Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-24
ECLI:NL:RBZWB:2025:3040
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
10,190 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/432689 / FA RK 25-1159
datum uitspraak: 24 april 2025
beschikking
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. D.W.M. de Haan in Oosterhout
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. S.M.P.T. Ruijs-Kreté in Eindhoven,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1.
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 28 februari 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 2 april 2025 van de advocaat van de man ontvangen verweerschrift met de zelfstandig verzoeken met bijlagen;
- het op 7 april 2025 van de advocaat van de vrouw ontvangen verweerschrift op de zelfstandige verzoeken en aanvullende verzoeken van de man;
- de uittreksels uit het gezagsregister over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- het op 17 april 2025 van de advocaat van de man ontvangen e-mailbericht.
1.2.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 8 april 2025. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 februari 2020 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 28 februari 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2.
Tijdens het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.3.
[minderjarige 1] heeft het hoofdverblijf bij de man en [minderjarige 2] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.
2.4.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.5.
[minderjarige 2] heeft de ziekte tyrosinemie type 1.
2.6.
Partijen zijn op 6 mei 2024 een ouderschapsplan overeengekomen.
Hierin is onder meer het volgende afgesproken:
Momenteel verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gelijktijdig om-en-om, een week bij de vader en een week bij de moeder. De omgangsregeling loopt van donderdag tot donderdag. In de week van de omgang met de vader, heeft de moeder zich bereid verklaard [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op donderdag en vrijdag vanuit school naar de vader te brengen. De moeder zal daarvoor de reiskosten dragen, zodat er voor de vader geen extra kosten of reistijd zullen zijn. De ouders zijn overeengekomen dat de moeder de kinderen op die dagen uit school haalt en dat zij ervoor zorgt dat zij in ieder geval vóór 18:00 uur bij de vader zijn (dat wil zeggen vóór het avondeten). [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen, na overleg, ook eerder naar de vader gebracht worden. Deze afspraak hebben de ouders gemaakt, zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op die dagen, na schooltijd, ook kunnen afspreken met vriendjes. De locaties voor halen en brengen zijn de huizen van beide ouders of de school. De verjaardagen van de minderjarigen worden gevierd tijdens de omgangsregeling. De andere ouder kan op die dag bellen om te feliciteren. De vader verzorgt een verjaardagsfeestje voor [minderjarige 2] in de oneven jaren en de moeder voor [minderjarige 1] . In de even jaren draait dit om. De traktaties op school worden verzorgd door de ouder bij wie de jarige op dat moment tijdens de omgangsregeling is. Hiervan kan in overleg tussen beide ouders en met beider toestemming worden afgeweken. Over de viering van de verjaardagen van de beide ouders hebben zij eerst overleg. De verjaardag van de vader valt in de zomer en de verjaardag van de moeder kan op Hemelvaartsdag vallen. Beide ouders willen eraan
meewerken dat dit volgens de wens van beide ouders en de kinderen wordt geregeld.
De viering van verjaardagen van opa's en oma's en goede vrienden vindt plaats tijdens de omgangsregeling. Uitzonderingen zijn mogelijk, na toestemming van beide ouders. In overleg kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de verjaardagen van [naam 1] en [naam 2] aanwezig zijn. De ouders maken hierover één maand vóór de betreffende verjaardag afspraken via WhatsApp.
Vaderdag wordt met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gevierd bij de vader en Moederdag bij de moeder.
Het reguliere contact met familieleden en (goede) vrienden vindt plaats tijdens de omgangsregeling. In overleg en met toestemming van beide ouders, kan worden afgeweken van deze afspraak. Voor de schoolvakanties en de vrije dagen hebben de ouders een
evenredige verdeling afgesproken. Zij volgen daarbij, zoveel mogelijk, de omgangsregeling. Voor de zomervakantie hebben de ouders afgesproken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de oneven jaren de eerste drie weken bij de moeder zijn en de laatste drie weken bij de vader. In de even jaren draait dit om. Voor de Kerstvakantie volgen de ouders zoveel mogelijk de omgangsregeling. Met uitzondering van de Kerstdagen en Oud en Nieuw. In de even jaren zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de eerste Kerstdag bij de moeder en op tweede Kerstdag bij de vader. In diezelfde Kerstvakantie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op Oudejaarsavond bij de moeder tot Nieuwjaarsdag twee uur. Vanaf dat moment zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader. In de oneven jaren draait dit om.
