Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-06
ECLI:NL:RBZWB:2025:30
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,134 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/6046
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: mr. J.W. Vugts),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hilvarenbeek, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van 21 november 2022. Hij heeft het beroep ingetrokken nadat de heffingsambtenaar op 13 september 2023 een compromisvoorstel heeft gedaan aan belanghebbende.
1.1.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank meegedeeld dat een veroordeling in de proceskosten onderdeel uitmaakt van het compromisvoorstel. De heffingsambtenaar gaat akkoord met het vergoeden van de gemaakte proceskosten en het door belanghebbende betaalde griffierecht.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. Belanghebbende heeft het beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsprocedure. De heffingsambtenaar heeft aangegeven akkoord te zijn met het vergoeden hiervan. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te beslissen en wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Belanghebbende krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen.
Welk bedrag aan proceskosten moet de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoeden?
3. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft in de bezwaarprocedure een bezwaarschrift ingediend en een hoorzitting bijgewoond. De kosten voor de bezwaarprocedure stelt de rechtbank vast op € 1.294,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van een hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,- en wegingsfactor 1). De gemachtigde heeft ook een beroepschrift ingediend. De kosten voor de beroepsprocedure stelt de rechtbank vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.201,-.
Krijgt belanghebbende een vergoeding van het griffierecht?
4. De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden.Belanghebbende moet zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 2.201,- aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 6 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Conform Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.