Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-15
ECLI:NL:RBZWB:2025:2550
Strafrecht
Raadkamer
1,643 tokens
Dictum
[klaagster],
geboren op [datum] 1982,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M. Broere, Molenstraat 10, 4701 JS Roosendaal,
hierna te noemen: de klaagster.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op
27 januari 2025 onder [belanghebbende] een Citroën C2 met [kenteken] in beslag is genomen, hierna: de auto;
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 31 januari 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 1 april 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax, mr. M. Broere als gemachtigd raadsman van klaagster en [belanghebbende] als belanghebbende, gehoord.
Klaagster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat klaagster in de periode van 26 tot en met 31 augustus 2024 acuut was opgenomen in het ziekenhuis. [belanghebbende] is tijdens de ziekenhuisopname van klaagster, en dus buiten haar medeweten om, met haar auto naar huis gereden. Door de ziekenhuisopname heeft klaagster niet weten te voorkomen dat [belanghebbende] gebruik zou maken van haar auto.
Door de belanghebbende is aangevoerd dat er sprake was van een noodsituatie en dat klaagster niet wist dat hij gebruik zou maken van haar auto.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de stukken blijkt dat reeds meerdere voertuigen van klaagster in beslag zijn genomen, terwijl deze door [belanghebbende] werden bestuurd. Bij de teruggave van de voertuigen is klaagster gewaarschuwd. Van klaagster mocht worden verwacht dat zij [belanghebbende] ervan weerhield gebruik te maken van haar auto.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift. Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in haar beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
In dit geval is klaagster een ander dan degene tegen wie het strafvorderlijk onderzoek zich richt. Klaagster stelt rechthebbende te zijn en klaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave. De rechtbank zal dan bij de beoordeling ook rekening moeten houden met art. 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr. In dit artikel is bepaald onder welke voorwaarden een voorwerp dat niet aan de veroordeelde toebehoort kan worden verbeurd verklaard. Die verbeurdverklaring is mogelijk als de rechthebbende wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat kort gezegd er een relatie bestaat tussen het voorwerp en een strafbaar feit.
De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal volgt dat [belanghebbende] op 27 januari 2025 om 20.39 uur werd gezien als bestuurder van de auto. De auto staat op naam van klaagster, zijnde de partner van [belanghebbende]. Na onderzoek bleek [belanghebbende] niet in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. De rechtbank constateert voorts dat er eerder voertuigen in beslag zijn genomen die op naam van klaagster stonden, terwijl [belanghebbende] de bestuurder bleek te zijn en waarna klaagster ook werd gewaarschuwd. Deze eerdere waarschuwingen hebben er echter niet toe geleid dat klaagster ook maar enige maatregel heeft getroffen om te voorkomen dat [belanghebbende] wederom haar auto zou gebruiken. Sterker nog, uit de door [belanghebbende] afgelegde verklaring bij de politie leidt de rechtbank af dat klaagster toestemming gaf tot gebruik van haar auto, zolang [belanghebbende] maar voorzichtig was. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat klaagster wist dat [belanghebbende] gebruik zou maken van haar auto. Op basis daarvan is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend de verbeurdverklaring van de auto zal bevelen. De rechtbank zal het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag dan ook ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 15 april 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 15 april 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).