3De verzoeken
3.1.
De vrouw verzoekt:
I. te bepalen dat de toestemming van de man aan de vrouw om met de minderjarigen van 27 april 2025 tot en met 4 mei 2025 op vakantie te gaan naar Spanje, Canarische eilanden, Gran Canaria, wordt vervangen door de toestemming van de rechtbank.
II. de man te veroordelen in de kosten van dit geding, omdat de vrouw door het
handelen van de man is genoodzaakt deze procedure te entameren.
Bij aanvullend verzoekschrift verzoekt de vrouw ook:
III. A) primair: te bepalen dat de man de kinderen op donderdag en vrijdag uit school
ophaalt om 14:00 uur en voor het overige de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals door hen neergelegd in het aan het ouderschapsplan van 6 mei 2024 als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd – met uitzondering van de regeling op donderdag en vrijdag ten aanzien van het brengen van de kinderen naar vader voor 18:00 uur - en het ouderschapsplan aan te hechten aan de in deze te wijzen beschikking;
B) subsidiair: te bepalen dat de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals door hen neergelegd in het ouderschapsplan van 6 mei 2024 als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd (en het ouderschapsplan aan te hechten aan de in deze te wijzen beschikking).
C) meer subsidiair: althans een door u in goede justitie te bepalen regeling.
3.2.
De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken van de vrouw af te wijzen bij gebrek aan belang, alsmede haar te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de man
Bij wijze van zelfstandig verzoek wordt verzocht:
I. om artikel 2 onder c‚ sub 1 van het ouderschapsplan van 6 mei 2024 zo te wijzigen:
Primair dat de vrouw de minderjarigen in de zorgweek van de man op woensdag- en
donderdagmiddag danwel op donderdag- en vrijdagmiddag uit school haalt en direct uit school naar het adres van de man dient te brengen.
Subsidiair dat ieder van partijen de minderjarigen in hun eigen zorgtijd uit school ophaalt waarbij de vrouw wordt veroordeeld aan de man een bedrag van € 154,22 per maand te betalen aan reistijd en reiskosten vanwege haar verhuizing naar Wijk en [woonplaats 1] .
II. Aan de man toestemming te verlenen - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw — voor de inzet van hulpverlening door [familiepraktijk] voor de [minderjarige 1] .
4De standpunten
4.1.
De vrouw heeft haar verzoek omtrent het verkrijgen van vervangende toestemming ingetrokken, omdat de man tijdens de mondelinge behandeling toestemming heeft verleend aan de vrouw om met de minderjarigen naar het buitenland te kunnen reizen. De man heeft vervolgens voor beide minderjarigen een ingevuld “formulier reizen met een minderjarig kind naar het buitenland” ondertekend.
4.2.
Nadat partijen hun standpunten ten aanzien van de verzoeken van de man mondeling hebben toegelicht, is de behandeling ter zitting voor enige tijd geschorst om hen in de gelegenheid te stellen overleg te voeren en een minnelijke regeling te treffen.
4.3.
Na hervatting van de behandeling zijn partijen het volgende overeengekomen.
Ten aanzien van de zorg voor [minderjarige 1] spreken partijen af, dat zij via Vraagwijzer een externe partij zullen zoeken, die gaat onderzoeken en vaststellen welke hulpvraag [minderjarige 1] heeft, rekening houdend met de diagnose ADHD en ernstige dyslexie. Partijen zullen niet met elkaar in discussie gaan over de voorgestelde hulpverlener. De man – bij wie [minderjarige 1] staat ingeschreven in het BRP – zorgt voor de aanmelding, waarna het traject zo snel mogelijk zal gaan starten.
Beoordeling
5.1.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind wenselijk vindt.
5.2.
In deze zaak zijn de artikelen 1:253a en 1:377e BW van toepassing.
5.3.
In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van een ouder een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens.
Vervangende toestemming buitenlandse reis/hulpverlening
5.4.
De rechtbank zal eerst de verzoeken over en weer, ten aanzien van het verkrijgen van vervangende toestemming voor het reizen naar het buitenland, dan wel voor de inzet van hulpverlening, afwijzen, nu partijen daarover overeenstemming hebben bereikt en hun belang bij de behandeling van deze verzoeken is komen te vervallen.
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
5.5.
