Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-29
ECLI:NL:RBZWB:2025:2631
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,114 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/424534 / FA RK 24-3226
Datum uitspraak: 29 april 2025
Nadere beschikking over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man]
,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof in Gilze,
tegen
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A.P.M.A. Laeyendecker in Oss.
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2021, hierna: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, locatie Eindhoven, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het verdere procesverloop
1.1.
Het verdere procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 20 december 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- het raadsrapport van 11 februari 2025, ingekomen bij de griffie op 13 februari 2025.
1.2.
Op 17 april 2025 is de behandeling van de zaak voortgezet tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren. Bij die behandeling zijn verschenen partijen met hun advocaat. Ook waren aanwezig een vertegenwoordigster namens de GI en een medewerkster namens de Raad.
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang tussen het verzoek van de man en het verzoek van de Raad in de zaak met kenmerk C/02/431784 / JE RK 25-251 zijn de verzoeken gelijktijdig behandeld. In beide zaken is bij aparte beschikking beslist.
1.4.
De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt.
Feiten
2.1.
Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 20 december 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijf hebben bij de man. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de man de vrouw éénmaal per vier weken via e-mail informeert over de gezondheid van de minderjarigen en dat hij aan haar telkens kopieën geeft van de schoolrapporten van zodra hij hierover beschikt en dat hij haar meteen via e-mail op de hoogte stelt van belangrijke zaken over de minderjarigen. Tevens heeft de rechtbank de Raad verzocht om onderzoek te verrichten naar de in rechtsoverweging 4.7 van voormelde beschikking gestelde vragen. Een beslissing op de overige verzoeken van de man heeft de rechtbank aangehouden.
2.2.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het raadsrapport van 11 februari 2025. Zakelijk weergegeven concludeert de Raad over het contact tussen de vrouw en de minderjarigen als volgt. De Raad adviseert de rechtbank om een tijdelijke contactregeling tussen de vrouw en de minderjarigen te bepalen. De vrouw verblijft in [crisisopvang] /moeder-kindhuis. De veiligheid van de minderjarigen kan daar voldoende geborgd worden. Daarbij adviseert de Raad ook dat de contactregeling stopt wanneer de vrouw verhuist naar een woning zonder begeleiding of als zij gaat samenwonen. Zolang de vrouw in [crisisopvang] /moeder-kindhuis woont is er contact eens in de veertien dagen van vrijdag 14.00 uur tot zaterdag 16.00 uur, waarbij de man de minderjarigen haalt en brengt. En, daarnaast eens in de veertien dagen op woensdag van 14.00 uur tot 17.00 uur, begeleide omgang, te [woonplaats 1] . Tijdens de vakanties loopt de contactregeling door. De tijdelijke contactregeling wordt beëindigd op het moment dat de vrouw gaat verhuizen of gaat samenwonen.
Daarnaast hebben de minderjarigen maximaal één keer per dag een belmoment met de vrouw. Een definitieve beslissing over de vaststelling van de zorg- en opvoedingstaken dient te worden aangehouden voor de duur van een jaar in afwachting van de verhuizing van de vrouw en de mogelijke resultaten binnen de ondertoezichtstelling.
2.3.
Bij beschikking van 17 april 2025, in de zaak met kenmerk C/02/431784 / JE RK 25-251, heeft de kinderrechter de minderjarigen onder toezicht gesteld van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, locatie Eindhoven, voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 17 april 2025 tot 17 april 2026.
3Het (resterende) verzoek
3.1.
Ter beoordeling ligt de rechtbank nog voor het resterende verzoek van de man om:
vast te stellen dat de vrouw en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar:
- eenmaal per veertien dagen van vrijdag om en nabij 14.00 uur tot zondagmiddag om en nabij 18.00 uur;
- in de vakanties zal het omgangsweekend aanvangen op woensdag om en nabij 12.00 uur.
4De (nadere) standpunten
4.1.
Ter nadere onderbouwing van zijn verzoek wordt door en namens de man, samengevat, het volgende aangevoerd.
