Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-04
ECLI:NL:RBZWB:2025:2983
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bodemzaak
2,355 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Breda
zaak/rolnr.: 11540647 OV VERZ 25-583
beschikking d.d. 4 april 2025
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [woonadres] ,
verzoekende partij,
procederend in persoon,
tegen:
1INOS, stichting katholiek onderwijs Breda,
gevestigd te (4814 DC) Breda aan het adres Reduitlaan 31,
2. [verweerder 2],
kantoorhoudende te [adres 1] ,
3. [verweerder 3],
kantoorhoudende te [adres 2] ,
4. [verweerder 4],
kantoorhoudende te [adres 2] ,
verwerende partijen,
(nog) niet verschenen.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als ‘ [verzoeker] ’, ‘INOS’, ‘ [verweerder 2] ’, ‘ [verweerder 3] ’ en ‘ [verweerder 4] ’.
1Het verloop van het geding
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
het op 5 februari 2025 ter griffie ontvangen verzoekschrift met producties;
het e-mailbericht van [verzoeker] van 6 februari 2025 met één productie;
het e-mailbericht van [verzoeker] van 7 februari 2025 met één productie;
het op 21 maart 2025 ter griffie ontvangen verzoekschrift om de onderhavige zaak achter gesloten deuren te behandelen en alle betrokkenen te verbieden de informatie die betrekking heeft op de straf-, familie- en jeugdrechtzaak van [verzoeker] en diens minderjarige dochter met derden te delen met één productie;
de e-mailberichten van [verzoeker] van 22 maart 2025 met producties;
het op 23 maart 2025 ter griffie ontvangen verzoekschrift om toestemming voor het maken van een geluidsopname tijdens de zitting te maken;
het e-mailbericht van [verzoeker] van 26 maart 2025 met twee nieuwe verzoeken met producties;
het e-mailbericht van 28 maart 2025 met vragen en producties.
2. Het verzoek en de beoordeling
2.1
In zijn eerste verzoekschrift verzoekt [verzoeker] :
a. INOS te veroordelen wegens inbreuk op het informatierecht van [verzoeker] ;
b. INOS op laste van een dwangsom te veroordelen tot het honoreren van het informatierecht van verzoeker;
c. INOS te veroordelen wegens onrechtmatig handelen inzake de familierechtzaak en het ouderschapsplan van [verzoeker] en de moeder van zijn minderjarige dochter;
d. INOS te veroordelen wegens oneigenlijk gebruik van het vonnis in kort geding;
e. [verweerder 2] wegens onbewezen strafrechtelijke beschuldigingen en het verzwijgen van belang zijnde informatie uit diens functie te ontheffen;
f. [verweerder 3] wegens medeplichtigheid aan nalatigheid te veroordelen inzake het informatierecht van [verzoeker] ;
g. [verweerder 4] te veroordelen wegens medeplichtigheid van het oneigenlijk gebruik van het vonnis in kort geding;
h. INOS, [verweerder 2] , [verweerder 3] en [verweerder 4] te veroordelen in de proceskosten;
i. de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Verzoeken onder a. en b.
2.2
De kantonrechter begrijpt de verzoeken van [verzoeker] onder a. en b. als een verzoek, zoals bedoeld in artikel 1:377c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.3
Op grond van voornoemd artikel dient een dergelijk verzoek te worden beoordeeld door een rechter van het Team Familie & Jeugd van de onderhavige rechtbank. De kantonrechter is dan ook voornemens het verzoek te verwijzen naar voornoemd team. Alvorens daartoe over te gaan, stelt de kantonrechter [verzoeker] in de gelegenheid zich hierover uit te laten.
2.4
De kantonrechter wijst [verzoeker] er voor de volledigheid op dat hij zich na verwijzing zal moeten laten vertegenwoordigen door een advocaat. Ook zal er een hoger griffierecht in rekening worden gebracht.
Verzoeken onder c., d., f. en g.