De nog voorliggende verzoeken van partijen zien op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de minderjarigen op donderdag en vrijdag in de week van de man, alsmede om de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals door hen neergelegd in het ouderschapsplan van 6 mei 2024 als herhaald en ingelast te beschouwen en het ouderschapsplan aan te hechten aan de in deze te wijzen beschikking.
5.6.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. In de beschikking van 8 februari 2024 is 6.5. op dit punt overwogen:
“Ten aanzien van de donderdagen en vrijdagen — als het gaat om de week van de vader — heeft de moeder in haar aanvullende stukken aangegeven dat zij bereid is [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op die dagen vanuit school naar de vader te brengen. De rechtbank vindt het redelijk en passend dat de moeder in dat geval ook deze extra kosten draagt, zodat er voor de vader geen extra reistijd of extra kosten zullen zijn door de verhuizing van de moeder naar [woonplaats 1] . Al met al zal de door de moeder gewenste verhuizing dus geen gevolgen hebben voor de frequentie van het contact tussen de vader en de kinderen.”.
Partijen zijn, in aansluiting op deze beschikking, op dit punt het volgende overeengekomen in het ouderschapsplan, getekend op 6 mei 2024:
“In de week van de omgang met de vader, heeft de moeder zich bereid verklaard [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op donderdag en vrijdag vanuit school naar de vader te brengen. De moeder zal daarvoor de reiskosten dragen, zodat er voor de vader geen extra kosten of reistijd zullen zijn. De ouders zijn overeengekomen dat de moeder de kinderen op die dagen uit school haalt en dat zij ervoor zorgt dat zij in ieder geval vóór 18:00 uur bij de vader zijn (dat wil zeggen vóór het avondeten). [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen, na overleg, ook eerder naar de vader gebracht worden, Deze afspraak hebben de ouders gemaakt, zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op die dagen, na schooltijd, ook kunnen afspreken met vriendjes.”.
In de beschikking van 8 februari 2024 en in het ouderschapsplan van 6 mei 2024 is er voor de donderdag en de vrijdag in de week van de man steeds rekening gehouden voor de mogelijkheid voor de minderjarigen om ook op die dagen met vriendjes af te kunnen spreken.
5.7.
Volgens de man volgt [minderjarige 1] tennisles. De vereniging heeft die les verplaatst van woensdag naar de vrijdagmiddag om 15.30 uur, waardoor de man de vrouw heeft verzocht om [minderjarige 1] op vrijdagmiddag rechtstreeks uit school naar de man te brengen. De vrouw heeft dit geweigerd. De vrouw verzoekt op haar beurt om primair te bepalen dat de man de minderjarigen op donderdag en vrijdag uit school ophaalt en de overige tussen partijen gemaakte afspraken, zoals door hen neergelegd in het ouderschapsplan van 6 mei 2024 als herhaald en ingelast te beschouwen – met uitzondering van de regeling op donderdag en vrijdag ten aanzien van het brengen van de minderjarigen naar de man voor 18.00 uur – en het ouderschapsplan aan te hechten aan de beschikking. Subsidiair vraagt de vrouw om de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals door hen neergelegd in het ouderschapsplan van 6 mei 2024 als herhaald en ingelast te beschouwen en het ouderschapsplan aan te hechten aan de in deze te wijzen beschikking. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangeboden om de minderjarigen op donderdag uit school naar de man te brengen als zij geen speelafspraak hebben. De man kan volgens de vrouw de minderjarigen vervolgens op vrijdag uit school ophalen. De man heeft in het e-mailbericht van 17 april 2025 aangegeven dat hij niet instemt met dit voorstel. Partijen vragen de rechtbank om op dit punt een beslissing te nemen.
5.8.
De rechtbank moet op grond van de hem ter beschikking staande gegevens oordelen of en zo ja, in welk opzicht een wijziging van de eerdere beslissing of onderling afgesproken omgangsregeling gerechtvaardigd is. De rechtbank ziet in de argumenten van de man en de vrouw geen relevante wijziging van omstandigheden, op grond waarvan de door partijen overeengekomen regeling gewijzigd moet worden. Het beoefenen van een sport is een hobby en niet zodanig essentieel noodzakelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] , dat het een wijziging rechtvaardigt van het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan, (dat overigens niet zonder slag of stoot tot stand is gekomen). De vrouw geeft als argument voor haar aanvullend verzoek, dat de man de afspraken heeft gewijzigd en dat hij deze moet blijven nakomen. Ook hierin ziet de rechtbank geen gewijzigde omstandigheid om tot wijziging van de thans geldende regeling over te gaan. De rechtbank zal de verzoeken van de man en de vrouw zover ze op dit punt zien, dan ook afwijzen.