De contactmomenten tussen de vrouw en de minderjarigen vinden plaats bij het moeder-kind huis in [woonplaats 2] . Er is daar geen begeleiding. Het halen en brengen van de minderjarigen komt nu voor rekening van de man. In zijn visie dienen de ouders het halen en brengen te delen. De informatieregeling zoals deze wordt uitgevoerd verloopt goed. Er wordt geen overbodige informatie gedeeld via de minderjarigen. Een randvoorwaarde voor de man is dat er afspraken worden gemaakt over de belmomenten tussen de vrouw en de minderjarigen. Op dit moment legt de vrouw de druk bij de minderjarigen om drie keer per dag te bellen. Dit moet worden teruggebracht naar één keer per dag. De man is ermee akkoord dat de vrouw de minderjarigen dagelijks belt om 19.00 uur. Het belangrijkste voor de man is dat er rust wordt gecreëerd voor de minderjarigen. De man is het eens met het advies van de Raad over de tijdelijke contactregeling. De man heeft er geen bezwaar tegen dat de regie over de contactregeling bij de GI komt te liggen en er binnen de ondertoezichtstelling wordt gekeken wat er mogelijk is ten aanzien van het contact tussen de vrouw en de minderjarigen.
4.2.
Door en namens de vrouw wordt, samengevat, aangevoerd dat zij zich niet in het advies van de Raad kan vinden. De contacten met de minderjarigen bij het moeder-kind huis gaan goed. Er is op dit moment geen begeleiding bij aanwezig. Ook de overdracht van de minderjarigen regelen de ouders samen. De vrouw beaamt dat zij in verband met het overlijden van haar moeder even niet bij het moeder-kindhuis verbleef. Zij is daar nu terug en zal daar ook blijven. Wanneer er een ondertoezichtstelling komt, dan zal er binnen die ondertoezichtstelling moeten worden gekeken naar de contactregeling.
4.3.
In aanvulling op het raadsrapport brengt de Raad, samengevat, nog naar voren dat het contact tussen de vrouw en de minderjarigen kan plaatsvinden bij het moeder-kindhuis conform het advies. Op woensdagen eens per veertien dagen vindt het contact plaats in [woonplaats 1] , zodat De GezinsManager zicht kan krijgen op de interactie tussen de vrouw en de minderjarigen. Voor zover de Raad weet zijn de ouders al bij De GezinsManager aangemeld. De reden dat de contactregeling niet op het woonwagenkamp kan plaatsvinden, heeft te maken met de trauma’s die de minderjarigen daar hebben opgelopen.
5De (nadere) beoordeling
5.1.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken, artikel 1:253a lid 5 BW.
5.2.
De rechtbank heeft zich ervan vergewist dat de ouders niet tot overeenstemming kunnen komen, hetgeen impliceert dat de rechtbank op het verzoek van de man dient te beslissen.
5.3.
Bij beschikking van 17 april 2025, in de zaak met kenmerk C/02/431784 / JE RK 25-251, waarnaar de rechtbank hier kortheidshalve verwijst, heeft kinderrechter de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI. In die beschikking heeft de kinderrechter overwogen dat er zorgen zijn over de contacten tussen de vrouw en de minderjarigen. Er bestaan twijfels over de veiligheid van de minderjarigen wanneer zij bij de vrouw zijn. Daarnaast is er geen zicht op de verhouding tussen de huidige partner van de vrouw en de minderjarigen. Binnen de ondertoezichtstelling dient hulpverlening ingezet te worden die (onder meer) ziet op het monitoren van de contacten tussen de vrouw en de minderjarigen en het onderzoeken van de interacties tussen hen.
5.4.
Voormelde maakt dat naar het oordeel van de rechtbank binnen de ondertoezichtstelling dient te worden onderzocht hoe het contact tussen de vrouw en de minderjarigen verder vormgegeven gaat worden. Met de Raad ziet de rechtbank daarbij ook de noodzaak van het inzetten van hulpverlening in het gedwongen kader.
5.5.
Gezien het vorenstaande en om te waarborgen dat het contact tussen de vrouw en de minderjarigen zal aansluiten bij hun ontwikkeling en (opvoed)behoefte, acht de rechtbank het van belang dat de invulling van de contactregeling binnen de ondertoezichtstelling plaatsvindt onder regie van de GI. De rechtbank merkt daarbij op dat de tijdelijke contactregeling zoals door de Raad is geadviseerd, zoals in deze beschikking is weergegeven onder rechtsoverweging 2.2. als uitgangspunt dient te gelden. De rechtbank wijst de vrouw er op dat dit ook betekent dat wanneer zij het moeder-kindhuis verlaat, bijvoorbeeld in verband met een verhuizing of samenwoning, de contactregeling stopt.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de vrouw en de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2021 gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- onder regie van de GI, zoals onder rechtsoverweging 5.5 is weergegeven en totdat de definitieve contactregeling door en onder regie van de GI nader is bepaald, danwel partijen hierover overeenstemming met elkaar hebben bereikt;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.