Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-28
ECLI:NL:RBZWB:2025:2540
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,724 tokens
Dictum
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. M. Hendriks),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Het verzoek
1. De inspecteur heeft met dagtekening 18 december 2024 een verweerschrift met bijlagen ingediend, waarvan de bijlagen 35 en 42 geschoond zijn. De hoofdzaak heeft, kort gezegd, betrekking op de vraag of de navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2010 tot en met 2013 en de daarbij gelijktijdig opgelegde vergrijpboetes en in rekening gebrachte heffings- of belastingrente terecht zijn en niet te hoog.
1.1.
De inspecteur heeft daarnaast bij brief van 18 december 2024 de rechtbank verzocht om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb en heeft de ongeschoonde versies van deze bijlagen aan de geheimhoudingskamer van de rechtbank verstrekt.
1.2.
De gedeeltelijk geheimgehouden stukken zijn als volgt te omschrijven:
- bijlage 35: e-mail inspecteur aan [kernteam];
- bijlage 42: e-mailcorrespondentie inspecteur en boetespecialist.
1.3.
Op verschillende pagina’s van de geschoonde stukken zijn namen, telefoonnummers en e-mailadressen van Nederlandse belastingambtenaren door de inspecteur onleesbaar gemaakt. Daarbij zijn door de inspecteur NN-nummers vermeld die corresponderen met een door de inspecteur bij de gedeeltelijk geheimgehouden stukken overgelegde lijst met namen van Nederlandse belastingambtenaren (de lijst).
1.4.
De inspecteur heeft het verzoek toegelicht in het verweerschrift met als gewichtige reden als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb de bescherming van persoonsgegevens van individuele ambtenaren (reden A).
1.5.
Bij brief van 17 januari 2025 heeft belanghebbende gereageerd op het verzoek om geheimhouding en verklaard niet akkoord te gaan met geheimhouding dan wel beperkte kennisneming van de stukken.
Overwegingen
Geen zitting
2. Belanghebbende heeft verzocht om een behandeling op een zitting van de geheimhoudingskamer. De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. De geheimhoudingskamer komt tot dit oordeel omdat belanghebbende zich voldoende op schrift heeft kunnen uitlaten over de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding en een zitting in het kader van deze geheimhoudingsprocedure weinig zal toevoegen.
Kader voor beoordeling
2.1.
De omstandigheid dat een stuk behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb brengt in beginsel met zich dat dit stuk in zijn geheel en ongeschoond dient te worden overgelegd. Hetgeen is bepaald in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van (delen van) stukken te weigeren (geheimhouding) of de geheimhoudingskamer mede te delen dat uitsluitend de rechter die de hoofdzaak beslist (de hoofdkamer) kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).
2.2.
Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen) van die stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
Beoordeling
2.3.
De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de beoordeling of een stuk is aan te merken als een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb en door de inspecteur moet worden overgelegd toebehoort aan de hoofdkamer. In het onderstaande toetst de geheimhoudingskamer alleen of geheimhouding van de gedeeltelijk geheimgehouden stukken gerechtvaardigd is, waarbij wordt verondersteld dat deze stukken op de zaak betrekking hebbende stukken zijn.
2.4.
De geheimhoudingskamer heeft kennisgenomen van de gedeeltelijk geheimgehouden stukken en van de geschoonde stukken van de hoofdzaak. De gedeeltelijk geheimgehouden stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover de afweging van de inspecteur om delen van de stukken geheim te houden.
2.5.
Op verschillende pagina’s van de geschoonde stukken zijn namen, telefoonnummers en e-mailadressen van Nederlandse belastingambtenaren om redenen van privacy (reden A) onleesbaar gemaakt. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat het belang van bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze gegevens. Bovendien heeft de inspecteur NN-nummers vermeld die corresponderen met de bij de geheimgehouden stukken overgelegde lijst. Daardoor zijn de Nederlandse ambtenaren wel individualiseerbaar en zouden zij op zich met deze anonieme aanduiding als ‘te horen personen’ kunnen worden aangewezen. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat voor de onleesbaar gemaakte passages geldt dat sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
2.6.
Het voorgaande betekent dat het verzoek van de inspecteur om geheimhouding van delen van de in 1.2 genoemde stukken gerechtvaardigd is. Deze delen van de stukken blijven buiten beschouwing bij de behandeling van het beroep.
Dictum
De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding toe.
Deze beslissing is genomen door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 28 april 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze beslissing is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.
Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.31.