaagde] op 15 augustus 2023 strekt o.g.v. artikel 6:44 Burgerlijk Wetboek (BW) eerst in mindering op de kosten, dan de rente en daarna pas op de hoofdsom. [eiser] heeft recht op betaling van de facturen plus rente en kosten.
3.3.
[gedaagde] betwist betaling van de facturen verschuldigd te zijn. [gedaagde] voert daartoe het volgende aan. Er zijn zowel op 12 mei 2023 als op 30 mei 2023 prijsafspraken gemaakt. De werkzaamheden die vóór 30 mei 2023 zijn uitgevoerd moeten worden gefactureerd aan de hand van de prijsafspraak van 12 mei 2023. Daarnaast is niet overeengekomen dat er een bedrag van € 200,00 exclusief btw extra zou worden gefactureerd voor grotere badkamers. Er is één prijs afgesproken. Er is in totaal een bedrag van € 4.235,00 te veel gefactureerd. Daarnaast heeft [gedaagde] gereedschap en bouwmaterialen aan [eiser] verhuurd en geleverd. Dit heeft € 1.146,48 gekost. [eiser] is tot slot tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst omdat het werk niet deugdelijk is uitgevoerd. [gedaagde] heeft daarom schade geleden en heeft deze zelf moeten herstellen. Deze schade wordt begroot op € 5.767,97.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Tussen partijen is allereerst in geschil welke tarieven er voor de werkzaamheden zijn afgesproken. Daarnaast staat ter discussie of [eiser] goed en deugdelijk werk heeft verricht en of [gedaagde] (herstel)kosten met de facturen van [eiser] kan verrekenen.
De prijs van het werk
4.2.
[gedaagde] voert allereerst aan dat [eiser] zich niet heeft gehouden aan de gemaakte afspraken met betrekking tot de tarieven. Volgens [gedaagde] zijn er niet alleen op 30 mei 2023 maar ook op 12 mei 2023 prijsafspraken gemaakt. [eiser] betwist dat er op 12 mei 2023 andere prijsafspraken zijn gemaakt. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. De prijsafspraken van 30 mei 2023 zijn schriftelijk vastgelegd. Andere stukken over prijsafspraken zijn er niet. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de prijsafspraken van 30 mei 2023 de enige geldende overeengekomen prijsafspraken zijn waartegen gefactureerd moet worden. Er is verder onvoldoende gebleken dat de prijsafspraken pas op 30 mei 2023 in zouden gaan. Het verweer van [gedaagde] wordt daarom gepasseerd.
4.3.
[gedaagde] betwist daarnaast dat er een bedrag van € 200,00 exclusief btw extra voor grotere badkamers is afgesproken, zoals [eiser] heeft gefactureerd. Ter zitting heeft [gedaagde] hierover nog aangevoerd dat er weliswaar over een extra bedrag is gesproken maar dat hij hier niet mee akkoord is gegaan. [gedaagde] heeft verder verklaard dat [eiser] dreigde niet verder te gaan met de werkzaamheden. Dit zou problemen voor [gedaagde] opleveren en dus heeft hij [eiser] de werkzaamheden verder laten uitvoeren. De kantonrechter overweegt hierover dat [eiser] er daardoor gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat tussen partijen wilsovereenstemming bestond over het bedrag van € 200,00 exclusief btw extra voor grotere badkamers. De kantonrechter weegt bij dit oordeel mee dat [gedaagde] zijn bezwaren niet direct kenbaar heeft gemaakt toen hij de facturen ontving waarop dit extra bedrag in rekening werd gebracht en dat hij meerdere van deze facturen zonder protest heeft betaald. Een voorbehoud bleef zelfs uit toen [eiser] begin augustus 2023 per WhatsApp-bericht om betaling van de openstaande facturen vroeg. [gedaagde] gaf destijds juist in een reactie aan dat hij de facturen die vrijdagavond zou betalen. Dit komt naar het oordeel van de kantonrechter neer op een erkenning van een betalingsverplichting van [gedaagde] uit hoofde van de facturen. In elk geval mocht [eiser] er in deze omstandigheden op vertrouwen dat tussen partijen wilsovereenstemming bestond over de aan [gedaagde] in rekening gebrachte kosten. Het verweer van [gedaagde] , dat hij met [eiser] heeft afgesproken dat er teveel voor de grote badkamers in rekening is gebracht en dat dit zou worden verrekend, wordt gepasseerd. [eiser] heeft betwist dat dit is afgesproken en nu [gedaagde] zijn standpunt onvoldoende heeft onderbouwd, wordt op dit punt niet aan bewijs toegekomen.
