Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-06
ECLI:NL:RBZWB:2025:28
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,021 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/3570 en 23/3571
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
(gesteld gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende. De beroepen zien op de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer 1] en de voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet over het jaar 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer 2]
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, omdat gesteld gemachtigde geen machtiging heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Is een machtiging overgelegd?
4. De beroepschriften zijn ingediend door [gemachtigde]. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij de beroepschriften echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om deze de beroepen in te stellen namens belanghebbende. De rechtbank heeft hem bij brief van 5 juli 2023 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Gesteld gemachtigde heeft binnen die termijn geen machtiging ingediend. Bij aangetekende brieven van 15 september 2023 en 3 april 2024 is nogmaals verzocht een machtiging in te dienen. Uit informatie van PostNL is gebleken dat deze brieven op 16 september 2023 om 16:46 uur respectievelijk op 4 april 2024 om 15:42 uur zijn bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Gesteld gemachtigde heeft geen machtiging ingediend.
Is het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar?
5. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.
Conclusie
6. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 6 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.