2.5
De kantonrechter overweegt dat de verzoeken van [verzoeker] zijn te kwalificeren als verklaringen voor recht als bedoeld in artikel 3:302 BW, dan wel vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 lid 1 BW. Dit zijn echter vorderingen en geen verzoeken. Dit betekent dat [verzoeker] de procedure niet aanhangig kan maken met een verzoekschrift. Hij had een dagvaarding uit moeten brengen. De kantonrechter zal hem, gelet op het bepaalde in artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de gelegenheid stellen om het inleidend processtuk te verbeteren in die zin dat hij op zijn kosten INOS, [verweerder 3] en [verweerder 4] bij deurwaardersexploot dagvaardt tegen de hierna genoemde roldatum.
2.6
De kantonrechter wijst [verzoeker] erop dat hij bij het verbeteren van het processtuk rekening dient te houden met de bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot betekeningsvoorschriften en de inhoud van de dagvaarding.
Verzoek onder e.
2.7
De kantonrechter begrijpt uit het verzoek van [verzoeker] onder e. dat hij ontslag vraagt van [verweerder 2] als bestuurder van de stichting. Voor zover dat juist is overweegt de kantonrechter het volgende.
2.8
Op grond van artikel 2:298 lid 1 BW kan een bestuurder van een stichting door de rechtbank worden ontslagen op verzoek van het openbaar ministerie of iedere belanghebbende als de bestuurder (onder andere) iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten, dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer.
2.9
Het feit dat de rechtbank bevoegd is op een dergelijk verzoek te beslissen betekent dat de kantonrechter niet bevoegd is op het verzoek te beslissen, maar – kort gezegd – de handelsrechter van de onderhavige rechtbank. De kantonrechter is dan ook voornemens het verzoek te verwijzen naar Cluster II handelszaken van het team Civiel van de onderhavige rechtbank. Alvorens daartoe over te gaan, stelt de kantonrechter [verzoeker] in de gelegenheid zich hierover uit te laten.
2.10
De kantonrechter wijst [verzoeker] er voor de volledigheid op dat hij zich ook bij de handelsrechter zal moeten laten vertegenwoordigen door een advocaat. Ook is er een hoger griffierecht van toepassing.
Vervolg?
2.11
De kantonrechter zal de zaak verwijzen naar de hierna te noemen rolzitting voor de aanpassing van het processtuk en het opnieuw oproepen van INOS, [verweerder 3] en [verweerder 4] , zoals overwogen onder 2.5 en 2.6. Daarnaast zal de kantonrechter [verzoeker] in de gelegenheid stellen om binnen twee weken na heden te reageren op het voornemen, genoemd in overweging 2.3 en 2.9.
2.12
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Nieuwe verzoeken en gestelde vragen
2.13
In de e-mailberichten van [verzoeker] zijn twee nieuwe verzoeken tegen een andere partij, dan wel gericht aan een andere rechter, aangetroffen. Deze zullen afzonderlijk worden behandeld.
2.14
Tot slot zijn in het laatste e-mailbericht van [verzoeker] een aantal vragen opgenomen, die niet op de onderhavige rechtbank, het onderhavige team of de onderhavige procedure zien. Deze vallen dus buiten het bestek van deze procedure. De kantonrechter gaat daaraan voorbij.
Dictum
De kantonrechter:
Verzoeken onder c., d., f. en g
3.1
stelt [verzoeker] in de gelegenheid om op zijn h kosten over te gaan tot verbetering van het inleidende processtuk;
3.2
verwijst de zaak hiertoe naar de rolzitting van woensdag 30 april 2025 te 10.00 uur;
3.3
stelt [verzoeker] in de gelegenheid om met inachtneming van de wettelijke termijnen tegen de hiervoor genoemde datum en tijd INOS, [verweerder 3] en [verweerder 4] te dagvaarden onder betekening van deze beslissing en van het inleidend verzoekschrift en vervolgens het exploot van dagvaarding uiterlijk één dag eerder dan voornoemde roldatum ter inschrijving op de rol aan de griffie aan te bieden;
3.4
beveelt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;
3.5
stelt [verzoeker] in de gelegenheid haar stellingen aan te passen aan de voor de dagvaardingsprocedure toepasselijke procesregels;
Verzoek onder a., b. en e.
3.6
stelt [verzoeker] in de gelegenheid om binnen twee weken na heden te reageren op het voornemen, genoemd in overweging 2.3 en 2.9;
3.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.