4.4.
Het voorgaande brengt met zich mee dat [gedaagde] een betalingsverplichting heeft ten aanzien van de facturen van [eiser].
Beroep op verrekening ex artikel 6:136 BW
4.5.
[gedaagde] stelt dat hij aan [eiser] gereedschap heeft verhuurd en bouwmaterialen heeft geleverd. [gedaagde] heeft daarvoor een factuur van € 1.146,48 opgemaakt en wenst dit te verrekenen met de facturen van [eiser]. [eiser] betwist dat hij gereedschap van [gedaagde] heeft gehuurd of bouwmaterialen van hem heeft ontvangen. Het ligt op de weg van [gedaagde] om dit met voldoende feiten en omstandigheden te onderbouwen. De kantonrechter is van oordeel dat hij dit onvoldoende heeft gedaan. De door [gedaagde] overgelegde audio opnamen zijn eenzijdige opnamen waaruit niet blijkt van enige afspraken omtrent huur en/of levering van materialen. Daarom is niet vast komen te staan dat [gedaagde] aan [eiser] gereedschap heeft verhuurd dan wel bouwmaterialen heeft geleverd. Een beroep op verrekening op grond van artikel 6:136 BW slaagt alleen als de gegrondheid daarvan op eenvoudige wijze is vast te stellen. Dat is hier niet het geval. [gedaagde] kan dan ook geen beroep doen op verrekening van het door hem hiervoor gefactureerde bedrag.
4.6.
Tot slot stelt [gedaagde] dat [eiser] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst wegens ondeugdelijke uitvoering van de werkzaamheden, wat [eiser] betwist. [gedaagde] stelt dat hij wegens de tekortkoming schade heeft geleden en dat hij deze schade zelf heeft moeten herstellen. Hij begroot het schadebedrag op € 5.767,97. Ook dit bedrag wenst hij te verrekenen met de facturen van [eiser].
4.7.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:74 BW is de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser lijdt als gevolg van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis te vergoeden. Indien nakoming nog mogelijk is, ontwikkelt een niet-nakoming zich eerst tot een tekortkoming, wanneer de schuldenaar in verzuim is gebracht. Voor verzuim is in beginsel een schriftelijke ingebrekestelling vereist. [gedaagde] had [eiser] dus schriftelijk op de hoogte moeten stellen van de gebreken en hem in de gelegenheid moeten stellen om de gebreken te verhelpen. Niet is gebleken dat [gedaagde] [eiser] schriftelijk in gebreke heeft gesteld. Er is ook geen beroep gedaan op één van de uitzonderingsbepalingen van artikel 6:83 BW. [eiser] is dan ook niet in verzuim komen te verkeren. Om die reden kan [gedaagde] geen bedrag voor de door hem gestelde schade met de facturen van [eiser] verrekenen.
De buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.8.
[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 907,10. Nu niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is [gedaagde] in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de contractuele betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van € 40,00 ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht.
4.9.
[eiser] vordert daarnaast een bedrag van € 950,58 aan verschenen rente tot en met 17 maart 2024. Ook vordert [eiser] de wettelijke handelsrente vanaf 18 maart 2024 tot de dag van volledige betaling. De gevorderde rente is als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar.
Tussentijdse betaling
4.10.
Op 15 augustus 2023 heeft [gedaagde] een bedrag van € 2.060,45 aan [eiser] betaald. Zoals [eiser] terecht stelt, strekt dit bedrag op grond van artikel 6:44 BW primair in mindering op de kosten, vervolgens op de rente en tot slot op de (oudste) hoofdsom. De buitengerechtelijke incassokosten bedragen € 40,00 en de verschenen rente over de openstaande factuurbedragen bedroeg op 15 augustus 2023 € 156,27. Dat betekent dat het overige, zijnde een bedrag van (€ 2.060,45 - € 40,00 - € 156,27 =) € 1.864,18 in mindering strekt op de hoofdsom.
Conclusie
4.11.
Nu het beroep op verrekening van [gedaagde] niet slaagt, zal de vordering van [eiser] tot betaling van zijn facturen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen tot de dag van volledige betaling. Daartoe strekt in mindering de tussentijdse betaling van [gedaagde] van 15 augustus 2023 ter hoogte van € 2.060,45, zodat op dat moment de hoofdsom (€ 13.210,00 - € 1.864,18 =) € 11.345,82 bedroeg. Dit bedrag aan hoofdsom zal dan ook worden toegewezen.
4.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,37
- griffierecht
€
1.409,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.468,37
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.345,82, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang van 15 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de proceskosten van € 2.468,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na aanschrijving. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025.