5.9.
Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende nog op.
5.10.
Partijen geven ieder een eigen uitleg aan de regeling voor de donderdag en de vrijdag in de week van de man. De rechtbank zal, ter verheldering van deze regeling, daarvoor de uitleg geven, die de rechtbank in haar beschikking en partijen zelf in hun ouderschapsplan voor ogen hebben gehad bij het opstellen daarvan. De rechtbank en partijen hebben steeds de bedoeling gehad dat, in het geval de minderjarigen na school met vriendjes willen afspreken, zij daarvoor de tijd moeten krijgen. Die tijd is zo omschreven dat de minderjarigen in ieder geval vóór 18.00 uur bij de man zijn. Dit betekent echter ook, dat als de minderjarigen geen speelafspraak hebben op die dagen, dat zij rechtstreeks uit school door de vrouw naar de man gebracht moeten worden. Het is niet de bedoeling dat de minderjarigen die tijd extra doorbrengen met de vrouw.
5.11.
De rechtbank merkt verder op dat in de beschikking van 8 februari 2025 nadrukkelijk is overwogen dat de vrouw in de zorgweek van de man het vervoer van de minderjarigen op donderdag en vrijdag naar de man regelt. Partijen hebben dit ook zo overgenomen in het ouderschapsplan van 6 mei 2024. Deze regelingen zijn met inachtneming van alle omstandigheden tot stand gekomen. Feitelijk haalt de man de minderjarigen sinds augustus/september 2024 de minderjarigen uit school op. Gelet op de (nog) slechte en gespannen verstandhouding tussen partijen geeft de rechtbank hen in overweging om zich voortaan te houden aan de regelingen zoals deze zijn overeengekomen in het ouderschapsplan. Het is dan voor partijen duidelijk aan welke afspraken zij zich te houden hebben en het zorgt er bovendien voor dat het ook voor de minderjarigen duidelijk is welke ouder er zorgt voor het vervoer.
Dictum
De rechtbank
bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte en door de griffier gewaarmerkt ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2025 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s- Hertogenbosch .
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/432689 / FA RK 25-1159
datum uitspraak: 24 april 2025
beschikking
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. D.W.M. de Haan in Oosterhout
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. S.M.P.T. Ruijs-Kreté in Eindhoven,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1.
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 28 februari 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 2 april 2025 van de advocaat van de man ontvangen verweerschrift met de zelfstandig verzoeken met bijlagen;
- het op 7 april 2025 van de advocaat van de vrouw ontvangen verweerschrift op de zelfstandige verzoeken en aanvullende verzoeken van de man;
- de uittreksels uit het gezagsregister over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- het op 17 april 2025 van de advocaat van de man ontvangen e-mailbericht.
1.2.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 8 april 2025. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 februari 2020 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 28 februari 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2.
Tijdens het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.3.
[minderjarige 1] heeft het hoofdverblijf bij de man en [minderjarige 2] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.
2.4.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.5.
[minderjarige 2] heeft de ziekte tyrosinemie type 1.
2.6.
Partijen zijn op 6 mei 2024 een ouderschapsplan overeengekomen.
Hierin is onder meer het volgende afgesproken:
Momenteel verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gelijktijdig om-en-om, een week bij de vader en een week bij de moeder. De omgangsregeling loopt van donderdag tot donderdag. In de week van de omgang met de vader, heeft de moeder zich bereid verklaard [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op donderdag en vrijdag vanuit school naar de vader te brengen. De moeder zal daarvoor de reiskosten dragen, zodat er voor de vader geen extra kosten of reistijd zullen zijn. De ouders zijn overeengekomen dat de moeder de kinderen op die dagen uit school haalt en dat zij ervoor zorgt dat zij in ieder geval vóór 18:00 uur bij de vader zijn (dat wil zeggen vóór het avondeten). [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen, na overleg, ook eerder naar de vader gebracht worden. Deze afspraak hebben de ouders gemaakt, zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op die dagen, na schooltijd, ook kunnen afspreken met vriendjes. De locaties voor halen en brengen zijn de huizen van beide ouders of de school. De verjaardagen van de minderjarigen worden gevierd tijdens de omgangsregeling. De andere ouder kan op die dag bellen om te feliciteren. De vader verzorgt een verjaardagsfeestje voor [minderjarige 2] in de oneven jaren en de moeder voor [minderjarige 1] . In de even jaren draait dit om. De traktaties op school worden verzorgd door de ouder bij wie de jarige op dat moment tijdens de omgangsregeling is. Hiervan kan in overleg tussen beide ouders en met beider toestemming worden afgeweken. Over de viering van de verjaardagen van de beide ouders hebben zij eerst overleg. De verjaardag van de vader valt in de zomer en de verjaardag van de moeder kan op Hemelvaartsdag vallen. Beide ouders willen eraan
meewerken dat dit volgens de wens van beide ouders en de kinderen wordt geregeld.
