Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-05-13
ECLI:NL:RBZWB:2025:2901
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,961 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/435229 / JE RK 25-862
Datum uitspraak: 13 mei 2025
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
, hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in haar beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 13 mei 2025.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 22 december 2020 zijn [de minderjarige] en haar zusjes [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 22 december 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt, naar de kinderrechter begrijpt om [de minderjarige] met spoed gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling en deze beslissing onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbende. Tevens verzoekt de GI de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Beoordeling
4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De GI stelt dat er al langere tijd zorgen zijn omtrent de ontwikkeling van [de minderjarige] en het gedrag dat zij in de thuissituatie laat zien. [de minderjarige] is de afgelopen periode in behandeling geweest via MST-CAN in combinatie met het TPO-traject. Binnen dit traject is geconcludeerd dat [de minderjarige] baat heeft bij een residentiële behandelsetting, waar zij passende zorg en structuur geboden krijgt. [de minderjarige] kent hevige woede-uitbarstingen, die zorgen voor zowel onveiligheid in haar omgeving als voor zichzelf. Er zijn verschillende instanties betrokken bij het gezin, maar deze hulpverlening stagneert door de complexe thuissituatie en de beperkte belastbaarheid van de moeder. De dagbesteding van [de minderjarige] heeft recentelijk aangegeven dat zij de zorg van [de minderjarige] na de zomervakantie niet meer kunnen dragen, aangezien [de minderjarige] voortdurend op zoek lijkt naar reactie van haar begeleiders en daarbij met regelmaat de grenzen overschrijdt. Op dit moment biedt de thuissituatie haar onvoldoende veiligheid, stabiliteit en rust. De GI vindt een time-outplaatsing bij “ [accommodatie] ” nodig voor [de minderjarige] om haar te helpen tot rust te komen en om aan haar gedragsproblemen te werken.
4.2.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
4.3.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . De kinderrechter overweegt hiertoe dat de moeder vandaag heeft aangegeven de zorg over [de minderjarige] niet langer aan te kunnen. De escalaties blijven terugkomen. [de minderjarige] is zelfbepalend en laat niet aan de moeder weten waar zij verblijft. Daarnaast heeft [de minderjarige] in de afgelopen weken fysieke agressie getoond naar de moeder en haar zusjes en heeft zij meermaals schade toegebracht aan spullen in de woning. Naar het oordeel van de kinderrechter komt de veiligheid van [de minderjarige] en haar omgeving ernstig in het geding en is het op dit moment niet verantwoord dat [de minderjarige] nog langer in de thuissituatie verblijft. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen, voor de duur van twee weken tot 27 mei 2025. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden.
4.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.5.
Een verdere beslissing op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat het verzoek mondeling is behandeld. Deze mondelinge behandeling zal plaatsvinden op [datum] 2025 om [uur] . Het eerder ingediende verzoek van de GI met betrekking tot een machtiging tot uithuisplaatsing, bekend onder zaaknr. C/02/434334 / JE RK 25-707, zal dan eveneens worden behandeld. [de minderjarige] zal voorafgaand aan de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld worden om haar mening kenbaar te maken. Zij zal bij afzonderlijke brief een uitnodiging ontvangen voor een gesprek met de kinderrechter.
Dictum
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 13 mei 2025 tot 27 mei 2025;
5.2.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.4.
roept de GI en de moeder op voor de zitting van mr. Zuijdweg op [datum] 2025 om [uur] (duur 60 minuten) in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
5.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.6.
bepaalt dat [de minderjarige] bij aparte brief wordt uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2025 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).