Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-05-12
ECLI:NL:RBZWB:2025:2832
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,445 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/2480
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 8 januari 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende met dagtekening 15 november 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [nummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 29 april 2025 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
2. De auto met kenteken [kenteken] stond op 1 november 2022 omstreeks 14:35 uur stil aan de Middellaan te Breda. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding van deze constatering is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 59,80 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,30 en € 57,50 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de aanslag parkeerbelasting terecht opgelegd en zijn de kosten niet te hoog. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader van de rechtbank
4. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening parkeerbelastingen Breda 2022 (de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
4.1.
Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 15 november 2022 geparkeerd stond aan de Middellaan te Breda en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Belanghebbende heeft ook niet betwist dat geen parkeerbelasting is voldaan. Belanghebbende stelt slechts dat de heffingsambtenaar een te hoog bedrag aan kosten in rekening heeft gebracht, dat dit een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid is en dat daarom recht bestaat op een proceskostenvergoeding.
4.2.
De rechtbank volgt het betoog van belanghebbende niet. Belanghebbende verwijst ten onrechte naar de Verordening parkeerbelastingen 2023 terwijl niet is geschil is dat het feit is constateert in 2022. In de Verordening staat dat de kosten van de naheffingsaanslag € 57,90 bedragen, terwijl aan belanghebbende € 57,50 aan kosten zijn opgelegd. Dat is dus niet te hoog. Dat dit maximumbedrag in 2023 wellicht anders is, kan niet leiden tot een ander oordeel.
4.3.
Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd en gehandhaafd blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed. Ook krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. J.T. Jonker, griffier, op 12 mei 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.