De viering van verjaardagen van opa's en oma's en goede vrienden vindt plaats tijdens de omgangsregeling. Uitzonderingen zijn mogelijk, na toestemming van beide ouders. In overleg kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de verjaardagen van [naam 1] en [naam 2] aanwezig zijn. De ouders maken hierover één maand vóór de betreffende verjaardag afspraken via WhatsApp.
Vaderdag wordt met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gevierd bij de vader en Moederdag bij de moeder.
Het reguliere contact met familieleden en (goede) vrienden vindt plaats tijdens de omgangsregeling. In overleg en met toestemming van beide ouders, kan worden afgeweken van deze afspraak. Voor de schoolvakanties en de vrije dagen hebben de ouders een
evenredige verdeling afgesproken. Zij volgen daarbij, zoveel mogelijk, de omgangsregeling. Voor de zomervakantie hebben de ouders afgesproken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de oneven jaren de eerste drie weken bij de moeder zijn en de laatste drie weken bij de vader. In de even jaren draait dit om. Voor de Kerstvakantie volgen de ouders zoveel mogelijk de omgangsregeling. Met uitzondering van de Kerstdagen en Oud en Nieuw. In de even jaren zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de eerste Kerstdag bij de moeder en op tweede Kerstdag bij de vader. In diezelfde Kerstvakantie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op Oudejaarsavond bij de moeder tot Nieuwjaarsdag twee uur. Vanaf dat moment zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader. In de oneven jaren draait dit om.
3De verzoeken
3.1.
De vrouw verzoekt:
I. te bepalen dat de toestemming van de man aan de vrouw om met de minderjarigen van 27 april 2025 tot en met 4 mei 2025 op vakantie te gaan naar Spanje, Canarische eilanden, Gran Canaria, wordt vervangen door de toestemming van de rechtbank.
II. de man te veroordelen in de kosten van dit geding, omdat de vrouw door het
handelen van de man is genoodzaakt deze procedure te entameren.
Bij aanvullend verzoekschrift verzoekt de vrouw ook:
III. A) primair: te bepalen dat de man de kinderen op donderdag en vrijdag uit school
ophaalt om 14:00 uur en voor het overige de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals door hen neergelegd in het aan het ouderschapsplan van 6 mei 2024 als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd – met uitzondering van de regeling op donderdag en vrijdag ten aanzien van het brengen van de kinderen naar vader voor 18:00 uur - en het ouderschapsplan aan te hechten aan de in deze te wijzen beschikking;
B) subsidiair: te bepalen dat de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals door hen neergelegd in het ouderschapsplan van 6 mei 2024 als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd (en het ouderschapsplan aan te hechten aan de in deze te wijzen beschikking).
C) meer subsidiair: althans een door u in goede justitie te bepalen regeling.
3.2.
De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken van de vrouw af te wijzen bij gebrek aan belang, alsmede haar te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de man
Bij wijze van zelfstandig verzoek wordt verzocht:
I. om artikel 2 onder c‚ sub 1 van het ouderschapsplan van 6 mei 2024 zo te wijzigen:
Primair dat de vrouw de minderjarigen in de zorgweek van de man op woensdag- en
donderdagmiddag danwel op donderdag- en vrijdagmiddag uit school haalt en direct uit school naar het adres van de man dient te brengen.
Subsidiair dat ieder van partijen de minderjarigen in hun eigen zorgtijd uit school ophaalt waarbij de vrouw wordt veroordeeld aan de man een bedrag van € 154,22 per maand te betalen aan reistijd en reiskosten vanwege haar verhuizing naar Wijk en [woonplaats 1] .
II. Aan de man toestemming te verlenen - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw — voor de inzet van hulpverlening door [familiepraktijk] voor de [minderjarige 1] .
