Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-05-01
ECLI:NL:RBZWB:2025:3012
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,029 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/433296 / JE RK 25-534
Datum uitspraak: 1 mei 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 maart 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 april 2025. Daarbij was
een vertegenwoordigster van de GI aanwezig.
[minderjarige] en haar ouders hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om hun mening over het verzoek kenbaar te maken. Zij waren daartoe wel juist opgeroepen.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 november 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 mei 2025 en een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 12 februari 2025.
2.3.
[minderjarige] woont weer bij haar ouders.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt
4.1.
Volgens de GI is verlenging van de ondertoezichtstelling nog nodig, omdat er nog grote zorgen zijn over het systeem, de veiligheid thuis, het sociale netwerk van [minderjarige] , haar zelfbepalende gedrag, drugsgebruik en schoolverzuim. De GI heeft geen zicht op de thuissituatie en de sociale activiteiten van [minderjarige] . Er is evenmin zicht op haar welbevinden of op eventueel drugsgebruik. In de periode dat [minderjarige] bij [accommodatie] heeft verbleven, heeft zij geen behandeling gehad. De GI heeft regelmatig telefonisch contact met de moeder van [minderjarige] , maar ook zij heeft weinig zicht op wat [minderjarige] doet. De ouders geven aan de GI aan dat alles goed gaat, maar de GI betwijfelt of dit daadwerkelijk ook zo is. Volgens de GI is de hulpverlening vanuit [psychotherapeut] dringend noodzakelijk voor [minderjarige] en haar ouders, maar is deze nog niet opgestart omdat de financiering nog niet geregeld is. Verder is belangrijk dat [minderjarige] weer gaat beginnen met school. Volgens de GI is het dan ook nog noodzakelijk dat deze instabiele factoren een frequente monitoring vragen. De GI vraagt om verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar.
Beoordeling
5.1.
In artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.
In artikel 1:260, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 255 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat het haar ouders niet lukt om deze dreiging in het vrijwillig kader weg te nemen. [minderjarige] is vanwege forse gedragsproblemen gesloten geplaatst bij [accommodatie] . [minderjarige] bleef langere periodes van huis weg en begaf zich daarbij in risicovolle situaties. Zij ging en gaat nog steeds niet naar school. Ook was er in het gezin van [minderjarige] sprake van forse (fysieke) escalaties tussen [minderjarige] en haar broer en haar vader. Het is voor [minderjarige] en haar ouders noodzakelijk dat [psychotherapeut] wordt ingezet, maar dit is tot op heden niet gebeurd. Met de GI is de kinderrechter van oordeel dat er in het gezin van [minderjarige] nog te veel onzekere en instabiele factoren aanwezig zijn, waardoor het risico dat [minderjarige] terugvalt in het oude gedrag, zeer groot is. Hulpverlening en regievoering blijkt dus nodig. De kinderrechter verwacht evenwel dat de GI zich nog meer gaat inspannen om de hulpverlening vanuit [psychotherapeut] op te starten. Het kan niet zo zijn dat een minderjarige verstoken blijft van de voor haar noodzakelijke hulpverlening, omdat de financiering om allerlei bureaucratische redenen niet rond komt.
5.3.
De kinderrechter verlengt gezien het voorgaande de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. Er is aan de wettelijke vereisten voldaan.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 12 mei 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2025, in tegenwoordigheid van Joosen, griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.