4De standpunten
4.1.
De vrouw heeft haar verzoek omtrent het verkrijgen van vervangende toestemming ingetrokken, omdat de man tijdens de mondelinge behandeling toestemming heeft verleend aan de vrouw om met de minderjarigen naar het buitenland te kunnen reizen. De man heeft vervolgens voor beide minderjarigen een ingevuld “formulier reizen met een minderjarig kind naar het buitenland” ondertekend.
4.2.
Nadat partijen hun standpunten ten aanzien van de verzoeken van de man mondeling hebben toegelicht, is de behandeling ter zitting voor enige tijd geschorst om hen in de gelegenheid te stellen overleg te voeren en een minnelijke regeling te treffen.
4.3.
Na hervatting van de behandeling zijn partijen het volgende overeengekomen.
Ten aanzien van de zorg voor [minderjarige 1] spreken partijen af, dat zij via Vraagwijzer een externe partij zullen zoeken, die gaat onderzoeken en vaststellen welke hulpvraag [minderjarige 1] heeft, rekening houdend met de diagnose ADHD en ernstige dyslexie. Partijen zullen niet met elkaar in discussie gaan over de voorgestelde hulpverlener. De man – bij wie [minderjarige 1] staat ingeschreven in het BRP – zorgt voor de aanmelding, waarna het traject zo snel mogelijk zal gaan starten.
Beoordeling
5.1.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind wenselijk vindt.
5.2.
In deze zaak zijn de artikelen 1:253a en 1:377e BW van toepassing.
5.3.
In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van een ouder een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens.
Vervangende toestemming buitenlandse reis/hulpverlening
5.4.
De rechtbank zal eerst de verzoeken over en weer, ten aanzien van het verkrijgen van vervangende toestemming voor het reizen naar het buitenland, dan wel voor de inzet van hulpverlening, afwijzen, nu partijen daarover overeenstemming hebben bereikt en hun belang bij de behandeling van deze verzoeken is komen te vervallen.
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
5.5.
De nog voorliggende verzoeken van partijen zien op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de minderjarigen op donderdag en vrijdag in de week van de man, alsmede om de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals door hen neergelegd in het ouderschapsplan van 6 mei 2024 als herhaald en ingelast te beschouwen en het ouderschapsplan aan te hechten aan de in deze te wijzen beschikking.
5.6.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. In de beschikking van 8 februari 2024 is 6.5. op dit punt overwogen:
“Ten aanzien van de donderdagen en vrijdagen — als het gaat om de week van de vader — heeft de moeder in haar aanvullende stukken aangegeven dat zij bereid is [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op die dagen vanuit school naar de vader te brengen. De rechtbank vindt het redelijk en passend dat de moeder in dat geval ook deze extra kosten draagt, zodat er voor de vader geen extra reistijd of extra kosten zullen zijn door de verhuizing van de moeder naar [woonplaats 1] . Al met al zal de door de moeder gewenste verhuizing dus geen gevolgen hebben voor de frequentie van het contact tussen de vader en de kinderen.”.
Partijen zijn, in aansluiting op deze beschikking, op dit punt het volgende overeengekomen in het ouderschapsplan, getekend op 6 mei 2024:
“In de week van de omgang met de vader, heeft de moeder zich bereid verklaard [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op donderdag en vrijdag vanuit school naar de vader te brengen. De moeder zal daarvoor de reiskosten dragen, zodat er voor de vader geen extra kosten of reistijd zullen zijn. De ouders zijn overeengekomen dat de moeder de kinderen op die dagen uit school haalt en dat zij ervoor zorgt dat zij in ieder geval vóór 18:00 uur bij de vader zijn (dat wil zeggen vóór het avondeten). [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen, na overleg, ook eerder naar de vader gebracht worden, Deze afspraak hebben de ouders gemaakt, zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op die dagen, na schooltijd, ook kunnen afspreken met vriendjes.”.
In de beschikking van 8 februari 2024 en in het ouderschapsplan van 6 mei 2024 is er voor de donderdag en de vrijdag in de week van de man steeds rekening gehouden voor de mogelijkheid voor de minderjarigen om ook op die dagen met vriendjes af te kunnen spreken.
5.7.
Volgens de man volgt [minderjarige 1] tennisles. De vereniging heeft die les verplaatst van woensdag naar de vrijdagmiddag om 15.30 uur, waardoor de man de vrouw heeft verzocht om [minderjarige 1] op vrijdagmiddag rechtstreeks uit school naar de man te brengen. De vrouw heeft dit geweigerd. De vrouw verzoekt op haar beurt om primair te bepalen dat de man de minderjarigen op donderdag en vrijdag uit school ophaalt en de overige tussen partijen gemaakte afspraken, zoals door hen neergelegd in het ouderschapsplan van 6 mei 2024 als herhaald en ingelast te beschouwen – met uitzondering van de regeling op donderdag en vrijdag ten aanzien van het brengen van de minderjarigen naar de man voor 18.00 uur – en het ouderschapsplan aan te hechten aan de beschikking. Subsidiair vraagt de vrouw om de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals door hen neergelegd in het ouderschapsplan van 6 mei 2024 als herhaald en ingelast te beschouwen en het ouderschapsplan aan te hechten aan de in deze te wijzen beschikking. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangeboden om de minderjarigen op donderdag uit school naar de man te brengen als zij geen speelafspraak hebben. De man kan volgens de vrouw de minderjarigen vervolgens op vrijdag uit school ophalen. De man heeft in het e-mailbericht van 17 april 2025 aangegeven dat hij niet instemt met dit voorstel. Partijen vragen de rechtbank om op dit punt een beslissing te nemen.
5.8.
De rechtbank moet op grond van de hem ter beschikking staande gegevens oordelen of en zo ja, in welk opzicht een wijziging van de eerdere beslissing of onderling afgesproken omgangsregeling gerechtvaardigd is. De rechtbank ziet in de argumenten van de man en de vrouw geen relevante wijziging van omstandigheden, op grond waarvan de door partijen overeengekomen regeling gewijzigd moet worden. Het beoefenen van een sport is een hobby en niet zodanig essentieel noodzakelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] , dat het een wijziging rechtvaardigt van het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan, (dat overigens niet zonder slag of stoot tot stand is gekomen). De vrouw geeft als argument voor haar aanvullend verzoek, dat de man de afspraken heeft gewijzigd en dat hij deze moet blijven nakomen. Ook hierin ziet de rechtbank geen gewijzigde omstandigheid om tot wijziging van de thans geldende regeling over te gaan. De rechtbank zal de verzoeken van de man en de vrouw zover ze op dit punt zien, dan ook afwijzen.
5.9.
Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende nog op.
5.10.
Partijen geven ieder een eigen uitleg aan de regeling voor de donderdag en de vrijdag in de week van de man. De rechtbank zal, ter verheldering van deze regeling, daarvoor de uitleg geven, die de rechtbank in haar beschikking en partijen zelf in hun ouderschapsplan voor ogen hebben gehad bij het opstellen daarvan. De rechtbank en partijen hebben steeds de bedoeling gehad dat, in het geval de minderjarigen na school met vriendjes willen afspreken, zij daarvoor de tijd moeten krijgen. Die tijd is zo omschreven dat de minderjarigen in ieder geval vóór 18.00 uur bij de man zijn. Dit betekent echter ook, dat als de minderjarigen geen speelafspraak hebben op die dagen, dat zij rechtstreeks uit school door de vrouw naar de man gebracht moeten worden. Het is niet de bedoeling dat de minderjarigen die tijd extra doorbrengen met de vrouw.
5.11.
De rechtbank merkt verder op dat in de beschikking van 8 februari 2025 nadrukkelijk is overwogen dat de vrouw in de zorgweek van de man het vervoer van de minderjarigen op donderdag en vrijdag naar de man regelt. Partijen hebben dit ook zo overgenomen in het ouderschapsplan van 6 mei 2024. Deze regelingen zijn met inachtneming van alle omstandigheden tot stand gekomen. Feitelijk haalt de man de minderjarigen sinds augustus/september 2024 de minderjarigen uit school op. Gelet op de (nog) slechte en gespannen verstandhouding tussen partijen geeft de rechtbank hen in overweging om zich voortaan te houden aan de regelingen zoals deze zijn overeengekomen in het ouderschapsplan. Het is dan voor partijen duidelijk aan welke afspraken zij zich te houden hebben en het zorgt er bovendien voor dat het ook voor de minderjarigen duidelijk is welke ouder er zorgt voor het vervoer.
Dictum
De rechtbank
bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte en door de griffier gewaarmerkt ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2025 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s- Hertogenbosch .